Igor Pjörrt: okeren schaduw

pjörrt, igor, betelgeusepjörrt, igor, betelgeuse3pjörrt, igor, betelgeuse5

De jonge Portugese fotograaf Igor Pjörrt (geboren op het eiland Madeira, Azoren) zoekt zijn onderwerpen niet ver van huis. Het zijn intieme portretten van vrienden en familie. ‘De mensen van wie ik houd’, aldus de fotograaf. Zijn foto’s tonen de jeugd, het zoeken naar identiteit, veiligheid, volwassen worden, verveling en eenzaamheid. Pjörrt heeft daarbij een voorkeur voor warme kleuren, zoals de okere gloed die bijgaande foto’s tonen. De Portugees geeft met zijn foto’s beeld aan twijfel, angst en rebellie waarmee deze jeugd zegt te kampen. ‘We zijn idealistisch, geïnformeerd en ongeduldig’, laat de jonge fotograaf weten. Ondertussen studeert hij film in Londen omdat zijn foto’s al de filmische blik lieten zien.

pjörrt, igor, betelgeuse2pjörrt, igor, betelgeuse4pjörrt, igor, betelgeuse6

António Lobo Antunes doktert in Angola en schrijft zijn vrouw

Gago Coutinho, 13 september 1971

Echtelijk drama in Catolo. Vooraf: wanneer een vrouw van de Bundastam een kind krijgt, doet ze het pas weer met haar man als het kind begint te lopen. Tot dan moet de arme donder zich maar zien te redden: totaal verbod van de toegewijde moeder. António, die de rook van zijn hitsigheid voelde opstijgen naar zijn ziel en dat verlangen thuis niet kon bevredigen, scharrelde ergens een grietje op en speelde met haar. Domingas kwam daarachter en haar reactie was niet misselijk: ze ging naar de ander, gaf haar een pak slaag en stopte haar vol met jindungo, een hete saus die ze hier eten. Er bestaat beslist geen betere manier om zich te ontdoen van liefjes van de man…

Chiúme, 15 november 1971

Groot feest. Een mankepoot die hier rondzwerft, steunend op een stok, met een normaal been en het andere zo dun als een tandenstoker, gerimpeld en verdord als een wijnrank, is naar een meisje van een jaar of negen gestapt en heeft, zoals ze hier zeggen, ‘haar huidje weggenomen’: in plaats van de vlerk voor acht jaar op te sluiten, was de hele meute uitzinnig van vreugde. Op de ontmaagding volgt een hele week feesten en dansen rond de hut waar het meisje opgesloten zit, en een immens genot onder de zestig slippendragers van de bevolking. De moeder van het verkrachte kind danst zo fanatiek dat je het schrikbeeld van een hartaanval achter haar ziet oprijzen. Eerbare oude besjes lopen te hossen en te schudden. De mankepoot triomfeert alsof hij een heldendaad heeft verricht. En ik woon, zittend naast het stamhoofd, op een krukje met een geitenvel erop, als eregast de feestelijkheden bij: zingen, dansen, het ritme van de tamtams, die af en toe bij een vuurtje worden gehouden om hun verslapte vel te spannen.

Uit: Mijn winterkat, Mijn lief; brieven aan mijn vrouw, Ambo/Anthos Amsterdam, 2007; vertaling Harrie Lemmens

LOBO ANTUNES, Antonio - Portrait des Schriftstellersbron foto: wook.pt

António Lobo Antunes (1942, Lissabon, Portugal)

Slauerhoff: lof der stoomvaart

Lof der stoomvaart

Voorgoed is ’t zacht, sierlijk gebogen hout / Geweken voor het harde en stijve staal; / Zeilschepen zijn nu schimmen uit een oud / En vaak gedaan, nu gans vergaan verhaal.

Stoommonsters stevenen op alle zeeën, / Geschuwd door de enkle zwartverweerde brik / Die alleen overbleef om eens ons tweeën / Te varen naar het eiland van geluk.

Uit: Op aarde niet en niet op zee – J. Slauerhoff, 100 mooie gedichten gekozen door Henny Vrienten Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 2000

Slauerhoff, mondriaan fonds

bron foto: mondriaanfonds.nl

J. Slauerhoff (1898 – 1936)

Komrij beschrijft de hang naar het verleden

Gerit_komrij, wikipedia.nl

Schrijver en Dichter des Vaderlands, Gerrit Komrij woonde zelf in Portugal, in het dorpje Vila Pouca. Die ervaring inspireerde tot het schrijven van de roman Over de bergen, die in 1990 verscheen. bron foto: Wikipedia.nl

Vaak had hij ervan gedroomd hoe het moest zijn een andere eeuw binnen te stappen, niet om de huisraad, de kleding en de gebruiksvoorwerpen te zien, want die kende hij wel, die stonden rij aan rij geschaard in nauwgezet bijgestofte monumenten en in musea, maar om lijfelijk te voelen, te ruiken en te ondergaan, met inbegrip van alle door een noodzakelijke archivering en ordening weggemoffelde of zelfs ongemerkte verdwenen details, hoe die kleding erbij hing wanneer men ’s morgens een kast opende, hoe de stoelen in de kamer voor de visite waren klaargezet, op welke plaats in toog-en ladenkasten het dagelijks serviesgoed werd bewaard. Hij droomde ervan een lege sigarettendoos te zien rondslingeren, het verpakkingspapiertje van een bonbon. Een kam met negentiende-eeuwse haren. De krant van gisteren, 21 oktober 1898. Nu was het hem overkomen.

Dit was het wonder geweest dat hij had gezocht, deze kleine cirkel, dit bevroren eiland, zo omsloten en zo bevroren dat het hem niet eens deed denken aan een bepaalde periode uit de geschiedenis. Het had een voorwereldlijk aspect, er ging een archaïsche onbewoonbaarheid vanuit die met al haar dorheid voor hem in dit stadium van zijn leven iets troostends had. Het uitgestrekte Transmontaanse landschap, met zijn weinige lichten ’s nachts tegen de heuvelranden, met zijn bedrieglijke perspectieven die nu eens een gestalte in de verte op het silhouet van een reus lieten lijken, dan weer een dal dat dichtbij leek steeds verder van de wandelaar verwijderden, versterkte zijn indruk van een wereld die niet aan de gebruikelijke wetten gehoorzaamde. Zoals hij en zijn generatiegenoten tien jaar eerder door de beweging, de verandering, het naar buiten spattende in beslag waren genomen, zonder er vreugde in te vinden, zo was er nu een hang in hun geest naar beslotenheid en hielden ze zich onledig met de problemen van terugkeer en samenpersing. Maar het was de beslotenheid van de traditionele mensenwetten, de terugkeer naar de bewoonbaarheid waarvoor de meesten kozen, en wat Pedro had gezocht was deze haast dierlijke, steeds voortvluchtige gemeenschap. Ook het verleden vluchtte hier voor iemand uit.

Uit: Over de bergen – Gerrit Komrij, Arbeiderspers Amsterdam, 1990

Engelsen over de gewoonten van Portugezen (18-de eeuw)

NPG 4028; Robert Southey by Edward Nash

Robert Southey, Engelsman in Portugal

Wie in het noorden van Portugal rondloopt, zal verbaasd zijn over het feit dat er Portugezen zijn met blauwe ogen en iets wat doet denken aan blonde haren (hoewel rossig meer van toepassing lijkt). Juist, Keltische invloeden. De Kelten hebben zich, lang geleden,  begeven in het noorden van het Iberisch schiereiland.

Van meer recentere datum is de Engelse invloed in Portugal ten tijde van de Kruistochten. In de twaalfde eeuw werden kruisvaarders uit Engeland, Frankrijk, en Friesland door de Portugese kerkelijke autoriteiten (en de paus) aangemoedigd om, op weg naar het Heilige Land, even een tussenstop te maken in Portugal. Daar konden ze vast oefenen tegen de daar aanwezige Moren. Die moesten ook bevochten worden want de Portugezen waren ze beu. Veel van die kruisvaarders bleven hangen, zochten hun heil in de landbouw en handel.

Tegen het eind van de 14-de eeuw kreeg Portugal zelfs een Engelse koningin, Phillippa, getrouwd met koning João 1. Ze kregen 6 kinderen, waarvan de derde, de beroemde Hendrik de Zeevaarder was. Kortom, er zijn altijd al innige banden tussen Portugal en het Verenigd Koninkrijk geweest. En er is veel handel tussen beide landen. De Engelsen brachten laken en katoen en haalden er fruit, suiker, zout, was, kurk, specerijen, honing en wijn vandaan. Engelse handelaren vestigden zich in Portugal, eerst in Lissabon, later ook in Porto. Sinds de 17-de eeuw is er een levendige handel in port vanuit het noordelijk gelegen Porto. De wijn die vanuit Portugal naar Engeland verscheept werd, bleek tijdens de zeereis te verzuren. Daarop bedachten de Portugezen dat er suikers en smaakmakers aan toegevoegd konden worden (brandewijn en vlierbessensap) om de wijn te conserveren. Zo ontstond port.

In de 18-de en 19-de eeuw vond je veel Engelsen in Portugal. Succesvolle Engelsen want ze bezaten grote landhuizen en hadden er hun eigen clubs en pubs, maar ook roei- en cricketwedstrijden. In die tijd waren er ook Engelsen die zich in woord en geschrift verbaasden over die Portugezen en hun gewoontes. Zoals de jonge Robert Southey (1774 – 1843), die bij familie op bezoek was in Lissabon, eerst niet kon aarden, maar er later terugkeerde toen hij gezondheidsklachten had. Hij was van plan om een geschiedenis van Portugal te gaan schrijven. Dat kwam er niet van. Wel schreef hij: History of Brazil.

Een anekdote over de Portugezen door de ogen van deze Engelsman:

De mensen hier hebben veel van de Moren overgenomen. Net als de mohammedanen vluchten ze niet voor een besmettelijke ziekte. Hebben ze bij de buren de pokken? De moeder stuurt haar kinderen niet weg: nee, als ze voorbestemd zijn om de ziekte te krijgen, heeft het geen zin ze weg te sturen; zo niet, dan zijn ze daar veilig.

De panacee in Portugal is kippensoep en tot voor heel kort moest die gemaakt worden van een haan die doodgeranseld was in de kamer waarin de zieke lag. Tegenwoordig denken ze dat het middel alleen werkt als het gegeten wordt op de dag waarop de kip geslacht is – omdat er dan meer leven in de soep zit! En het middel werkt niet alleen bij mensen – niets is beter voor een paard! Sinds wij in Sintra zijn, is het aan een paard van een van onze kennissen voorgeschreven. Het paard wou de soep niet. Geloof je me als ik je verzeker dat de stalknechten de soep in zijn neusgaten goten?

Uit: O, Lissabon, mijn thuis – August Willemsen en Marcel Boogert, Bas Lubberhuizen Amsterdam, 1995, 2003

August Willemsen heeft een bijzondere fado-ervaring

august-willemsen

August Willemsen (achtergrond)

August Willemsen (1936 – 2007) werd in ons land bekend als vertaler van Portugese en Braziliaanse literatuur. Willemsen is de vertaler van het werk van de Portugese dichter Fernando Pessoa, om maar eens een verdienste te noemen.

Willemsen heeft in zijn literaire loopbaan essays geschreven, dagboeken en brieven. Zijn stijl is krachtig en puntig en mij viel zijn oog voor detail op.

In het essay De teloorgang van Lissabon en de rampen van de liefde, gaat hij in op het wezen van de Fado, de Portugese blues. Nadat hij duidelijk heeft gemaakt dat Fado en Flamenco (allebei Iberisch nietwaar) zich tot elkaar verhouden als man tot vrouw, waarbij Flamenco de mannelijke macho-variant is, gaat Willemsen dieper in op het belangrijkste ingrediënt van de Fado: Saudade. Het best samen te vatten als wat in onze taal ‘heimwee’ genoemd wordt. Maar vergis U niet: Portugezen vinden dat alleen Portugezen kunnen navoelen wat Saudade is. En er over zingen in de Fado.

Het essay is bijzonder leerzaam. Ook in dit werk gaat Willemsen tot in detail. We leren dat Fado van het volk is, maar ook van de literatuur. Dat Lissabon de geboorteplaats en thuishaven is, dat daar de Fado-huizen vooral staan in de oude wijken Alfama en Bairro Alto. Dat Coimbra haar eigen variant kent, die lieflijker en romantischer is. Dat deze variant de schoonheid van Coimbra (studentenstad in het midden van Portugal) en haar rivier de Mondego bezingt. En dan komen we bij de eigen ervaring die Willemsen had met de Fado:

jose_malhoa_fado

O fado door José Malhoa (1910)

Op een decemberavond in 1976 was ik in de Bairro Alto beland in een atypisch Casa de Fado. Althans, het voldeed niet aan de intieme sfeer van kaarslicht en discreet bestekgerinkel boven nette tafelkleedjes. Of misschien was dit huis wel zoals ze vroeger waren: een tamelijk grote, onversierde ruimte, met onversierde houten tafels en stoelen. Houten banken langs de wanden. Een houten podiumpje voor de artiesten.

Wanneer deze optraden ging een deel van de neonlichten uit; alleen het podium bleef verlicht. Ook de fado’s waren onversierd. Ik realiseerde me dat de mooiste fado’s (..) iets hadden van wat men in de literatuur l’art pour l’art noemt: een behagen in de schoonheid zelf, een zich verlustigen in de eigen stem en in de gezongen melodie. Dat ontbrak hier. En wat minder was, werd meer: dit was de pure, soms rauwe, stemgegeven emotie. Ik zag de mensen met de grootste aandacht, doodernstig, luisteren, allen ten prooi aan dezelfde ontroering. Een collectief kippenvel.

Plotseling was het drie uur. De zaak ging sluiten. Althans, de deuren werden gesloten, er konden geen nieuwe gasten meer in, wie er was mocht blijven. En wat toen gebeurde zal ik nooit vergeten: een voor een namen mensen uit het publiek, mannen en vrouwen, een guitarra in de hand, of lieten zich door iemand begeleiden, en begonnen te zingen, niet op het podium maar op de plaats waar ze zaten. De guitarra werd doorgegeven, en opeens was iedereen fadista. Zonder dat ik er erg in had liepen de tranen me over mijn gezicht, want deze fado was niet alleen, zoals men zo vaak zegt, ‘meer dan een liedje’, het was ook meer dan muziek. Het moet toen tot me zijn doorgedrongen dat de fado, als uitdrukking van een levensgevoel, een soort collectieve emotionele bodem was. Ik besefte waarschijnlijk (..) dat de fado, in deze diepe gevoelsregionen echt bestond.

Uit: O, Lissabon, mijn thuis, samenstelling August Willemsen en Marcel van den Boogert, Bas Lubberhuizen, Amsterdam, 2003

 

Slauerhoff en Lissabon

Rio-Tejo-Lisboa

Wie ooit in de Portugese hoofdstad Lissabon is geweest, er ronddoolde en zich liet verrassen door steeds een ander perspectief, zal het beamen: hier heeft zich een aangenaam levenstempo ontwikkeld in een fraai decor. Gelegen op heuvels en aangeduwd door de traag stromende rivier de Taag.

Een stad met historie op elke hoek, een sirene voor menig dichter, schrijver of andere (woord)kunstenaar. Onze grote Romantische schrijver/dichter Slauerhoff was er ook regelmatig te vinden. Hij schreef er dit gedicht over:

Ik voel mij van binnen bederven, nu weet ik waaraan ik zal sterven: Aan de oevers van den Taag. Aan de gele afhellende oevers, er is niets schooners en droevers, en ’t bestaan verheven en traag.

Lissabon is de hoofdstad van de Fado, de Portugese variant van de Amerikaanse blues (eigenlijk is het natuurlijk omgekeerd!). Portugezen kennen het woord Saudade. Heimwee plus. Als volk (net als Nederlanders overigens) zijn Portugezen met hun gezicht richting zee gericht. De zee heeft ze sterk aangetrokken en menig bootje ging van Portugese wal. Kwam je dan in verre oorden dan was er altijd dat verlangen. Verlangen naar (t)huis. Saudade dus. De Fado geeft lucht aan dat verlangen maar mag je ook gebruiken om te klagen, over het leven, je geliefde, het eten of over al die andere ongemakkelijke dingen.

Slauerhoff was gecharmeerd van de Fado. Als Nederlander (raakvlakken genoeg) schreef hij ooit een Nederlandse versie:

Ben ik traag omdat ik droef ben, alles vergeefs vind en veil, op aarde geen hogere behoefte ken dan wat schaduw onder een zonnezeil?

Of ben ik droef omdat ik traag ben, nooit de wijde wereld inga, alleen Lisboa van de Taag ken, en ook daar voor niemand besta…

Aan het stuurwiel van de Chevrolet…

Chevrolet.1928

Ik ga in Sintra slapen omdat ik niet in Lissabon kan slapen, maar wanneer ik in Sintra aankom zal het me spijten niet in Lissabon te zijn gebleven. Altijd die onrust zonder zin, zonder verband, zonder gevolgen, altijd, altijd, altijd, die buitensporige beklemming van de geest om niets, op de weg naar Sintra, of op de weg van de droom, of op de weg van het leven…

Alvaro de Campos

(heteroniem van Fernando Pessoa)

1928

Vertaling: August Willemsen

De emigrés

Eenzaam in grote onvriendelijke steden, zonder de taal te spreken die men spreekt of die men denkt, verminkt in hun verhouding tot de anderen, zij die later in hun land prat zullen gaan op hun triomfen in den vreemde.

Arme drommels zij die Londen en Parijs veroveren!

Ze keren terug naar huis zonder zich beter te gedragen of er beter uit te zien, ze hebben hoogstens van dichtbij gedroomd hetgeen ze zagen – permanente vreemdelingen.

Maar ik zal niet om hen lachen. Heb ik iets anders van mijn ideaal gemaakt?

En dat plan dat ik in een hotel ooit heb gemaakt, het plan voor mijn levensverhaal?

Dat is een van de zwarte punten in de biografie die ik niet heb gehad.

Alvaro de Campos

(heteroniem van Fernando Pessoa)

Vertaling: August Willemsen

Tussen 1914 – 1926

Ik geef niet om rijm. Zelden..

Ik geef niet om rijm. Zelden Ziet men twee gelijke bomen naast elkaar. Ik denk en schrijf zoals de bloemen kleur hebben Maar minder volmaakt in mijn uitdrukkingswijze Want mij ontbreekt de goddelijke eenvoud Van alleen mijn buitenkant te zijn.

Ik kijk en ben bewogen, Bewogen zoals water stroomt wanneer de bodem helt En mijn poëzie is zo natuurlijk als wanneer een wind gaat waaien…

Alberto Caeiro (heteroniem van Fernando Pessoa)

ongedateerd

Vertaling: August Willemsen