Warren: de zwaan en de zeug

De zwaan en de zeug

Waarom niet ronduit toegegeven / dat gedichten vaak gedichten baren. / Vanavond de fragmenten / van Alkman van Sardes weer eens herlezen. / ‘Maar zij zingt zoals een zwaan / op de stromen van de Xanthos.’ / Woorden, bevracht met zevenentwintig eeuwen / hoge, stervende sirenenzang, / blank over het blonde water. / Daarna, als tegenpool, in ’t zelfde boek / een brok oudgriekse folklore: / ‘Een zeug, die een eikel vindt, / verlangt al naar de tweede; / Ik, met een mooi meisje op schoot, / verlang al naar een ander.’ / Die zeug, kostelijk dier, brengt me / lachend naar een spaanse herberg, maar bij de plotse klaroen van de zwaan / over de wateren van de Xanthos / huiver ik, begint het opnieuw.

Uit: Maatstaf 4,5 1970, Zeeland, Arbeiderspers Amsterdam, 1970

hanswarren.nl, hans warren en Albertina

Hans Warren en dochter Albertina, bron foto: hanswarren.nl

Hans Warren (1921-2001, Borssele)

Bernlef: horloge

horloge, bernlefbron foto: gewoonvoorhem.nl

Horloge

Ik zat op de huisbank van een Zuid-Afrikaan / toen jou alles afgenomen werd / verder was ik nooit van je vandaan

Terwijl mijn gastheer krakend koersen controleerde / en zijn dikke dochter zocht naar gave popmuziek / wat zag jij toen, in je laatste val?

Dit gedicht even duidelijk als de dood / een open boek, een afgesloten hoofdstuk / woorden weggevloeid in aarde, als water

Voor jou werd het nooit meer later / op je horloge dat ik nu verder draag / de tijd door die voor jou noch mij bestaat.

Uit: Aambeeld, Querido Amsterdam, 1998

J. Bernlef (1937-2012, Sint Pancras)

Hans Warren’s Aubade met lijsters als voorbeeld van klankgebruik

Er zijn drie types van klankgebruik in poëzie: klanknabootsing; betekenisloze klankwoorden en klankexpressiviteit.

Een voorbeeld van evenwicht tussen klanknabootsing en betekenisvolle tekst:

Aubade met lijsters

De rijm stijgt dampend uit de weiden / tot sluiers om de zon / die tussen de lentetwijgen / een japanse allure krijgt.

pirix pirix tjuwie tjuwie tjijuwuwu / tlie tluu tlie tiriktiping tjulilililili

Melkauto’s in de verte / de postbode nadert / litu tjoeoek tjoek tjoeoek / de postbode loopt voorbij / tèk tok tèk tek trrk trrr tr rr

titiwu pikwie? pikwie?

Uit: Verzamelde gedichten 1941-1981, Bert Bakker Amsterdam, 1981

warren, hanswarren.nlbron foto: hanswarren.nl

Hans Warren (1921-2001, Borssele)

De klank is in dit gedicht geïntegreerd in het ochtendlijke sfeerbeeld en ontleent aan het contrast tussen lijsters en postbode, dat los van de klanknabootsing, wordt opgeroepen, zijn expressieve waarde.

bron: De dichter is een koe – Hugo Brems, Arbeiderspers Amsterdam, 1991

Bernlef: heel iemand anders

Heel iemand anders

Volgens de bovenmeester was ik een mulo-kandidaat / voorbeeld van grijze middelmaat, onopvallend / verlegen, tot niet bijster veel in staat

Toen mijn vader verhaal kwam halen / keek meester peinzend voor zich uit / zat zo’n jongen werkelijk in zijn klas?

Vader kwam briesend thuis: hij wist / niet eens je naam of wie je was / ik knikte maar wist: meester had gelijk

Hij kon mij niet zien omdat ik jaren / getraind had op onzichtbaarheid / die kunst tot in de puntjes meester was

Vader kwam er later vaak op terug / wilde dat ik van alle markten thuis / de enig juiste richting vond

Ik trainde omgekeerd tot ik / tenslotte plotseling heel iemand / anders geworden voor hem stond.

Uit: Aambeeld, Querido Amsterdam, 1998

bernlef, deusexmachina.bebron foto: deusexmachina.be

J. Bernlef (1937-2012, Sint Pancras)

Ter Balkt: het korenveld

Het korenveld

Zenegroen; vogelmelk; als gespreksstof / tussen berken, ontgaat ons veel. Geler / dan het korenveld geen gebouw op aarde / – en dit theater van ’t brood heft veel

geel gelach omhoog, doorkriebeld, diep / bij zijn voetlicht, van muizepootjes en / korenbloem – en vogelvoet. Blauwer trilt / hitte boven ’t korenveld dan boven vijf

steden met hun troittoirs. En eenmaal op / het korenveld binder geweest of maaier, / alle stalen aren leggen zich voor jou

neer, de een of andere dag. O vrees niet / de zeis als je gewandeld hebt, in en bij / het korenveld, de nietigste kathedraal.

Uit: Laaglandse hymnen, Bezige Bij Amsterdam, 1993

dbnl.org, ter balktbron foto: dbnl.org

H.H. ter Balkt (1938-2015, Usselo)

Kopland: de landmeter

De landmeter

Het is niet alleen onverschilligheid, in zekere zin / is het misschien zelfs wel liefde die hem dwingt, / er is geen paradijs zonder rentmeester.

Hij is gelukkig met het landschap, maar gelukkig / met het zoeken, coördinaten wijzen hem zijn onzichtbare / plek, zijn utopie is de kaart, niet de wereld.

Hij wil weten waar hij is, maar zijn troost is / te weten dat de plek waar hij is niet anders bestaat / dan als zijn eigen formule, hij is een gat in de vorm van

een man in het landschap. Met de grenzen die hij / trekt, scherper en duidelijker, vervagen het gras / en de bomen en alles wat daar leeft, lijdt en sterft.

Het is heel helder om hem heen, alles is waargenomen.

Uit: Dit inzicht, Van Oorschot Amsterdam, 1988

kopland, images3.persgroep.netbron foto: images3.persgroep.net

Rutger Kopland (1934-2012, Goor)

E. du Perron: het kind dat wij waren

Het kind dat wij waren

Wij leven ’t heerlijkst in ons vèrst verleden: / de rand van het domein van ons geheugen, / de leugen van de kindertijd, de leugen / van wat wij zouden doen en nimmer deden.

Tijd van tinnen soldaatjes en gebeden, / van moeders nachtzoen en parfums in vleugen, / zuiverste bron van weemoed en verheugen, / verwondering en teêrste vriendlijkheden.

Het is het liefst portret aan onze wanden, / dit kind in diepe schoot of wijde handen, / met reeds die donkre blik van vreemd wantrouwen.

’t Eenzame, kleine kind, zelf langverdwenen, / dat wij zo fel en reedloos soms bewenen, / tussen de dode heren en mevrouwen.

Uit: Verzamelde werken, Contact Amsterdam, 1955-1959

du perron, literatuurmuseumbron foto: literatuurmuseum.nl

E. du Perron (1899-1940, Batavia, Indonesië)

Kopland: oude gezichten

Oude gezichten

Oude vrouwen, zij kunnen soms even / glimlachen, even gezichten hebben / als oude schilderijen.

Ineens weet ik hoe mooi zij zijn geweest, / hoe ik naar hen heb verlangd.

Maar wat terugkeert in hun gezichten is / voorbij, oud goudgeel licht

over die mooie wereld die er nog is / maar alleen omdat zij er was.

Uit: Geluk is gevaarlijk, Muntinga Amsterdam, 1999

Brenda-van-Leeuwen-Rutger-Koplandfoto: Brenda van Leeuwen

Rutger Kopland (1934-2012, Goor)

Vasalis: avond aan zee

Avond aan zee

Voor mijn vader

Het strand was vast-gevoegd en glad / en smalle golven sloegen om, / uit duizend smalle, witte monden / zacht prevelend en dan weer stom. / De zee keek op, alsof zij bad. / Toen heb ik u teruggevonden.

O grote, oude, grijze zee / in rusteloosheid zoveel rust, / één stem uit duizend kleine kelen / sprekende tot de smalle kust; / eenheid uit zoveel tegendelen. / Mijn oude liefde, mijn oud vertrouwen / zo groot, haast niet om uit te houen, / ouder dan voor mijn grote lief… / Ik zag voor ’t eerst weer naar de hemel: / hoe die zich rustende verhief.

Uit: Gedichten, Van Oorschot Amsterdam, 1985

vasalis, parmando24culture.nl

bron: parmando24culture.nl

M. Vasalis (1909-1998, Den Haag)

Lieske: wat trekt mij in jou aan?

Wat trekt mij in jou aan?

Wat trekt mij in jou aan? Ik luister aan je deur. / Ik draai je kleren in mijn hand als jij met jonge / sprongen dit huis weer hebt verlaten. De huid / om je heupen, je geur, je rollend plaatsen.

Alles is in bruikleen aan jou afgestaan. De ruimte / die jij met krijt van ziel hebt volgestreept / opdat je lijf kan schuilen, die jij tot roofdierkooi / hebt verbouwd; een vertrouwd pad is uitgesleten / in het kleed tussen wasbak en wand.

De buizen die ik aanleg om jouw adem / op te vangen en jaren te bewaren; de stalen draden / die ik span om jou zacht te laten vallen. De muren / die ik leegschep om jou te kunnen zien. De bakken / die ik plaats om jou weer in je kooi te lokken. / Je rokken die om je in brand gestoken benen staan.

Kijk, hier zit ik stil voor je kamer; op de hoogte / van het risico. Met een verbeterd oog, een langer / en gevoeliger membraam; / met gespannen vliezen en holgezogen / nappen; met een geverderd oor.

Uit: Een tijger onderweg, Querido Amsterdam, 1989

lieske getekend door Petere van DongenLieske getekend door Peter van Dongen; bron illustratie: nrc.nl

Thomas Lieske (1943, Den Haag)