Margaret Atwood over vrouw en paddenkusser

atwood maragaret, demorgen.bebron foto: demorgen.be

Met waar genoegen lees ik vrouwelijke schrijvers; om dat ze werelden en denkwijzen beschrijven die veelal iets nieuws bieden. Iets dat ik nog niet wist of me nog niet beseft had. Het vrouwelijk perspectief. Ik kom daarop bij het lezen van de korte verhalen van de Canadese Margaret Atwood. De verhalen in de bundel Wenken voor de wildernis gaan over vrouwen en hun relatie tot (meestal) andere vrouwen. Ik besefte dat vrouwelijke vriendschap andere kenmerken vertoont dan de mannelijke. Bij mannen gaat het vooral om wat ze doen en zeggen; bij vrouwen om wie ze zijn en wat ze (voor elkaar) voelen.

In het korte verhaal Gewicht gaat het bijvoorbeeld over twee vriendinnen die nogal uiteenlopende wegen bewandelen. De ene is bij voortduring bezig met loopbaan en stappen zetten op de maatschappelijke ladder; de ander verkiest een rommelig bestaan in de kantlijn. Beiden vonden elkaar in hun wederzijdse zucht naar verandering van de ongelijke wereld waarin systemen mannen bevoordelen.

Molly en ik hadden toen grootse plannen. We zouden alles veranderen. We zouden de code doorbreken, het netwerk van vriendjespolitiek omzeilen, bewijzen dat vrouwen het ook konden, wat het ook was. We zouden het opnemen tegen het systeem, zorgen voor betere echtscheidingsregelingen, strijden voor gelijke beloning. We streefden naar rechtvaardigheid en eerlijkheid. We dachten dat het recht daarvoor was.

We waren moedig maar we hadden het bij het verkeerde eind. We wisten niet dat je bij de rechters moest beginnen.

Maar Molly had geen hekel aan mannen. Bij mannen was Molly een paddenkusser. Ze dacht dat iedere pad in een prins kon worden veranderd als hij maar genoeg werd gekust, door haar. Ik was anders. Ik wist dat een pad een pad was en een pad zou blijven. Het ging erom de aardigste onder de padden te vinden en hun subtielere eigenschappen te leren waarderen. Je moest oog krijgen voor wratten.

Ik noemde dat een compromis. Molly noemde het cynisme.

Uit: Gewicht, uit: Wenken voor de wildernis, Bert Bakker Amsterdam, 1992; vertaald door Barbara de Lange

Margaret Atwood (1939, Ottawa, Canada)

Margaret Atwood kondigt een verdwijning aan

De situatie: twee meiden Lucy en Lois, beiden enigst kind thuis, ontmoeten elkaar tijdens zomerkamp. Vriendschap ontstaat. Beiden houden de gang naar het zomerkamp lang vol. Tot in hun late puberteit. Niet alleen veranderen beide meiden, ook de wereld om hen heen. Dat is wat we meekrijgen van de Canadese schrijfster Margaret  Atwood (1939, Ottawa) voordat het korte verhaal zich naar zijn plot ontwikkelt.

Dit jaar is Lucy weer anders: lijziger, lustelozer. Ze heeft geen zin meer om in het donker rond te sluipen, sigaretten te pikken van de leidster, zwarte handel te drijven in snoep. Ze is zwaarmoedig en ’s morgens moeilijk wakker te krijgen. Ze mag haar stiefvader niet, maar ze wil ook niet naar haar echte vader, die een nieuwe vrouw heeft. Ze denkt dat haar moeder een verhouding heeft met een arts; ze weet het niet zeker maar ze heeft hen in zijn auto zien vrijen op de oprijlaan, toen haar stiefvader er niet was. Net goed voor hem. Ze heeft een hekel aan haar particuliere school. Ze heeft een vriendje, hij is zestien en werkt als tuinmanshulp. Zo heeft ze hem leren kennen: in de tuin. Ze beschrijft aan Lois hoe het is als hij haar zoent – eerst wat rubberachtig, maar dan worden je knieën week. Ze mag niet met hem omgaan en er wordt met kostschool gedreigd. Ze wil van huis weglopen.

Lois heeft daar weinig tegenover te stellen. Haar eigen leven is onbewogen en plezierig, maar over geluk valt weinig te vertellen. ‘Geluksvogel,’ zegt Lucy, een beetje zelfvoldaan. Ze had net zo goed kunnen zeggen saaie piet, want zo voelt Lois het.

Uit: Wenken voor de wildernis (verhalen), Bert Bakker Amsterdam, 1992; vertaling Barbara de Lange

atwood, margaret, thegentlewoman.co.ukbron foto: thegentlewoman.co.uk

Margaret Atwood (1939, Ottawa, Canada)

García Márquez keert terug naar zijn dorp en herinnert zich de anime

De anime is bij ons een soort weldoende geest die zijn beschermelingen op benarde momenten te hulp schiet; wanneer men dan ook van iemand zegt dat hij ‘animes’ heeft, bedoelt men dat hij door een of andere mysterieuze persoon of kracht wordt beschermd.

De animes van Aracataca (geboortedorp van Márquez) waren iets heel anders: minuscule wezentjes van amper een duim groot die op de bodem van waterkruiken leefden. Soms verwarde men ze met de bortselwormpjes, ook wel sarapicos genoemd, die in werkelijkheid de larven van de muskieten waren die onder in het drinkwater wriemelden. Maar de echte kenners verwarden ze niet: de animes waren in staat om uit hun natuurlijke schuilplaats te ontsnappen, zelfs als de waterkruik goed was afgesloten, en ze vermaakten zich door allerlei kattekwaad in huis uit te halen. Het waren ondeugende maar vriendelijke geesten die de melk  verzuurden, de ogen van de kinderen van kleur lieten veranderen, de sloten deden roesten of verwarde dromen opriepen. Maar bij tijden raakten ze om duistere redenen uit hun humeur en dan bekogelden ze het huis waar ze woonden met stenen. Ik leerde ze kennen in het huis van don Antonio Daconte, een Italiaanse emigrant die indrukwekkende nieuwigheden in Aracataca introduceerde: de stomme film, de biljartzaal, de verhuur van fietsen, de grammofoon en de eerste radio. Op een avond ging het gerucht in het dorp dat de animes stenen gooiden naar het huis van don Antonio Daconte, en het hele dorp liep uit. In tegenstelling tot wat je zou denken, was het geen gruwelijk schouwspel maar een uitgelaten feest, waarbij hoe dan ook geen ruit heel bleef. Je zag niet wie de stenen gooide, want ze kwamen van alle kanten aan vliegen en hadden de magische eigenschap niemand te raken, maar rechtsstreeks op hun doelwit af te gaan: dingen van glas. Lang na die fantastische avond hielden wij kinderen vast aan de gewoonte het huis van don Antonio Daconte binnen te sluipen en het deksel van de waterkruik in de eetkamer op te lichten om te kijken naar de kalme en bijna doorzichtige animes die zich onder in de kruik verveelden.

Uit: Terug naar mijn dorp; uit: De zee van mijn verloren verhalen, Meilenhoff Amsterdam, 1992; vertaling Francine Mendelaar en Wieke Westra 

garcia marquze, smithsonian magazinebron foto: smithsonianmag.com

Gabriel García Márquez (1927-2014, Colombiaans)

Margaret Atwood: Is/niet

Is/niet

Liefde is geen beroep / al dan niet fatsoenlijk

seks is geen tandheelkunde / het glad vullen van pijnen en gaatjes

jij bent mijn dokter / jij bent mijn genezing niet

niemand heeft die / macht, je bent gewoon aangehaakt

Geef die medische aandacht op, / dat stijve, attente,

gun jezelf woede / en gun mij de mijne

die noch je goedkeuring / noch je verbazing nodig heeft

die niet gewettigd hoeft te worden / die niet tegen een ziekte is

maar tegen jou, / die niet begrepen hoeft te worden

of gewassen of gecauteriseerd, / die wel nodig heeft dat ze

gezegd en gezegd wordt. / Gun mij de tegenwoordige tijd.

Margaret-Atwood, national critics circlebron foto: bookcritics.org

Margaret Atwood (1939, Canadees)

Uit: Eating fire – Selected poetry 1965 – 1995, Virago Press, Londen, 1998; vertaling Daan Bronkhorst

Mies Bouhuys: de zolder

Het landschap komt uit deze poëzie naar voren als wat ik zou willen noemen: het landschap van haar ziel, een landschap waarin bomen, planten, plassen, wolken, regen en mist een van de mens uit bepaalde be-teken-is ontvangen. Kortom, het is op twee manieren ‘werkelijk’min Mies Bouhys’ gedichten; het heeft twee dimensies, een ‘materiële’ en een ‘psychische’. In deze ‘zielslandschappelijke werkelijkheid’ nu is het, dat zich een ander eenzijn heeft geprojecteerd dan de eenheid met de natuur: de gemeenschap van man en vrouw.

Ad den Besten

De zolder

De zolder ruikt naar boeken, / waar niemand meer in leest, / hun kromgetrokken hoeken / zijn eenmaal mooi geweest.

Toen stonden ze beneden: / – ik was nog maar heel klein – / sommige goud op snede / in één in marokijn.

Wie wil ze nu nog hebben, / beschimmeld en besmeurd, / vol stof en spinnenwebben / en ieder blad verkleurd?

Maar als ik er in blader, / hier lees, daar platen kijk, / dan opent zich een ader / naar een verloren rijk.

Remy gaat met zijn hondje / eenzaam de wereld door. / Remy, ach, ik verstond je, / daar is geen uitweg voor.

Om zijn de tachtig dagen, / maar waar blijft Phileas Fogg? / De klok heeft al geslagen, / komt hij niet meer of toch?

Zou kleine Kai nog leven? / Gaat Gerda hem nog na? / Alles is zo gebleven / of wordt weer zo weldra.

Dag dromenman Jules Verne, / dag rare broeders Grimm, / dag zon, dag maan, dag sterren, / dag kleine zeemeermin.

mies bouhuys

Maker foto onbekend, bron: Het Parool.

Maria Albertha (Mies) Bouhuys (1927 – 2008), scenario-, toneel- en kinderboeken-schrijfster. Ook schreef ze gedichten. Ze was woonachtig in Amsterdam.

Bouhuys was gehuwd met de dichter Ed. Hoornik. Ze werd opgeleid tot onderwijzeres maar stond nooit voor de klas. In 1958 trad ze in dienst van de AVRO als regisseuse en scenarioschrijfster van televisie-kinderprogramma’s. Zij was tevens enkele jaren bestuurslid van de Vereniging van Letterkundigen (VvL).

Zij debuteerde in 1948 met de gedichtenbundel Ariadne op Naxos, waarvoor zij de Reina Prinsen Geerligsprijs ontving. Hoewel ze ook daarna nog poëzie publiceerde – zoals Blijven kijken (1971) – werd ze vooral bekend door de vele boeken en versjes voor kinderen. In 1966 werd Kinderverhalen bekroond als Kinderboek van het jaar, de voorloper van de huidige Gouden Griffel. Bekend waren ook haar verhaaltjes in rijmvorm over Pim en Pom, twee poezen die allerlei avonturen beleven en die jarenlang in Het Parool verschenen, geïllustreerd door Fiep Westendorp.

Naast haar literaire werk was Bouhuys ook bekend door haar politieke activisme. Zo zette zij zich jarenlang in voor de Dwaze Moeders in Argentinië, de moeders van onder de dictatuur verdwenen (vermoorde) gevangenen. In 2002 verzette zij zich scherp tegen de mogelijke aanwezigheid van Jorge Zorreguieta bij het huwelijk van zijn dochter Máxima met Prins Willem-Alexander.

Mies Bouhuys overleed op 81-jarige leeftijd.

Juan Gelman: misschien past de wereld in de keuken

Misschien past de wereld in de keuken

Misschien past de wereld in de keuken / waar we praten over het kind. / De toekomst is een gezicht, een lieve naam, / bloed op weg naar deze weg.

Liefde uit zich op een vreemde wijze: / wieg, luier, de ochtendjas. / Deze gewone dingen. / Die blanke woorden.

De liefde is gegroeid. / De lente zingt in mijn zakdoek.

Uit: De dichter is een kleine God, Barber van de Pol, Maarten Steenmeijer, Atheneum, Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2010

juan-gelman

Juan Gelman (1930 – 2014) Argentijns dichter. Gelman werd geboren in Buenos Aires als zoon van immigranten uit de Sovjet-Unie. Hij was journalist en politiek activist. Hierdoor moest hij Argentinië ontvluchten tijdens de coup in 1976, waarna hij vijftien jaren in ballingschap doorbracht in Italië, Frankrijk en Mexico. Zijn zoon en schoondochter werden tijdens het bewind van Jorge Videla vermoord. Zijn schoondochter was net bevallen van een meisje. In 2000 vond Gelman zijn kleindochter terug, die bij een gezin in Uruguay was opgegroeid.

In 2007 kreeg Gelman de Cervantesprijs, de belangrijkste literaire prijs voor Spaanstalige schrijvers.