John Updike: meer statige huizen

John-Updike; brittanica.combron foto: brittannica.com

Ik klonk geërgerd; de leerlingen sperden hun ogen open, degenen die hadden zitten luisteren. Ze weten vaak beter wat er aan de hand is dan jijzelf. De schelp had me aan Karen doen denken. Zij had van de natuur en haar verfijnde, gecompliceerde details gehouden. Hier in het helle licht van de hoge ramen van het klaslokaal lag er een glans op het wit-met-bleek-oranje paarlemoer, die van haar was. Terwijl ik de spiraal schematisch op het bord tekende, met pijlen omhoog en omlaag, en het sierlijke buisvormig orgaan waarmee de poliepslak zijn roofzuchtige hydrostatische magie bedrijft, stond ik aan haar te denken, aan hoe ze in de lichte, grote slaapkamer aan de achterkant van het huis haar zachte, bleek-oranje haar en haar kleine borsten over mijn penis streek om mijn begeerte op te wekken.

Die begeerte ontwaakte niet altijd meteen; vaak was ik nerveus, transpireerde, voelde me schuldig omdat ik tijd stal van het lunchuur, of zelfs – zo dringend leek het allemaal – er tijdens een tussenuur vandoor was gegaan (een lesuur duurt in ons systeem vijftig minuten), naar de andere kant van de stad was gereden om twintig minuten met haar door te brengen, de vijftien minuten terug te rijden en de oude Falcon die Monica’s ouders ons hadden gegeven met gierende remmen op het parkeerterrein van de school neer te zetten onder de ogen van de kinderen die bij de fietsenrekken rondhingen of daar stiekem een sigaretje stonden te roken. Misschien hebben ze weleens wat gedacht, maar leraren komen en gaan nu eenmaal, kinderen hebben er geen idee van wat het kost of niet kost om de wereld draaiende te houden, en hoewel ze ongeveer het grootste deel van hun energie besteden aan het bestuderen van ons, leraren, kunnen ze de peilloze diepte die het leven van een volwassene is, toch niet echt geloven; waar zij van dromen, doen wij. Ze konden niet weten, ongeacht de mededelingen op de muren van hun toiletten, dat Karens muskus echt op mijn vingertoppen en mijn gezicht zat, en dat achter mijn gulp mijn eigen kleine buisvormig lichaam nog een schrijnende paarlemoeren glans van bevrediging vertoonde.

Uit: Meer statige huizen; uit: De beste Amerikaanse verhalen uit Esquire, Meulenhoff Amsterdam, 1990; vertaling Loes Visser

John Updike (1932-2009, Reading, USA)

Thomas Rosenboom: de ontdekking van een mierenhoop

Hij raapte een stok op en met het schepnet in de andere hand schreed hij voorwaarts, beschroomd, zonder zijn ogen nog af te laten van de mierenhoop. Op een platte steen bleef hij stilstaan, vlak voor het nest dat van hier af met de eik op een lijn lag. Kleine spatjes zonlicht besproeiden de wollige, heuphoge verhevenheid waarin hij uit alle macht de wemel van talloze mieren trachtte te ontdekken, maar de aardhoop scheen ontvolkt. Reeds liet hij stok en schepnet beduusd wat zakken toen hij, heel geleidelijk aan en niet door zijn ogen nog meer in te spannen maar enkel door te blijven kijken, als naar een sterrenhemel, een nerveus beweeg ging ontwaren op het oppervlak van naalden en twijgjes, een krioelende schaduw die echter steeds tastbaarder werd en allengs ook tot de substantie van de aardhoop zelf scheen te gaan behoren; de duizenden mieren, in hun volstrekt ernstige wanorde, leken wel een onscheidelijk bestanddeel te zijn van hun eigen bouwwerk, ze maakten er deel van uit als luchtbellen van kokend water.

Uit: Het zoute water, verscheen in De Revisor, nummer 1, 1989

Thomas_Rosenboom, wikipedia.orgbron foto: wikipedia.org

Thomas Rosenboom (1956, Doetinchem)

De vloeibare kunst van Thomas Hart Benton

robert hart benton 1robert hart benton 3robert hart benton 5

Thomas Hart Benton ook Tom Benton (Neosho, USA, 1889 – 1975) was een Amerikaans kunstschilder.

Benton werd geboren als kleinzoon van een bekende, gelijknamige Amerikaanse Senator en als zoon van een advocaat en lid van het Huis van Afgevaardigden. Tot ongenoegen van zijn ouders wees hij zelf een politieke carrière af en richtte zich op de kunst.

Hij studeerde van 1907 tot 1909 aan de kunstacademie in Chicago en verhuisde vervolgens naar Parijs, waar hij verder studeerde aan de Académie Julian. Daar ontmoette hij Amerikaanse kunstenaars zoals Diego Rivera en Stanton Macdonald-Wright, welke laatste hem sterk beïnvloedde.

Benton geldt als belangrijk vertegenwoordiger van het Amerikaans realisme en het muralisme. Hij verheerlijkte de ‘waarneming’ tegenover het ‘intellectuele concept’ en de ‘directe representatie’ tegenover de ‘introspectieve abstractie’, hetgeen in de conservatieve delen Amerika in goede aarde viel. Zijn manier om personen uit te beelden doet erg denken aan beeldhouwen en typisch is de vloeibare manier van weergeven.

Net als Rivera zou hij tijdens de crisis in de jaren dertig veel muurschilderingen maken vanuit de Works Progress Administration-werkverschaffingsprojecten. Zijn latere werk wordt gerekend tot het ‘regionalisme’. Hij maakte met name landelijke taferelen uit het pre-industriële agrarische tijdperk en scènes uit het leven van alledag in het middenwesten. Later maakt hij vooral ook cartoonachtige werken, waarmee hij wel als een voorloper van de popart wordt beschouwd.

robert hart benton 2robert hart benton 4robert hart benton 6

Carlos Drummond de Andrade: kind heeft haast

Ik was negen en het incasseren zat. Maar uitzicht op verandering was er niet. Tito verdedigde me tegen de aanvallen van de kinderen van het schoolgroepje. Maar soms, wanneer we na die botsingen thuis aankwamen, keerde hij zich tegen mij en beschuldigde me ervan trammelant te hebben uitgelokt zonder de macht te hebben om het aan te kunnen. Dat verwijt toonde de trots van de Novais, want een Novais mocht niet incasseren, en als hij, Tito, er niet bij geweest was, zou ik, Augusto Novais Junior, in het openbaar afgerammeld zijn, tot leedvermaak van de Texeira’s, de Andrada’s, de Guimarães’, en andere rivaliserende clans. Me er niet bij neerleggend, maar toch ontmoedigd, wilde ik mezelf laten groeien. Wanneer ik twintig zou zijn, zouden onze borstkassen gelijk zijn, en zou ik Tito op de grond gooien, maar dat was ver weg, twintig jaar. Kinderen hebben haast om te leven, en beloof ze geen genoegdoening in de toekomst, de behoefte dringt, de balsem moet gauw komen, morgen is te laat…

Uit: De redding van de ziel; uit: Verhalen van een nieuweling – Carlos Drummond de Andrade, Arbeiderspers Amsterdam, 1998; vertaling Piet Janssen

carlos-drummond-de-andradebron foto: blog.estantevirtual.com.br

Carlos Drummond de Andrade (1902 – 1987, Braziliaans)

‘Ook ik was eens Braziliaan’: zo belijdt Drummond, al meteen in zijn eerste bundel, zijn afwijkendheid van wat kenmerkend wordt geacht voor ‘de Braziliaan’ en voor de Braziliaanse literatuur. Het eerste gedicht van diezelfde bundel is een psychologisch zelfportret, dat begint met de autodefinitie:

Bij mijn geboorte zei een kromme engel,

zo een die in het donker leeft:

Vooruit, Carlos! wees gauche in het leven.

 

Links, schutterig, verlegen, verwrongen, gefrustreerd: ‘onbraziliaanse’, zelfs ‘onlatijnse’ trekken, die in zijn hele werk zullen terugkeren. Maar als hij geen Braziliaan (meer) is, wat is hij dan? Ook het antwoord daarop is in zijn hele werk te vinden, overduidelijk in een gedicht van 1940:

Enkele jaren heb ik geleefd in Itabira.

Voornamelijk ben ik geboren in Itabira.

Daarom ben ik triest, trots: van ijzer.

 

Drummond is mineiro. Het gehucht Itabira do Mato Dentro, waar hij op 31 oktober 1902 als negende kind van een welvarende grootgrondbezitter werd geboren, ligt in de Centraalbraziliaanse staat Minas Gerais, staat van gesteente en erts. Wat verder zijn biografie uitmaakt (school, farmaciestudie, ambtenaar van het Ministerie van Onderwijs, later van Monumentenzorg, thans gepensioneerd) is voor ons minder belangrijk dan dat hij zijn hele leven schrijft: tussen 1930 en 1978 verschijnen (behalve 9 vertaalde boeken) 26 bundels proza en poëzie. Een halve eeuw literaire activiteit van een constant en hoog niveau. En een thema dat in géén van die bundels afwezig is: Minas.

De mineiro is, volgens de generaliserende karakterbeschrijving, een introvert, verlegen, argwanend, eigenzinnig mens. Daarmee is voor veel critici de aard van Drummonds werk verklaard. Zegt niet de dichter zelf, nog wel in een gedicht dat ‘Verklaring’ heet: ‘Mijn familie en mijn grond hebben mij gemaakt tot wat ik ben’? Het verklaart natuurlijk niets. Dat Drummond zichzelf met behulp van Itabira definieert zegt alleen iets over zijn beleving van Itabira. Belangrijk daarbij, en door weinigen opgemerkt, is dat het thema een evolutie vertoont: van het werkelijke naar het symbolische, van het geografisch bepaalde naar een universele tellus mater, van beelden naar ideeën. Itabira, ouderhuis, vader, moeder, wasvrouw, paard, rund, blijven tot in het laatste werk bij name genoemd, maar worden van realiteiten tot archetypen.

Uit: Maatstaf januari 1979, over Carlos Drummond de Andrade geschreven door August Willemsen, vertaler van veel Braziliaanse en Portugese literatuur.

Gogol legt uit hoe moeilijk karakterschetsen zijn

Het is veel gemakkelijker karakters van groot formaat neer te zetten; dan kun  je de verf uit de losse pols op het doek smijten: borende zwarte ogen, borstelige wenkbrauwen, een doorgroefd voorhoofd, een zwarte of vuurrode mantel losjes over de schouder geworpen, en het portret is af; maar al die heren van wie er zoveel op aarde zijn en die op het eerste gezicht allemaal op elkaar lijken, maar in wie je bij nadere beschouwing een groot aantal zeer ongrijpbare eigenaardigheden ontdekt, die zijn een ramp voor de portrettist. Hier is uiterste concentratie vereist, want je moet alle subtiele, bijna onzichtbare karaktertrekken dwingen te voorschijn te komen en je in de wetenschap der observaties reeds gescherpte blik nog dieper laten graven.

the-self-immolation-of-gogol-1909

Ilja Repin schilderde Gogol nadat deze besloten had het tweede en laatste deel van zijn roman Dode Zielen te vernietigen.

Nikolaj Gogol (1809 – 1852), Russisch

Uit: Dode zielen – Nikolaj Gogol, LJ Veen Klassiek Amsterdam, 2007; vertaling Arthur Langeveld

Edward Hopper heeft ons echt gezien

Night-Shadows (1921) Hopper

‘Om met Reve in De Avonden te spreken: ‘Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.’ In De Avonden stemmen we in met die conclusie terwijl we ons verplaatsen in de ander. Bij het zien van Hoppers oeuvre stemmen we ermee in terwijl we vermoeden dat de kunstenaar zich verplaatste in onszelf. Daarom houden we van Hopper. Iemand heeft ons gezien, écht gezien.

Uit: Hoppers Hollywood

Uit: Alles is gekleurd – Joost Zwagerman, Arbeiderspers Amsterdam, 2011

nighthawks (1942) Hopper

chair car (1965) Hopper

Lluis Marsans schildert de werkelijkheid uit het verleden

Lluís Marsans i Julià (1930 – 2015) Catalaans schilder, geboren in Barcelona, groeide op in Parijs. Reisde in 1947 naar Mexico en de Verenigde Staten. Studeerde schilderkunst in Barcelona van 1948 tot 1950.

In de periode 1966–1970 onderzocht hij het werk van de Franse schrijver Marcel Proust Op zoek naar de verloren tijd en legde de resultaten van dat onderzoek vast in een reeks tekeningen. Die tekeningen waren succesvol en te zien tijdens exposities in Barcelona, Parijs en Washington DC.

Marsans schilderde stillevens en landschappen, in kleine formaten en met gemengde technieken.

Marsans wordt als realist gezien. Daarover en over zijn relatie met het realisme zegt Marsans zelf: ‘Je kunt niet schilderen wat je ziet. Je kunt alleen schilderen wat je je herinnert. Mijn realisme is de identificatie met de werkelijkheden uit het verleden.’

Jan Toorop, gevoelig voor invloeden, drukte zich uit in vormen en technieken

Jan Toorop (1858 – 1928) bracht zijn jeugd door op Java. In 1892 verhuisde hij naar Nederland en volgde een cursus tekenen in Delft. Voorts studeerde hij aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam (1880-1882) en aan de Ecole des Arts Décoratifs te Brussel (1882-1885). In Brussel raakte hij vanaf 1884 betrokken bij Les XX.
Toorop was gevoelig voor invloeden; daarvan getuigt de grote verscheidenheid aan uitdrukkingsvormen en technieken. Zo ontwikkelde hij zich via het realisme, impressionisme en post-impressionisme na 1890 in een symbolistische richting. Daarbij putte hij uit literaire en muzikale bronnen en uit verre culturen. In zijn tamelijk ondoorgrondelijke symboliek speelde het beeld van de vrouw een belangrijke rol.
Zijn tekeningen en litho’s worden gekenmerkt door het vloeiende lineaire van de Art Nouveau (slaoliestijl).
In 1905 bekeert hij zich tot het katholicisme, waarna hij bijna uitsluitend religieuze onderwerpen en portretten schilderde in een wat meer geometrische stijl.

Bron: Schilderijen Site

 

George Wesley Bellows schildert de drukte van de grote stad

George Wesley Bellows (1882 – 1925) Amerikaans kunstschilder en lithograaf. Hij wordt gerekend tot het Amerikaans realisme en was verwant met de Ashcan School.

De Ashcan School, ook wel bekend onder de Ash-can school, was de school voor het Amerikaanse realisme en ontstond eind 19e eeuw in Philadelphia. Daar stonden ze ook wel bekend als de Philadelphia realisten. Begin 20ste eeuw verhuisde de school naar New York. De groep haalde zijn inspiratie vooral uit de stad. Zo schilderen zij arme buurten en het gewone dagelijkse leven in de stad. De groep kenmerkte zich in het gebruik van felle maar intieme kleuren.

Bellows ontwikkelde een eigen stijl die opviel door snelle penseelstreken, met een voorliefde voor het schilderen van arbeiders, vaak op bouwplaatsen, en gestreste mensen in de drukte. Op latere leeftijd zou hij zich vooral toeleggen op de portretkunst. Veel van zijn werk is vrij donker van toonzetting.

4x5 transparencygeorge-bellows_2george-bellows_3george-bellows_4george-bellows_5george-bellows_6

Theodor Storm: Die Stadt

Theodor-Storm

Theodor Storm (Husum, 1817 — Hademarschen, 1888) Duits schrijver uit het realisme. Hij schreef 58 novelles en een aantal bekend geworden gedichten.

Storm, zoon van een advocaat in Husum, toen Denemarken, studeerde recht in Kiel en vervolgens Berlijn. In 1843 was hij zelf advocaat. In dat jaar publiceerde hij samen met Theodor Mommsen een gedichtenbundel. Begon verhalen te schrijven; in 1846 huwde hij.

Omdat hij tegen de Deense bezetting van Holstein was, ging hij in ballingschap naar Potsdam, in het toenmalige Pruisen. In Potsdam ontmoette hij Eichendorff, Heyse en Fontane; Mörike en later vooral Keller behoorden tot zijn vriendenkring. Hij bleef eenentwintig jaar in ballingschap; ondertussen kreeg hij bekendheid als novellist en dichter.

In 1856 verhuisde hij naar Heiligenstadt, waar hij, na in Potsdam drie jaar op proef — en zonder vergoeding — te hebben gewerkt, tot rechter werd benoemd. Dat betaalde slecht maar Storm heeft nooit voor geld hoeven te schrijven. Zijn familie beschikte over voldoende geld en reserves.

In 1864 werd Denemarken verslagen en keerde Storm als landvoogd van Husum terug. Zijn laatste jaren bleken zijn vruchtbaarste. Hij ging in 1880 met pensioen in Hademarschen, om zich volledig aan het schrijven te kunnen wijden. Zijn meesterwerk, Der Schimmelreiter, schreef hij in zijn laatste levensjaar.

Storm is een auteur van de post-Romantiek: zijn gedichten zijn wat men Gegenstandslyrik noemt. Met aandacht voor detail beschrijft hij voorwerpen en dingen, die symbool staan voor innerlijke, psychologische gemoedstoestanden.

Storms novelles hebben gemeen dat er een onheilspellende, duistere kracht in zit; anders dan de dichters uit de Romantiek gaat het bij Storm niet om de scheppende drang van het individu, maar om de natuur die in haar alledaagsheid fataal wordt. De venen en heidelandschappen van Noord-Duitsland; de aanwezigheid van de zee, dat alles voert tot een definitief eindpunt dat het lot bepaalt. De figuren gedragen zich irrationeel; ze doen onverklaarbare zaken die uiteindelijk tot hun ondergang leiden.

Het werk van Storm is een voorbode van het naturalisme: er is een gothic-achtige component latent aanwezig. Storm wordt om zijn combinatie van toegankelijkheid en diepzinnigheid gewaardeerd.

Die Stadt

Am grauen Strand, am grauen Meer – Und seitab liegt die Stadt; – Der Nebel drückt die Dächer schwer, – Und durch die Stille braust das Meer – Eintönig um die Stadt.

Es rauscht kein Wald, es schlägt im Mai – Kein Vogel ohn’ Unterlass; – Die Wandergans met hartem Schrei – Nur fliegt in Herbstnacht vorbei, – Am Strande weht das Gras.

Doch hängt mein ganzes Herz an dir, – Du graue Stadt am Meer; – Der Jugend Zauber für und für – Ruht lächelnd doch auf dir, auf dir, – Du graue Stadt am Meer.