Bijna iedere dag muziek: John Prine

Singer-songwriter John Prine (1949, Nashville, USA). ‘Ik kan een gitaar stemmen en zingen. Als je daar 50 jaar een baan van kunt maken, dan doe je iets speciaals. Mijn gevoel voor humor is mij altijd goed van pas gekomen. Ik wil geen droevige performer zijn, want er is al genoeg verdriet. Ik ben een optimistische pessimist. Ik zie veel slechte dingen, maar probeer daar toch iets positiefs in te ontdekken.’

Prine is een levendige legende in de kringen van de singer-songwriters. Hij komt uit Nashville, zingt tijdloze, verhalende liedjes op basis van folk, country en pop. Was postbode en werd ontdekt door Kris Kristofferson. Hij zingt over eigen ervaringen of over de ervaringen van anderen, zoals de Vietnam-veteraan die aan de drugs raakt en zijn kinderen radeloos en reddeloos achterlaat.

Bob Dylan is fan en omschrijft Prine als een hedendaagse Proust. Prine’s debuut-album staat op hetzelfde niveau als Dylan’s Blood on the tracks en Neil Young’s Harvest (volgens de samenstellers van de Grammy Hall of Fame). Kijk, luister en huiver.

Bron: John Prine door René Megens, DG, 13 feb 2020

Gajto Gazdanov: je bezighouden met journalistieke activiteiten

Naarmate de tijd verstreek en daarmee mijn leven langzaam voortging, raakte ik gewend aan de ambivalentie van mijn bestaan, laten we zeggen, zoals mensen wennen aan de altijd eendere pijnen die horen bij hun ongeneeslijke ziekte. Maar ik kon me niet volkomen verzoenen met het inzicht dat mijn primitieve en zinnelijke waarneming van de wereld mij van veel geestelijke mogelijkheden beroofde en dat er zaken waren die ik theoretisch begreep maar die voor altijd voor mij ontoegankelijk zouden blijven, zoals de wereld van bijzonder verheven gevoelens, die ik mijn hele leven al kende en liefhad, voor mij ontoegankelijk bleef. Dit inzicht had zijn weerslag op alles wat ik deed en ondernam: iedere keer opnieuw wist ik dat die geestelijke inzet waartoe ik in principe in staat moest zijn en die anderen terecht van me verwachtten mijn krachten te boven zou gaan – en daarom hechtte ik aan veel praktische zaken geen waarde, en daarom droeg mijn leven in het algemeen zo’n toevallig en wanordelijk karakter. Dit bepaalde ook mijn beroepskeuze; in plaats van dat ik mijn tijd besteedde aan het literaire werk waartoe ik me voelde aangetrokken maar dat flink veel tijd en onbaatzuchtige inzet vergde, hield ik me bezig met journalistieke activiteiten, die heel onregelmatig waren en zich kenmerkten door een afmattende diversiteit. Afhankelijk van de vraag moest ik over van alles en nog wat schrijven, van politieke essays tot filmrecensies en verslagen van sportwedstrjden.

Uit: Het fantoom van Alexander Wolf, Cossee, Lebowski Amsterdam, 2013; vertaling Yolanda Bloemen

gajto gazdanov_Fotor

Gajto Gazdanov (1903-1971, Russisch)

Ontmoeting Proust en Joyce: ‘non’

Alain de Botton (1969, Brits) is filosoof en schrijver. Die twee kenmerken van zijn identiteit brengt hij op interessante wijze samen in het boek Hoe Proust je leven kan veranderen.

In het boek Op zoek naar de verloren tijd houdt de Franse schrijver Marcel Proust (1871 – 1922, Frans) zich met veel kwesties van het dagelijks leven bezig, onder andere met hoe je gelukkig kunt worden. De Botton heeft al die beschrijvingen van Proust bij elkaar geveegd en er zijn commentaar op gegeven. Leerzaam en vermakelijk. Een aanrader.

In het hoofdstuk over vriendschap lees ik een passage over de ontmoeting tussen twee literaire grootheden uit het begin van de 20-ste eeuw: Proust en James Joyce.

‘In 1922 waren beide schrijvers te gast op een galadiner in de Ritz voor Stravinsky, Diaghilev en leden van het Russisch ballet, ter ere van de première van Stravinsky’s Le Renard. Joyce verscheen te laat en zonder smoking. Proust hield de hele avond zijn bontjas aan en wat er gebeurde toen ze aan elkaar waren voorgesteld heeft Joyce later aan een vriend verteld:

“Ons gesprek bestond louter en alleen uit het woord ‘non’. Proust vroeg me of ik de een of andere hertog kende. Ik antwoordde ‘non’. Onze gastvrouw vroeg Proust of hij een bepaalde passage uit Ulysses had gelezen en Proust antwoordde ‘non’. Enzovoort.”

Na het eten stapte Proust met zijn gastvrouw en gastheer, Violet en Sydney Schiff, in zijn taxi, en zonder toestemming te vragen stapte ook Joyce in. Het eerste wat hij deed was het raampje openzetten en het tweede een sigaret opsteken – voor Proust niet minder dan levensbedreigende handelingen. Gedurende de rit observeerde Joyce Proust zonder een woord te zeggen, terwijl Proust aan één stuk door praatte, maar niet eenmaal het woord tot Joyce richtte. Bij Prousts appartement in de rue Hamelin aangekomen nam Proust Sydney Schiff terzijde en zei: ‘Wilt u Monsieur Joyce vragen zich door mijn taxi thuis te laten brengen.’ Hetgeen geschiedde. De beide mannen zouden elkaar nooit meer ontmoeten.

schiff violet and sydney

Uit: Hoe Proust je leven kan veranderen – Alain de Botton, Atlas Amsterdam, 1997

Jules Renard jaagt op beelden

De beeldenjager

(citaten)

In alle vroegte springt hij uit bed, en gaat niet op pad eer zijn geest helder is, zijn hart zuiver en zijn lichaam luchtig als een zomerpak. Proviand neemt hij niet mee. Hij drinkt onderweg de frisse lucht wel en snuift de gezonde geuren wel op. Zijn geweer laat hij thuis, als hij zijn ogen maar openhoudt, is dat voldoende. Zijn ogen zijn de netten waarin de beelden vanzelf verstrikt zullen raken.

Het eerste dat hij vangt is dat van de weg die zijn botten laat zien, zijn gladde kiezelstenen en de opengebarsten aderen van zijn wagensporen, tussen twee hagen vol bramen en wilde pruimen.

Dan vangt hij het beeld van de rivier. Zij heeft blanke ellebogen en slaapt onder de streling der wilgen. Als een vis er even uit opspringt, schittert zij alsof iemand er een zilverstuk in wierp, en zodra er een fijn regentje valt, heeft de rivier kippenvel.

(..)

Daarna stapt hij het bos in. Hij wist niet dat hij zulke fijne zintuigen had. Al spoedig met geuren doordrenkt, ontgaat hem ook het zwakke geritsel niet, en om met de bomen van gedachten te kunnen wisselen, verweven zijn zenuwen zich met de nerven der bladeren.

Maar al gauw wordt hij zo doortrild, dat het hem haast onpasselijk maakt, hij neemt te veel op, het broeit in hem en gist, hij wordt bang, laat het bos achter zich en volgt van verre de boeren die weer terugkeren naar het dorp.

(..)

Eindelijk, thuis gekomen, zijn hoofd zwaar en vol, dooft hij zijn lamp en voor hij inslaapt telt hij, een hele tijd lang, vol welbehagen zijn beelden.

Gedwee laten zij zich herboren worden al naar zijn herinnering het wil. Het ene wekt het andere weer, en onophoudelijk voegen nieuw aangekomenen zich bij de glinsterende schare, zoals patrijzen die heel de dag zijn vervolgd en vaneen gehouden, ’s avonds, beschut voor het gevaar, elkaar zingend toeroepen bijeen te komen in de holten der voren.

Jules_Renard wikipedia

bron foto: wikipedia

Jules Renard (1864 – 1910, Frans)

Uit: Natuurlijke historietjes, vertaald door Cees Buddingh’; geïllustreerd door Peter Vos, Meulenhoff Amsterdam, 1970

De Witte Vesting: identiteit

Orhan Pamuk’s roman De Witte Vesting is uitgelezen. Ik heb besloten dat hoofdstuk 5 een belangrijk moment is in het begrijpen van de strekking van het boek.

witte vesting

De Witte Vesting speelt zich af in de 17-de eeuw. We volgen een Venetiaanse student die als slaaf in handen valt van een Turkse meester (hodja). De slaaf kan vrijheid krijgen als hij zich bekeert tot de Islam. Dat weigert hij. Een andere optie is zijn meester overladen met (Westerse) kennis en cultuur die de meester kan gebruiken om indruk te maken op de heerser. Slaaf en meester voeren een spel op van tegenstellingen en identiteiten. Aan het eind van het verhaal wisselen beiden van identiteit.

Pamuk over zijn manier van verhalen vertellen: “Ik stuur mijn figuren het doolhof van de wereld in en laat ze als andere mensen er weer uitkomen”. Dat thema geldt voor veel van zijn romans.

De Witte Vesting zet een aantal tegenstellingen neer: Oost-West; christen-moslim; dom-intelligent; angst-onverschrokkenheid en meester-slaaf. Al deze tegenstellingen bepalen de identiteit van de hoofdfiguren. In het vijfde hoofdstuk besluiten meester en slaaf elkaar beter te leren kennen. Ze proberen op papier te zetten: waarom ik ben die ik ben. Dat doen ze door herinneringen op te halen. Maar dat kan ook door verbeeldingskracht. Je kunt de waarheid ook liegen, nietwaar.

Volgens de slaaf kun je je wezen beschrijven door je gedachten te kennen. Net als je je verschijning kent door in de spiegel te kijken. Daarbij ga je de negatieve dingen over jezelf niet uit de weg. Die zijn noodzakelijk om jezelf te kennen. Die opvatting wordt niet gedeeld door de meester. De meester heeft grote moeite zijn negatieve kanten te benoemen. Hij vindt dat een zwaktebod. Het bekennen van je zonden (lees zwakheden) is onbeschaamd.

In een periode waarin beiden hun huis niet meer uitkomen, krijgt de slaaf de meester bijna zover, dat hij zijn negatieve kanten benoemt. Er ontstaat een machtspel waarin langzaam de rollen lijken om te draaien. De slaaf verheugt zich op dat moment want dat kan zijn vrijheid betekenen. Tot de buitenwereld weer de aandacht vraagt. De pest breekt uit.

Beiden vallen terug op hun verschillen. Waar de slaaf doodsangst en bewustzijn van een naderend eind heeft, treedt de meester onbevreesd en met een rustig gemoed de dood tegemoet. Want als je tijd is gekomen, is dat door Allah beschikt.

Het gevecht tussen de twee is van een overrompelende gelaagdheid. Het is een spel waarbij je de hoofdfiguren tot in detail leert kennen. Al gebruiken ze trucs en liegen ze waar nodig. Je raakt in de ban. Je wilt weten hoe het afloopt. Net als in een angstdroom. Maar ook als in een verliefdheid.

Dat laatste is overigens het motto. Pamuk citeert Proust: “Geloven dat iemand, die onze belangstelling heeft gewekt, gewikkeld is in elementen van een leven dat ons onbekend is en dat een bekoring uitoefent evenredig aan die onbekendheid, en denken dat wij het leven alleen kunnen binnentreden middels de liefde van die persoon, wat betekent dat anders dan dat we verliefd geworden zijn?”