Jeugd Rutger Kopland: ‘een paard te zijn in een weiland, onder de paarden’

Paard

kopland-paard2_FotorIn veel van mijn gedichten komen paarden voor. Dat komt, omdat ik een paard heb willen zijn. Het is minder geworden, maar overgaan zal het wel niet. Nu ik erover nadenk komt het zelfs weer vrij sterk terug. Ik herinner mij nu dat ik met mijn broer speelde, dat ik paard was en hij mij mende. Nog voel ik de ergenis over de geringe gelijkenis van mijn lichaam met dat van een paard. Het vervelendste was nog dat mijn broer mij af en toe vragen stelde die een paard nooit zou kunnen beantwoorden. Tot verbazing van mijn veel jongere broer hinnikte ik dan, want ik kon niet praten. Ik herinner mij ook hoe ik eindeloze pogingen heb gedaan om een paard te tekenen. Duizenden tekeningen heb ik gemaakt, ze zijn allemaal mislukt, allemaal hadden ze die ellendige houterigheid die de illusie verstoorde.

Maar het meest levendige gevoel dat ik uit mijn jeugd kan terugroepen is de droom een paard te zijn in een weiland, onder de paarden. Als dat even lukte, als ik even mijn eigen lichaam als het ware verlaten had, was dat geluk, dat woordeloze, gedachtenloze, lichaamloze gat, waaruit ik als een paard te voorschijn kwam, ver weg in een weiland. Dit fotootje maakt me weemoedig; ‘onze dromen zullen wijken voor de feiten, nooit andersom, nooit andersom,’ schreef ik ongeveer dertig jaar later. Er is niet meer dan een weiland en een elfjarig jongetje op zijn knieën met zijn gezicht in een pan. Niet andersom.

Rutger Kopland (1934-2012, Goor)

Uit: De gevoelige plaat – Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1995

Advertenties

Lévi Weemoedt als uitzondering op de Schepping

Ik hield me schuil in mijn werkkamer en keek door de kleine bestofte ruitjes van de openslaande deuren naar buiten. Schrijven lukt niet, ik kwam tot niets. Op het plaatsje, tussen de spleten van de betonnen vloer drong het leven zich omhoog, het was voorjaar en zelfs door het beton kwamen allerlei plantjes en tere groeiseltjes naar boven, óp naar het licht. Dat was op zich al verbazingwekkend, maar toen ik zo een tijd had zitten staren viel mijn oog plotseling op iets dat ik eerst niet kon geloven.

Op een omgekeerde borstel die van boven, van mijn achterbalkon, was gevallen waren tussen de ruwe, scherpe bruinen haren kleine broze stengeltjes gegroeid die aan het eind een klein groen bladerkroontje hadden. Ik kwam verbaasd uit mijn stoel, liep om het bureau heen en tuurde door de groezelige ruitjes naar buiten. De borstel bloeide! Hoe was dat mogelijk! Verbijsterd en tegelijk pijnlijk getroffen stond ik naar dit wonder voor me te kijken. Als alles zó wilde leven om mij heen, waarom ik dan niet? Was ik de uitzondering op de Schepping? Ik groeide, zoals mijn moeder zei, als een koeiestaart. Naar beneden.

Alles stormde en drong zich omhoog in de natuur, en liet zich door niets weerhouden. Maar ik was leeg en inert. Niets boeide me. Ik rookte de ene sigaret na de andere, maar waar rook was was geen vuur. In- en uithalerend zat ik achter mijn schrijfblad en tuurde voor me uit, naar het vochtige plaatsje. Dat leek, net als ik, niets te doen, in zijn lemen, massieve treurigheid, maar was ondertussen met alles bezig en bracht de wonderbaarlijkste dingen voort. Het beton ontlook, de wasborstel liep uit en gaf de prachtigste bloesem. Alleen ik wierp geen vruchten af.

Uit: Acte van verlating, Contact Amsterdam, 1990

Weemoedt_Levi, singeluitgeverijen.nlbron foto: singeluitgeverijen.nl

Lévi Weemoedt (1948, Geldrop)

Het garnalenkroketje als bijvangst bij A.L. Snijders

Toen er iets gezocht werd wat weg was, werd de driezitsbank opzij geschoven. Het iets werd niet gevonden, maar er was bijvangst (een woord op het randje): een dobbelsteen, een stukje lego en een gekreukt papiertje met een aantekening in mijn handschrift:

De mystieke  paardenknecht uit het land waar schitterende paarden goedkoop zijn. (en die het liefst garnalenkroketjes eet)

Terwijl ik zat te denken over de herkomst van deze woorden, bracht de post de nieuwe bundel van Jan Glas, met wie ik een paar weken geleden gastcurator was in het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem. Ik was gefascineerd door zijn gedichten en bedelde om de bundel die in de maak was. Het resultaat werd door de postbode gebracht. Ik sloeg het boekje open op pag 34: “De nachten zijn zacht, zeg ik.”

Ik reisde naar een land waar een man / beoordeeld wordt op de hoeveelheid drank / die hij kan betalen. / Het leven is hier goedkoop. / Ik zou mijn moeder nog bellen.

Ze vraagt of ik het ’s nachts niet koud heb. / ‘De nachten zijn zacht, zeg ik, / ‘maak je geen zorgen.’

Dit zijn de eerste strofen, er volgen er nog vier. Ik vraag me af of Jan Glas in het land van de mystieke paardenknecht is geweest, en of hij van garnalen houdt.

Uit: Wapenbroeders – A.L. Snijders, afdh Enschede, 2012

A.L. Snijders (1937, Amsterdam)

A_Fotor al snijdersbron foto: wikipedia.org

Ellen Warmond: naar men zegt

Naar men zegt

Naar men zegt is dit / het leven der wijzen:

niet meer bewegen stilstaan als een berg / zeer ouderwetse liefdesbrieven lezen / een kerkboek kopiëren zonder lachen / bij willekeurige voorbijgangers / naar hun gezondheid informeren

1 boek bezitten met het alfabet / letter voor letter op een ander blad geschreven / daar lang in lezen / dan tevreden als een varen / het lichaam samenvouwen / en gaan slapen.

ellen-warmond, vpro.nlbron foto: vpro.nl

Ellen Warmond (1930-2011, Rotterdam)

Uit: Mens, een inventaris, Querido Amsterdam, 1969

Ferreira Gullar: de waterput

De waterput

Ik wil geen poëzie, de perfectie / van het gedicht: ik wil / de ochtend terug die vuilnis werd

ik wil de stem / de jouwe en de mijne / open in de lucht als fruit in huis / buitenshuis/ de stem / die de doodgewone dingen zegt / die kankert en lacht / in de duizelende dag: / geen poëzie / poëem of gaaf betoog / waarin de dood niet schreeuwt

De leugen / voedt mij niet / mij voeden /  de wateren / hoe smerig ook / hoe stilstaand hoe verstikkend / van de oude put / die nu gedempt is / waar wij vroeger lachten.

 

gullar, fronteiras.com

bron foto: fronteiras.com

Ferreira Gullar (1930-2016, Braziliaans)

Uit: Poëzie is een gebaar, Novib Den Haag, Poetry International Rotterdam, 1995; vertaling August Willemsen

Alain Teister: afspraken

Afspraken

Bijvoorbeeld: als je hoestte, / betekende dat ‘ik bemin je’, / en als je je neus snoot / wou dat zeggen ‘ik wil in je’, / en vind je dat goed? / Als zij dan de keel schraapte moest je / je terugtrekken, maar als ze / je aankeek met tranige, valse / ogen dan mocht je dat interpreteren / als in-viteren. / Zodat wie aan verkoudheid lijden / veel kansen kregen om te vrijen.

beorsma interviewt campert, posthuma de boerAlain Teister interviewt Remco Campert. foto: Eddy Posthuma de Boer, bron foto: literatuurmuseum.nl

Alain Teister (1932-1979)

Publicatiedatum en uitgave onbekend

Dendermonde: herfst

Herfst

Terwijl ik rustte tussen paddestoelen, / zag ik een spin met zilveren gebaar / een herfstweb bouwen over mijn gitaar, / misschien opdat mijn hand geen klank zou voelen / van zomerliedjes, roestend in de snaar.

Dan, in de schemer, kwam een vrome regen / het bos van kleine zomerzonden kuisen / en in de snaren zongen droppen ruisend / een stil adieu over mijn wilde wegen: / weer moest ik naar behang en steen verhuizen.

Mijn moeder zei: Wat staan je ogen diep, / heb je de zomer tot het laatst gedronken? / Ik zweeg, en zag hoe ik eenmaal verzonken / met Carla tussen de korenvelden liep / en hoe papavers om haar voeten vonkten.

dendermonde, wikipedia.orgMax Dendermonde (rechts op de foto); bron foto: wikipedia.org

Max Dendermonde (1919 – 2004)

Uit: Tot zover voorlopig, Querido Amsterdam, 1954

Bernlef: strandlijn

strandlijn, vakantiehuisjesdehaan.be

bron foto: vakantiehuisjesdehaan.be

Strandlijn

Als je te ver gaat verdrink je / blijf je op het land dan ben je / een lafaard / meer mijn aard / is daarom de strandlijn / waar de steeds verse dood / geduldig ontbloot. / Doorzichtige Strandlijn!

Een lege spiegel scheidt / ontmoeting van afscheid / een hand verjongt in mijn hand / groeit terug in het zand / lippen zeggen het weer / dan dicht dan niet meer / maar nooit definitief / – en dit is mij lief – / probeert zij meer te zijn / dan een bewegende lijn / die wat zij scheidt / steeds weer herleidt. / Doorzichtige Strandlijn!

J. Bernlef (1937 – 2012)

Uit: Gedichten 1960 – 1970, Querido Amsterdam, 1977

Edna St. Vincent Millay: al wie mijn lippen kusten

Al wie mijn lippen kusten

Al wie mijn lippen kusten, waar, waarom, / Vergat ik; ook de armen, ooit gelegen / Onder mijn hoofd tot ’s morgens. Maar de regen / Is deze nacht vol geesten, die de trom / Van ’t venster roeren, horen of ik kom. / En in mijn hart gaat kalme pijn bewegen / Om jongens, door ’t geheugen doodgezwegen; / Geen keert zich ’s nachts nog roepend naar mij om. / Zo staat een boom er ’s winters eenzaam bij. / Niet wetend welke vogels zijn gevlogen, / Weet hij zijn takken stiller dan tevoren. / Mijn liefdes staan me niet meer zo voor ogen; / Ik weet slechts dat de zomer zong in mij, / Heel even, maar hij laat zich niet meer horen.

ednamillay2cbarehouse.com_

bron foto: barenose.com

Edna St. Vincent Millay (1892 – 1950, USA)

Uit: Collected Poems, New York; vertaling Jan Kal

Duoduo: de Amsterdamse grachten

De Amsterdamse grachten

een stad in november bij het vallen van de nacht: / niets dan de amsterdamse grachten

plotseling

gaan de sinaasappelen aan de boom bij mij thuis / in de herfstwind heen en weer

ik sluit het raam, maar dat helpt niet / de grachten stromen terug, maar dat helpt niet / de zon is ingelegd met parels opgegaan

maar dat helpt niet

duiven dwarrelen als ijzervijlsel neer / straten zonder jongetjes lijken plotseling leeg

na de regen in de herfst / het plafond waar overal slakken op rondkruipen / – mijn vaderland

over de amsterdamse grachten vaart het traag voorbij…

li shizheng duoduobron foto: newsok.com

Duoduo (1951, Chinees, pseudoniem van Li Shizheng)

Uit: Een schrijftafel in de velden, Meulenhoff Amsterdam, 1991; vertaling Maghiel van Crevel