A.L. Snijders leest een gedicht van Adam Zagajewski

Gisteren kreeg ik een brief van mijn vriend Schellens uit Etten-Leur. Hij kent alle dichters ter wereld, en bovendien al hun gedichten. Hij stuurt mij soms een geadresseerde enveloppe met postzegel en enkele gedichten. In dit geval was het er een van de mij onbekende Poolse dichter Adam Zagajewski, een smal, langwerpig gedicht, vertaald door Gerard Rasch. De titel verraste me al: ‘Het vliegveld van Amsterdam (ter nagedachtenis van mijn moeder)’. Terwijl ik de negen coupletten zat te lezen, klopten er twee wandelaars aan om de weg te vragen naar Almen. Ze hadden een kaart bij zich die ze niet helemaal vertrouwden, maar dat was onterecht, Almen verschool zich niet. Zagajewski kenden ze trouwens wel, ze wisten dat hij in Oekraïne geboren was (in Lviv, het toenmalige Lwow, daarvoor Lemberg), inmiddels wereldberoemd, grote prijzen had gekregen en les gaf op verschillende universiteiten in Amerika. Ik stelde ze voor de negen coupletten voor te lezen, maar daar hadden ze geen tijd voor, Almen was vijf kilometer lopen en de zon zakte al achter de horizon.

Nu is er ook geen tijd voor, ik lees de eerste en de twee laatste:

Een decemberroos, een smal verlangen / in een tuin die zwart en leeg is, / op de bomen roest, en dikke rook / alsof iemands eenzaamheid er brandt.

(…)

De oude pastoor zal je naam verdraaien. / De trein zal stoppen in een bos. / Met de dageraad zal het sneeuwen / op het vliegveld van Amsterdam.

Waar ben je? / Daar waar de herinnering is begraven. / Daar waar de herinnering groeit. / Daar waar de roos, de sinaasappel en de sneeuw zijn begraven. / Daar waar de as groeit.

uit: tat tvam asi, afdh Doetinchem, 2021

adam zagajewski; gettyAdam Zagajewski; bron beeld: Getty Images

Adam Zagajewski (1945-2021, Pool)

Szymborska Dicht de Dag

szymborska; ara.catbron beeld: ara.cat

Een bijdrage tot de statistiek

Op elke honderd mensen / zijn er tweeënvijftig / die alles beter weten, / onzeker van elke stap – / bijna de hele rest, / bereid om te helpen, / als het niet te lang duurt / – wel negenenveertig, / de goedheid zelve, / omdat ze niet anders kunnen, / – vier, nou, misschien vijf, / in staat tot bewondering zonder afgunst / – achttien, / leven er in voortdurende angst / voor iemand of iets / – zevenenzeventig, / hebben er talent om gelukkig te zijn / – ruim twintig, hoogstens, / zijn als individu ongevaarlijk, / maar slaan los in de massa, / – in elk geval meer dan de helft, / zijn wreed, / als de omstandigheden hen dwingen, / – hoeveel kun je beter niet weten, / ook niet bij benadering, / verstandig als het te laat is, / – niet veel meer / dan voor het te laat is, / willen er van het leven alleen dingen / – veertig / hoewel ik me hier liever vergis, / duiken, een en al pijn, in elkaar / zonder lantaarn in het donker / – drieëntachtig, / vroeg of laat, / verdienen er medelijden / – negenennegentig, / zijn sterfelijk / – honderd op de honderd. / Een getal dat vooralsnog niet verandert.

uit: papyrus, Irene Vallejo; Meulenhoff Amsterdam, 2021; vertaling Adri Boon

Wislawa Szymborska (1923-2012, Bnin, Polen)

Duo dicht de dag

In deze drukke gelukkige jaren

In dit ons landschap, ieder jaar / karteliger van profiel door / opslag, afslagplaatsen en fabrieken, / in deze onze zee die leger wordt aan leven / naarmate reuzen van gevoel te schaars / om elkaar te ontmoeten alleen, / en korter leven, en worden opgegeten, / de walvissen en alle wriemelende / zielen van de genesis – / op dit ons platgetrapte gras / ouder dan wij, al van de derde dag, / in deze slordige versleten wereld / vergeten wij dat wij het zelf / (kinderen van Adam’s kinderen) / de overbevolking zijn.

Uit: Beemdgras, Van Oorschot Amsterdam, 1968

Judith-Herzberg, dictionnaire-creatrices.combron beeld: dictionnaire-creatrices.com

Judith Herzberg (1934, Amsterdam)

****

Vroeger leerden we de wereld blindelings: / ze was zo klein dat ze in een handdruk paste / zo makkelijk dat ze met een glimlach te beschrijven was, / zo gewoon als de echo van oude waarheden in een gebed.

De geschiedenis deed niet zijn intree met fanfares: / ze strooide vuil zand in onze ogen. / Voor ons lagen verre, blinde wegen, / bitter brood en bronnen van vergif.

Onze oorlogsbuit is kennis van de wereld: / ze is zo groot dat hij in een handdruk past, / zo moeilijk dat ze met een glimlach te beschrijven is, / zo vreemd als de echo van oude waarheden in een gebed.

Uit: Einde en begin Gedichten 1957-1997, Meulenhoff Amsterdam, 2004

wislawa-szymborska; milibroinvolo.itbron beeld: milibroinvolo.it

Wislawa Szymborska (1923-2012, Bnin, Polen)

Agnieszka Sosnowska toont de mythe van het alledaagse

Agnieszka Sosnowska, self6Agnieszka Sosnowska, self4Agnieszka Sosnowska, self2

Agnieszka Sosnowska werd geboren in Polen, verhuisde naar de USA, om daarna haar draai te vinden op een boerderij in IJsland. In IJsland woont ze in een kleine gemeenschap, houdt ze zich bezig met alledaagse dingen en geeft les. Van veel van die alledaagse dingen houdt ze een fotografisch dagboek bij. Vaak zijn het zelfportretten (niet te verwarren met selfies, de gesel van onze tijd), soms komen daarin anderen voor, zoals haar leerlingen.

Haar leven op de boerderij is ruw en hard, ver van alles en iedereen, zonder luxe, maar ze geniet van de eenvoud en de solidairiteit en de vriendschap die de gemeenschap haar en haar gezin biedt. Dat is wat ze in haar foto’s laat zien: een kleine hechte gemeenschap ziet het lijden van de ander en weet dat wederzijdse hulp de basis en het bindmiddel is voor het voortbestaan van de groep. Dat is de mythe van het alledaagse.

Agnieszka Sosnowska, selfAgnieszka Sosnowska, self3Agnieszka Sosnowska, self5

Czeslaw Milosz: een geschenk

milosz, czeslaw; poetryfoundation.orgbron beeld: poetryfoundation.org

Een geschenk

Zo’n gelukkige dag. / De mist was vroeg gezakt, ik werkte in de tuin. / De kolibries stonden stil boven de bloeiende kamperfoelie. / Er was geen ding op aarde dat ik zou willen hebben. / Ik kende niemand die het benijden waard was. / Wat aan kwaad was geschied, had ik vergeten. / Ik schaamde me niet bij de gedachte dat ik was wie ik ben. / Ik voelde nergens in mijn lichaam pijn. / Toen ik mij oprichtte, zag ik de blauwe zee en zeilen.

Berkeley, 1971

Uit: Gedichten, Atlas Amsterdam, 2003; vertaling Gerard Rasch

Czeslaw Milosz (1911-2004, Polen)

Herzberg en Szymborska over het krieken

bronnen beeld: Herzberg, taalunie.org; Szymborska, culture.pl

Daglicht

Uit chaos van lakens en / voorgevoel opgestaan, gordijnen / open, de radio aan, was / plotseling Scarlatti / heel helder te verstaan: / Nu alles is zoals het is geworden, / nu alles is zoals het is / komt het, hoewel, misschien / hoewel, tenslotte nog in orde.

Uit: Zeepost, Van Oorschot Amsterdam, 1963

Judith Herzberg (1934, Amsterdam)

Vier uur ’s morgens

Het uur van nacht naar dag. / Het uur van zij op zij. / Het uur voor dertigjarigen.

Het uur geruimd voor het hanengekraai. / Het uur waarin de aarde ons verloochent. / Het uur waarin het waait van uitgedoofde sterren. / Het uur van is-er-dan-niets-dat-van-ons-overblijft.

Leeg. / Hol, nuchter. / Bodem van andere uren.

Om vier uur ’s morgens voelt niemand zich goed. / Als mieren zich om vier uur ’s morgens goed voelen / – is dat een gelukwens waard. En laat het vijf uur worden, / als we tenminste verder moeten.

Uit: Roepen naar Yeti, Meulenhoff Amsterdam, 1957

Wislawa Szymborska (1923-2012, Polen)

Anna Swirszczynska: op spoorwegstations

Op spoorwegstations

Je hebt mesjokke oude vrouwtjes / die in een bundeltje op de rug / hun hele hebben en houden meezeulen.

Zwervers die ineengedoken / nachtenlang op spoorwegstations zitten. / Zieken die in het ziekenhuis wachten / op hun laatste operatie.

En ik heb zoveel tijd verspild/ met jou.

Uit: De meisjes van Zanzibar, Plantage Leiden, 1999

swir, anna; voguepolenbron foto: vogue.pl

Anna Swirszczcynska (1909-1984, Warschau, Polen)

Szymborska: lof van de geringe eigendunk

Wislawa Szymborska; 2doc.nlbron foto: 2doc.nl

Lof van de geringe eigendunk

De buizerd heeft zichzelf niets te verwijten. / Scrupules zijn de zwarte panter vreemd. / Piranha’s twijfelen niet of hun daden wel rechtmatig zijn. / De ratelslang aanvaardt zichzelf zonder voorbehoud.

Jakhalzen met zelfkritiek zijn onbestaanbaar. / Sprinkhaan, kaaiman, haarworm, horzel / leven zoals ze leven en zijn er gelukkig mee.

Honderd kilo weegt het hart van de zwaardwalvis, / maar in een ander opzicht is het licht.

Niets is dierlijker / dan een zuiver geweten / op de derde planeet van de zon.

Uit: Grote getallen, Meulenhoff Amsterdam, 1976

Wislawa Szymborska (1923-2012, Kornik, Polen)

Tadeusz Rózewicz: bezoek

rozewicz, tadeusz; teatrpolskibron foto: teatrpolski.pl

Bezoek

Ik herkende haar niet / toen ik hier binnenkwam / goed dat je die bloemen / zo lang kunt schikken / in een onhandige vaas

‘Kijk niet zo naar me’, / zei ze / met mijn ruwe hand strijk ik / over haar gekortwiekte haren / ‘ze hebben mijn haren afgeknipt’, zegt ze, / ‘kijk wat ze met me hebben gedaan’

dan begint opnieuw / dat blauwe welletje te kloppen onder / de doorzichtige huid van haar hals / steeds wanneer ze haar tranen wegslikt

waarom kijkt ze zo denk ik / nou, ik moet gaan / zeg ik een beetje te hard

en met dichtgeknepen keel ga ik.

Uit: De meisjes van Zanzibar, Plantage Leiden, 1999

Tadeusz Rózewicz (1921-2014, Radomsko, Polen)

Berlijn Alexanderplatz: hoeveel lijden kan Franz Biberkopf aan?

döblin, alfred; tagesspiegel.debron foto: tagesspiegel.de

Op zijn zachtst gezegd was het een leeservaring. Weerbarstig, energievretend, kortom een hele klus. Want het leed stapelt zich op voor hoofdpersoon Franz Biberkopf. Het is een boek waar je met je kop bij moet blijven. Waarin veel paden zich kruisen. Waarin verleden en heden zich mengen. Waarin weinig liefde zich voordoet en als, dan loopt het slecht af. Maar het was de moeite waard. Ik kreeg er doorzettingsvermogen van, net als Biberkopf zelf, die zich niet uit het veld liet slaan. Die ondanks alle duisternis toch geloofde in de deugdzame mens. En in zijn directe omgeving waren daarvoor aanwijzingen in de vorm van Mieze en Eva, vrouwen waarop hij terug kon vallen, die hem steunden. Indrukwekkend dat Berlijn Alexanderplatz. Dank Döblin!

En dan duiken er engelen op in de levenswandel van Biberkopf. Plots lopen ze naast hem. Op het moment dat hij diep in de put zit. Dat is dichterlijke vrijheid. De mogelijkheid om de waarheid te verzinnen ten dienste van het verhaal. Saroeg en Terah zijn de namen. De engelen overleggen waarom ze Biberkopf zouden moeten beschermen.

‘Maar als iemand veel heeft beleefd en ingezien, toch nog volhoudt, en niet ineenstort, niet sterft maar zich uitstrekt, zich breed maakt, voelt en niet vlucht maar zijn ziel openstelt en standhoudt – dan heeft dat iets. Je weet niet, Saroeg, hoe je geworden bent wat je bent, wat je was en hoe je ertoe gekomen bent met me mee te gaan en andere wezens te beschermen.’ ‘Dat is waar, Terah, dat weet ik niet, mijn geheugen is helemaal gewist.’ ‘Het zal zich langzaam herstellen. Je bent nooit sterk vanuit jezelf, vanuit jezelf alleen, je hebt al wat achter je rug. Kracht moet verworven worden, je weet niet hoe je die verworven hebt en dat is je huidige situatie: de dingen die anderen om het leven brengen, zijn voor jou geen gevaren meer.’ ‘Maar hij wil ons toch niet, deze Biberkopf, je zegt immers zelf dat hij ons wil afschudden.’ ‘Hij wil sterven, Saroeg, niemand heeft ooit een zeer grote stap gezet, deze vreselijke stap gezet zonder te willen sterven. En je hebt gelijk, de meesten redden het dan niet.’ ‘En bij deze hier heb je hoop?’ ‘Ja, omdat hij sterk en overslijtbaar is en omdat hij al twee keer standgehouden heeft. Dus laten we bij hem blijven, Terah, doe me dat plezier.’ ‘Goed.’

Uit: Berlijn Alexanderplatz – Alfred Döblin, Wereldbibliotheek Amsterdam, 2015; vertaling Hans Driessen

Alfred Döblin (1878-1957, Szczecin, Polen)