De ‘white soul’ van Dusty Springfield geworteld in pijn en geweld

Zelfmutilatie, roem, panische angsten, lesbisch, obsessief, gewelddadig en verslaafd aan drugs en drank. Enkele thema’s uit het leven van zangeres Dusty Springfield (artiestennaam van Mary Isabel Catherine Bernadette O’Brien, 1939 – 1999, Britse zangeres. Eén van de populairste zangeressen uit de jaren zestig met de bijnaam The Queen of White Soul).

Mary groeide op in een gezin waarin haar vader en moeder de frustraties botvierden op de kinderen. Vader en moeder hadden hun artistieke, muzikale ambities in elkaars armen gesmoord. De jonge Mary reageerde zich af door zichzelf pijn te doen. De pijn werd haar trouwe bondgenoot. Muziek bracht enige verlichting.

Aan het begin van de jaren 60 werd ze leadzangeres van The Springfields. De echte doorbaak volgde toen ze vanaf 1963 solo ging. In 1966 scoorde ze maar liefst 4 hits in Engeland. Geen enkele vrouw had dat voor haar gepresteerd. Het leverde roem op en een eigen tv-programma.

Die roem zat haar niet lekker. Het leverde panische angsten op. Volgens ingewijden ook omdat Mary worstelde met haar homoseksualiteit. Ze was bang dat haar fans dat te weten kwamen en ze haar zouden laten vallen. Mary wilde worden wat ze niet was: hetero, goed katholiek en zwart. Ondertussen had Mary relaties met tal van vrouwen. Die relaties waren  bijna altijd gewelddadig en obsessief. Ze zat haar vriendinnen regelmatig met een mes achterna.

Hoogtepunt in de muzikale loopbaan van Dusty Springfield was het album: Dusty in Memphis, een album dat laat horen waarom ze terecht de naam white soulsinger draagt. Haar reputatie bij haar zingende volgers zoals Amy Winehouse en Duffy, is voor een belangrijk deel op dit album gestoeld.

Het bracht Mary alleen maar ellende. Ze raakte mentaal in het slop en ze dreigde ten onder te gaan aan drugs en drank. In 1987 was er sprake van een korte comeback. Ze scoorde een hit met The Pet Shop Boys met What Have I Done to Deserve This?

In de jaren 90 constateerde de dokters borstkanker waarvan ze zich eerst herstelde en waaraan ze in 1999 toch bezweek. In die laatste moeilijke tijd belde ze haar ex-minnares Sue Cameron op. “I’m going to die and I’ve never done it before. I don’t know how to do it.”

Bronnen: Wikipedia; Biografieportaal.nl en Dusty. An Intimate Portrait of a Musical Legend, Karen Bartlett

The Sundays is een pareltje; Siouxie and the Banshees ontwikkelde zich

Siouxsie and the Banshees kwamen voort uit de Londense punk-scene, gingen lang door en ontwikkelden zich van punk naar een band met een top 40-hit. Een jaar of 20 speelde de band een rol in de Britse pop. In die twee decennia ontwikkelde de band rond Siouxie Sioux (Susan Dallion), bassist Steven Severin, drummer John Simon Ritchie en gitarist Marco Perroni zich van Sex Pistols-fan, punk primitive art-band tot een sophisticated en stylish groepje dat zich ophield in de left-field. Geen mainstream maar invloedrijk en een voorbeeld voor andere bands.

De band begon serieus in 1976. Het eerste album: The Scream kwam in 1978 uit en had een bescheiden hit met Hong Kong Garden. Toen al waren er wisselingen in de bezetting van de groep. Dat zou even duren. Eén van de voorbijgangers bij the Banshees: Robert Smith, die we later terug zagen bij The Cure. Uiteindelijk zouden Steven Severin, Siouxie en drummer Budgie de harde kern gaan vormen door de jaren heen.

Wat de muziek betreft: hits had de band met Happy House (UK) en Kiss them for me (US). Bekender werd de groep met albums als: Kaleidoscope (1980) en Tinderbox (1986). En daarnaast vanwege alle muzikale projecten die naast Siouxie and the Banshees plaatsvonden.

Voortbordurend op de gitaar gedreven pop van The Smiths en de dream-pop van bands als The Cocteau Twins gingen The Sundays aan de slag. The Sundays begonnen in 1987 in Londen en hadden in zangeres Harriet Wheeler en gitarist David Gavurin twee voor het bandgeluid, kenmerkende groepsleden. Ze werden daarmee bekend bij een kleine groep liefhebbers, zowel in thuisland Engeland als in de VS. Dat was begin jaren 90, vorige eeuw. Ze brachten twee albums uit, die goed verkochten (Reading, Writing and Arithmetic, 1990 en Blind, 1992), maar niet voor een doorbraak zorgden. En dat hadden liefhebbers en critici wel voorspeld. Waarom The Sundays het niet hebben gered, weten we niet, want hun muziek is alleszins de moeite waard, getuige Here’s where the story ends, ook uit 1990.

 

H-vrouw: PJ Harvey

PJ Harvey Albums From Worst To Best

E-vrouw: Everything but the Girl

In de 80-er jaren van de vorige eeuw dook Everything but the Girl op in de Britse popscene. Het was eigenlijk een duo: Tracey Thorn en Ben Watt. Tracey nam de zang voor rekening, Ben componeerde en musiceerde. De naam van de band kwam van een lokaal bedrijf dat adverteerde met de slogan: “For your bedroom needs, we sell everything but het girl.”

In eerste instantie maakte EBTG vooral muziek die geschoeid was op de jazz-leest. De eerste single die de aandacht trok was een samba-bewerking van Cole Porter’s Night and Day. Na een contract bij het Cherry Red-label, volgde het eerste album in 1984: Eden. Mijn kennismaking met de Britse band kwam tot stand na beluistering van een compilatie-album van Cherry Red waarop nieuwe artiesten te horen waren. EBTG viel op door z’n muzikale aanpak en dat stemgeluid van Tracey Thorn.

EBTG ontwikkelde haar muzikale smaak van jazzy naar pop, naar electronica. Daarbij was medewerking aan het Massive Attack-Album Protection in 1994 een kantelpunt. Thorn en Watt ontdekten de mogelijkheden van electronica, trip-hop en drum ’n bass. Met de scorende hitsingle Missing (geproduceerd door Todd Terry) begon voor EBTG een tweede loopbaan.

Na 1999 trok Thorn zich terug uit de muziek om zich te wijden aan de opvoeding van een tweeling en nog een spruit. Manlief Watt wijdde zich ondertussen aan een DJ-loopbaan. Na verloop van tijd begon Thorn weer met zingen en opnemen. Solo dit keer.

C-vrouw: Cocteau Twins

De Cocteau Twins is niet alleen gitarist Robin Guthrie en zangeres Elizabeth Fraser, maar het zijn wel de twee constante factoren in deze band van Schotse origine. De band dankt haar naam aan een nummer van de eveneens Schotse Simple Minds.

In 1982 tekenen de Cocteau Twins een contract bij platenlabel 4AD. Daar worden ze onbedoeld het belangrijkste uithangbord van. Dat heeft vooral met hun muziek te maken. Die is weids, atmosferisch en mysterieus. Een beetje zoals het Schotse landschap. Kenmerkend is de gitaarsound van Guthrie: vervormd, gebruikmakend van tape loops en met veel echo. De zang van Fraser lijkt op die van een opera-zangeres. Hoog in de registers en loepzuiver. Critici roemen haar en noemen het ‘De Stem van God’. Haar teksten zijn onverstaanbaar, vooral bedoeld om emoties te verbeelden. Verder maken een ritmische bas en de onafscheidelijke Roland 808-drummachine onderdeel uit van de sound.

Het midden van de jaren ’80 is het hoogtepunt voor de Twins, zowel in creatief opzicht als qua hoeveelheid uitgebracht werk. Treasure en Victorialand zijn de albums die opvallen. Treasure omdat de band hier op z’n best is. Victorialand omdat de band laat zien ook akoestisch uit de voeten te kunnen.

Na de jaren ’80 gaan de Cocteau Twins commerciëler aan de slag. Het uitgebrachte werk wordt toegankelijker, ontdaan van de rafelrandjes. Aan het eind van de jaren ’90 stopt de band.

Zangeres Fraser probeert allerlei dwarsverbanden met andere musici en stijlen uit. Met haar kenmerkende stemgeluid is ze onder andere te horen op de albums van Massive Attack.

Forever Young at Heart

Bij de 100-ste verjaardag van The Voice sta ik even stil bij twee iconen van de Amerikaanse muziek: Frank Sinatra en Bob Dylan. Sinatra is de ultieme vertolker van andermans teksten, Dylan schreef ze zelf. Sinatra was de man die de jaren ’50 domineerde. Dylan de jaren ’60. Van Sinatra’s privé-leven weten we bijna alles. Dylan’s privé is mystiek. Beiden hebben grote successen afgewisseld met diepe dalen. Sinatra deed een zelfmoordpoging. Dylan verongelukte bijna met zijn motor. Sinatra is The Voice, een man met een fabelachtig stemgeluid, een perfecte timing en frasering. Dylan krast en neuzelt en ging van akoestisch naar elektrisch. Twee persoonlijkheden die dankzij hun opvallende persoonlijkheid ons hebben doen verbijsteren, rillen, huiveren, paaien, luisteren, genieten en zonder hun werk had mijn wereld er anders uitgezien.

Beiden hebben zich bezig gehouden met het verschijnsel oud worden. Dylan deed dat o.a. met Forever Young. Sinatra vertolkte Young at heart en vertelt waarom. Zoek de verschillen…

Y = Yo La Tengo

Yo La Tengo is Spaans voor Ik heb ‘t! En toch: Yo La Tengo is een op en top Amerikaanse band. Sterker nog: het is The Velvet Underground 2.0. Lou Reed en Moe Tucker heten in deze band: Ira Kaplan en Georgia Hubley. Maar toch: Yo La Tengo is vooral een band die avontuur koppelt aan onafhankelijkheid, creatieve ambitie en: enthousiasme! Dat maakt de band het lieverdje van veel critici en een bescheiden publiek.

Die vergelijking met The velvet Underground heeft vooral te maken met het laveren tussen uitersten: je hoort bij YLT lieflijke, zacht gespeelde melodieuze liedjes waarbij Ira en Georgia beurtelings de leadvocalen voor hun rekening nemen. Maar ook feedback-driven noise rock waarbij Kaplan zich kan uitleven op de gitaar. Dat levert spannende en onvoorspelbare muziek op.

YLT is voor veel Indie-bands een lichtend voorbeeld. Nee, een instituut. De band wordt gewaardeerd om haar eigenzinnigheid en het gebrek aan interesse voor de rock-bizniz.

Klassiek meesterwerk van de band: I Can Hear the Heart Beating as One. Daar is de band op haar top. De stemmingen veranderen per nummer maar subtiel. Ondertussen speelt de band het hele palet aan curieuze stijlen dat ze zich heeft eigen gemaakt. Met een prachtplaat als gevolg!

Achterhoek Tsjoek

Ik woon in de Achterhoek (nee, ik been geen Tukker), de regio waarin grootheden als Matthijs van Nieuwkerk en Adriaan van Dis zich terugtrekken als ze de hectiek van de grote stad willen ontvluchten.

De Achterhoek waar ze Normaal normaal vinden, zeg maar. Een streek met veel historie. Ook op popgebied. Normaal is bekend, maar zeggen Vandenberg en Jan Rietman nog iets? Jan Rietman is de Achterhoeker die in de jaren 80 (vorige eeuw) drie maal de Kuip uitverkocht kreeg. Nee, niet met Long Tall Ernie and the Shakers, waarin hij als pianist actief was, maar met zijn radioprogramma Los Vast (NCRV). Los Vast bood in die jaren een podium voor Nederlands(e)(talige) pop. Zonder het duwtje van dat radio-programma waren Doe Maar, Het Goede Doel en Roberto Jacetti and the Scooters wellicht niet zo bekend geworden.

Vandenberg is de hardrock-groep van o.a. Bert Heerink en Ad van den Berg. Deze Achterhoekse groep presteerde het om niet alleen wereldwijde hits te scoren, maar ook twee maal op toernee te gaan in de VS. Dat is voordien en nadien door geen enkele Nederlandse groep gelukt. Zelfs de Golden Earring niet. Ik zag er de foto’s van en hoorde het verhaal tijdens een lezing van Peter Groeskamp in het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers in Doetinchem.

En dan Normaal, ons meest aansprekende exportproduct. Tijdens de lezing van onze Achterhoekse popprofessor kwamen foto’s voorbij van Normaal in Afrika. De groep was er om motoren af te leveren aan een medische organisatie. En jawel daar stonden de Achterhoekse rockers op een platte kar, in het binnenland van Afrika voor een enthousiaste menigte, hun Oerend Hard te spelen. Nooit geweten.

normaal_credit_Hugo_Jaartsveld_NIET_RECHTENVRIJ_carousel_missed-1432293805

foto: Hugo Jaartsveld