Lieske: wat trekt mij in jou aan?

Wat trekt mij in jou aan?

Wat trekt mij in jou aan? Ik luister aan je deur. / Ik draai je kleren in mijn hand als jij met jonge / sprongen dit huis weer hebt verlaten. De huid / om je heupen, je geur, je rollend plaatsen.

Alles is in bruikleen aan jou afgestaan. De ruimte / die jij met krijt van ziel hebt volgestreept / opdat je lijf kan schuilen, die jij tot roofdierkooi / hebt verbouwd; een vertrouwd pad is uitgesleten / in het kleed tussen wasbak en wand.

De buizen die ik aanleg om jouw adem / op te vangen en jaren te bewaren; de stalen draden / die ik span om jou zacht te laten vallen. De muren / die ik leegschep om jou te kunnen zien. De bakken / die ik plaats om jou weer in je kooi te lokken. / Je rokken die om je in brand gestoken benen staan.

Kijk, hier zit ik stil voor je kamer; op de hoogte / van het risico. Met een verbeterd oog, een langer / en gevoeliger membraam; / met gespannen vliezen en holgezogen / nappen; met een geverderd oor.

Uit: Een tijger onderweg, Querido Amsterdam, 1989

lieske getekend door Petere van DongenLieske getekend door Peter van Dongen; bron illustratie: nrc.nl

Thomas Lieske (1943, Den Haag)

Advertenties

Italo Svevo over de literaire roem (die laat kwam)

joyce en svevo, theirishtimesJames Joyce en Italo Svevo (rechts) kenden vanaf 1907 een hechte vriendschap. bron foto: irishtimes.com

De Italiaanse schrijver Italo Svevo (1861-1928, Triëst) heeft lang op zijn literaire doorbraak moeten wachten. Nadat hij al een aantal romans en verhalen had gemaakt en (een deel ervan) gepubliceerd, wachtte er stilte. Om in zijn levensonderhoud te voorzien stortte hij zich in het zakenleven.

In 1907 leerde hij James Joyce kennen. Ondertussen maakte hij kennis met het werk van Sigmund Freud. Hij kwam onder de indruk van Freud’s psychoanalyse. Dat alles leidde tot zijn meest bekende boek: Bekentenissen van Zeno. Die roman zou hem de lang uitgestelde roem brengen.

Over die frusterende situatie waarin de schrijver schrijft maar geen weerklank vindt (bij uitgever en publiek), gaat zijn korte verhaal (novelle) Een geslaagde grap. Daarin de volgende passage over literaire roem:

Bovendien droeg die vervloekte litertuur er haar steentje toe bij om Gaia’s ziel, die er toch volledig van bevrijd leek, te vertroebelen. Je koestert niet straffeloos, al is het maar heel kort, een droom van roem zonder er daarna eeuwig spijt van te hebben en degene die hem blijft koesteren te benijden, ook al zal hij die roem nooit ofte nimmer verwerven. Bij Mario sijpelde die droom uit elke porie van zijn huid, die zo gauw bloosde. De plaats die hem in de Republiek der Letteren niet werd gegund, eiste hij op en bezette hij, bijna tersluiks maar daarom niet met minder recht of met enige beperking. Hij zei wel aan ieder die het horen wilde dat hij al jaren niets meer schreef (waarbij hij gemakshalve de verhaaltjes over vogeltjes vergat), maar niemand geloofde hem, en dat was voldoende om hem met algemene instemming een hoger leven toe te schrijven, hoger dan alles wat hem omgaf.

Uit: Een geslaagde grap, Hema Amsterdam, 1989; vertaling Frans Denissen en Monique Wyers

K.Schippers: hartenjagen

Hartenjagen

Wanneer je bij een kaartspel / dertien kaarten van dezelfde soort krijgt, / is de kans op herhaling / 1 : 635.013.559.598.

Het aardige is eigenlijk / dat iedere samenstelling van dertien / dezelfde onwaarschijnlijkheid / van herhaling heeft.

Zo kan een café vol of leeg zijn, / kan het vijf dagen regenen / of een week lang om de dag, / zijn er soms drie bolhoeden in een straat te zien, / of geen / of een, / vreemd blijft het.

schippers, eddo hartmann, vn.nlfoto: Eddo Hartmann; bron foto: vn.nl

K. Schippers (1936, Amsterdam)

Nooteboom bezoekt tentoonstelling van Lucebert in Duitsland

Ben in Noord-Duitsland. Er veel wind, veel water en Scandinavië is niet ver weg. Er is een merkwaardig gevoel. Met de wereld aan hun voeten, het water voor de deur, heb ik toch het idee dat de Duitser de Heimat verkiest. Op de camping waar ik ben is ook hier de behoefte groot zich terug te trekken achter de eigen schutting.

Ter voorbereiding op wat in Duitsland komen gaat, lees ik me in. Bijvoorbeeld de Berlijnse notities van Cees Nooteboom (1933, Den Haag). Het is 1989, voor de val van de Muur. De schrijver vertoeft in Berlijn en heeft moeite om zich te settelen. Ook moeite met de situatie. Als hij de hoofdstad kan ontvluchten, zal hij het niet laten. Er is een lezing in Kiel. En dan:

De lezing is in de stadsbibliotheek van Kiel, een heldere ruimte. Er zijn zo’n zeventig studenten, na afloop gaan we wat eten in der Friesische Hof. Ze zijn aardig, die studenten, noordelijk, open.

(..)

Het waait in Kiel, de zeewind wil er wat mee. In de Kunsthalle zie ik de volgende ochtend een schitterende tentoonstelling, Der Junge Lucebert, honderdtien schilderijen, etsen, gouaches, tekeningen. Er zijn dingen die ik nooit eerder gezien heb, maar het meeste ken ik, en ook dat wat ik niet ken herken ik. Ik herlees de woorden die al in het geheugen gegrift staan en zich voorgoed in de taal genesteld hebben, zie met heimwee de foto’s van de vroegere, donkere man met de glanzende ogen die altijd gebleven zijn, loop langs de gekleurde dieren, de gekroonde hoofden, langs het vroegste, zo ernstige zelfportret uit 1942, langs al die verscheurde en gekleurde mensen, de woedende pathetiek van hun getekende gezichten, de raadselmanen, fabelwezens, zie hoe een enkele schilder al deze verschillen, karakters, vormen, technieken onder zijn hoede heeft, hoe sommige schilderijen lachen of spotten en andere een groot verdriet hebben, en voel me tegelijk melancholiek en opgetogen. ‘De lasten van de lucht’, ‘Denken door de dieren’, ‘Hemelse tweeling’, ‘De dichter voedt de poëzie’, ‘In gesprek met den boze’, de taal van de dichter heeft een snoer om elk van die beelden gelegd, maar ook om mij, een traag en fonkelend snoer van verbeelding dat nog onzichtbaar om me heen hangt als ik allang weer een autorijder geworden ben, op de terugweg naar Berlijn. Voor in de mooie catalogus staat in handschrift een gedicht geschreven, ‘Berceuse’, waarvan ik de laatste drie regels niet zal kunnen vergeten:

Dat je tiert en rond rent / met roestige kettingen dat was / van weleer dat is toch bekend

Het moet ons nu van het hart / je bent behendig in het verkeer / schoon insulair in de weer

Maar wat je ontkracht en verwart / niemand te zijn en nergens / en dan nog iemand te zijn en hier

Uit: Berlijnse notities – Cees Nooteboom, Arbeiderspers Amsterdam, 1990 

lucebert, HH, volkskrant.nlfoto: Hollandse Hoogte; bron foto: volkskrant.nl

Lucebert, (1924-1994, Amsterdam)

Jeugd Rutger Kopland: ‘een paard te zijn in een weiland, onder de paarden’

Paard

kopland-paard2_FotorIn veel van mijn gedichten komen paarden voor. Dat komt, omdat ik een paard heb willen zijn. Het is minder geworden, maar overgaan zal het wel niet. Nu ik erover nadenk komt het zelfs weer vrij sterk terug. Ik herinner mij nu dat ik met mijn broer speelde, dat ik paard was en hij mij mende. Nog voel ik de ergenis over de geringe gelijkenis van mijn lichaam met dat van een paard. Het vervelendste was nog dat mijn broer mij af en toe vragen stelde die een paard nooit zou kunnen beantwoorden. Tot verbazing van mijn veel jongere broer hinnikte ik dan, want ik kon niet praten. Ik herinner mij ook hoe ik eindeloze pogingen heb gedaan om een paard te tekenen. Duizenden tekeningen heb ik gemaakt, ze zijn allemaal mislukt, allemaal hadden ze die ellendige houterigheid die de illusie verstoorde.

Maar het meest levendige gevoel dat ik uit mijn jeugd kan terugroepen is de droom een paard te zijn in een weiland, onder de paarden. Als dat even lukte, als ik even mijn eigen lichaam als het ware verlaten had, was dat geluk, dat woordeloze, gedachtenloze, lichaamloze gat, waaruit ik als een paard te voorschijn kwam, ver weg in een weiland. Dit fotootje maakt me weemoedig; ‘onze dromen zullen wijken voor de feiten, nooit andersom, nooit andersom,’ schreef ik ongeveer dertig jaar later. Er is niet meer dan een weiland en een elfjarig jongetje op zijn knieën met zijn gezicht in een pan. Niet andersom.

Rutger Kopland (1934-2012, Goor)

Uit: De gevoelige plaat – Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1995

Lévi Weemoedt als uitzondering op de Schepping

Ik hield me schuil in mijn werkkamer en keek door de kleine bestofte ruitjes van de openslaande deuren naar buiten. Schrijven lukt niet, ik kwam tot niets. Op het plaatsje, tussen de spleten van de betonnen vloer drong het leven zich omhoog, het was voorjaar en zelfs door het beton kwamen allerlei plantjes en tere groeiseltjes naar boven, óp naar het licht. Dat was op zich al verbazingwekkend, maar toen ik zo een tijd had zitten staren viel mijn oog plotseling op iets dat ik eerst niet kon geloven.

Op een omgekeerde borstel die van boven, van mijn achterbalkon, was gevallen waren tussen de ruwe, scherpe bruinen haren kleine broze stengeltjes gegroeid die aan het eind een klein groen bladerkroontje hadden. Ik kwam verbaasd uit mijn stoel, liep om het bureau heen en tuurde door de groezelige ruitjes naar buiten. De borstel bloeide! Hoe was dat mogelijk! Verbijsterd en tegelijk pijnlijk getroffen stond ik naar dit wonder voor me te kijken. Als alles zó wilde leven om mij heen, waarom ik dan niet? Was ik de uitzondering op de Schepping? Ik groeide, zoals mijn moeder zei, als een koeiestaart. Naar beneden.

Alles stormde en drong zich omhoog in de natuur, en liet zich door niets weerhouden. Maar ik was leeg en inert. Niets boeide me. Ik rookte de ene sigaret na de andere, maar waar rook was was geen vuur. In- en uithalerend zat ik achter mijn schrijfblad en tuurde voor me uit, naar het vochtige plaatsje. Dat leek, net als ik, niets te doen, in zijn lemen, massieve treurigheid, maar was ondertussen met alles bezig en bracht de wonderbaarlijkste dingen voort. Het beton ontlook, de wasborstel liep uit en gaf de prachtigste bloesem. Alleen ik wierp geen vruchten af.

Uit: Acte van verlating, Contact Amsterdam, 1990

Weemoedt_Levi, singeluitgeverijen.nlbron foto: singeluitgeverijen.nl

Lévi Weemoedt (1948, Geldrop)

Het garnalenkroketje als bijvangst bij A.L. Snijders

Toen er iets gezocht werd wat weg was, werd de driezitsbank opzij geschoven. Het iets werd niet gevonden, maar er was bijvangst (een woord op het randje): een dobbelsteen, een stukje lego en een gekreukt papiertje met een aantekening in mijn handschrift:

De mystieke  paardenknecht uit het land waar schitterende paarden goedkoop zijn. (en die het liefst garnalenkroketjes eet)

Terwijl ik zat te denken over de herkomst van deze woorden, bracht de post de nieuwe bundel van Jan Glas, met wie ik een paar weken geleden gastcurator was in het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem. Ik was gefascineerd door zijn gedichten en bedelde om de bundel die in de maak was. Het resultaat werd door de postbode gebracht. Ik sloeg het boekje open op pag 34: “De nachten zijn zacht, zeg ik.”

Ik reisde naar een land waar een man / beoordeeld wordt op de hoeveelheid drank / die hij kan betalen. / Het leven is hier goedkoop. / Ik zou mijn moeder nog bellen.

Ze vraagt of ik het ’s nachts niet koud heb. / ‘De nachten zijn zacht, zeg ik, / ‘maak je geen zorgen.’

Dit zijn de eerste strofen, er volgen er nog vier. Ik vraag me af of Jan Glas in het land van de mystieke paardenknecht is geweest, en of hij van garnalen houdt.

Uit: Wapenbroeders – A.L. Snijders, afdh Enschede, 2012

A.L. Snijders (1937, Amsterdam)

A_Fotor al snijdersbron foto: wikipedia.org

Ellen Warmond: naar men zegt

Naar men zegt

Naar men zegt is dit / het leven der wijzen:

niet meer bewegen stilstaan als een berg / zeer ouderwetse liefdesbrieven lezen / een kerkboek kopiëren zonder lachen / bij willekeurige voorbijgangers / naar hun gezondheid informeren

1 boek bezitten met het alfabet / letter voor letter op een ander blad geschreven / daar lang in lezen / dan tevreden als een varen / het lichaam samenvouwen / en gaan slapen.

ellen-warmond, vpro.nlbron foto: vpro.nl

Ellen Warmond (1930-2011, Rotterdam)

Uit: Mens, een inventaris, Querido Amsterdam, 1969

Ferreira Gullar: de waterput

De waterput

Ik wil geen poëzie, de perfectie / van het gedicht: ik wil / de ochtend terug die vuilnis werd

ik wil de stem / de jouwe en de mijne / open in de lucht als fruit in huis / buitenshuis/ de stem / die de doodgewone dingen zegt / die kankert en lacht / in de duizelende dag: / geen poëzie / poëem of gaaf betoog / waarin de dood niet schreeuwt

De leugen / voedt mij niet / mij voeden /  de wateren / hoe smerig ook / hoe stilstaand hoe verstikkend / van de oude put / die nu gedempt is / waar wij vroeger lachten.

 

gullar, fronteiras.com

bron foto: fronteiras.com

Ferreira Gullar (1930-2016, Braziliaans)

Uit: Poëzie is een gebaar, Novib Den Haag, Poetry International Rotterdam, 1995; vertaling August Willemsen

Alain Teister: afspraken

Afspraken

Bijvoorbeeld: als je hoestte, / betekende dat ‘ik bemin je’, / en als je je neus snoot / wou dat zeggen ‘ik wil in je’, / en vind je dat goed? / Als zij dan de keel schraapte moest je / je terugtrekken, maar als ze / je aankeek met tranige, valse / ogen dan mocht je dat interpreteren / als in-viteren. / Zodat wie aan verkoudheid lijden / veel kansen kregen om te vrijen.

beorsma interviewt campert, posthuma de boerAlain Teister interviewt Remco Campert. foto: Eddy Posthuma de Boer, bron foto: literatuurmuseum.nl

Alain Teister (1932-1979)

Publicatiedatum en uitgave onbekend