Bohumil Hrabal en het getatoëerde bootje

… elke zandschipper had armen met ankers en juffies erop getatoeëerd en één zandschipper betoverde me helemaal, die had een getatoeëerd bootje op zijn borst, een zeilscheepje, ik keek ernaar en mijn ogen schoten vol tranen, niet door huilen maar door het inzicht en besef dat ik ook zo’n bootje op mijn borst moest laten tatoeëren, dat ik zonder zo’n bootje niet kon leven, dat zo’n bootje je moest verwarmen, dat het een embleem was van je ziel en ik er ook zo een moest hebben. Ik zeg, dat bootje hier, kan je dat eraf wassen? Maar de zandschipper hief met groot gemak de tien kilo zware scheppen en gooide ze in de kruiwagen, nu wierp hij de laatste natte schep erin en reed met een wip de loopplank op, hij had die blinkende lege schep zo handig weggeworpen dat deze keurig  in de zandhoop bleef staan, en zoals hij daar voorovergebogen bij me stond, kon ik bijna dat bootje op zijn borst aanraken, en hij rende vrolijk op zijn blote, uit zijn blauwe werkbroek stekende voeten de loopplank op, hij moest wel even aanzetten omdat het omhoogliep naar het einde van de plank, en daar draaide hij de kruiwagen om en rende weer met een lege terug, hij kwam naast me op de loopplank zitten en stak een sigaret op, hij zoog de rook zo krachtig in zijn longen dat de sigaret haast vlamvatte, zo laaide de koolstof erin op, en ik keek ernaar hoe het bootje op de borstkas van de zandschipper rees, zo lang als hij inhaleerde, bewoog het bootje haast, net of het steeds groter werd, of het met volle zeilen de haven naderde… en daarna blies de zandschipper de rook weer uit en werd het bootje kleiner, steeds kleiner, net of het wegvoer, zeker rees en daalde het almaar zo op de golven omdat zijn hart zo bonsde, omdat zijn bloed door het werk zo wild werd rondgepompt.

hrabal, imdb.com

bron foto: IMDb.com

Bohumil Hrabal (1914 – 1997, Tsjechisch)

Uit: Het stadje waar de tijd stil is blijven staan, Bert Bakker Amsterdam, 1993; vertaling Kees Mercks

Georg Heym: Träumerei in hellblau

Träumerei in hellblau

Alle Landschaften haben / Sich mit blau gefüllt. / Alle Büsche und Bäume des Stromes, / Der weit in den Norden schwillt.

Blaue Länder der Wolken, / Weisse Segel dicht, / Die Gestade des Himmels in Fernen / Zergehen in Wind und Licht.

Wenn die Abenden sinken / Und wir schlafen ein, / Gehen die Träume, die schönen, / Mit leichten Füssen herein.

Zymbeln lassen sie klingen / In den Händen licht, / Manche flüstern, und halten / Kerzen vor ihr Gesicht.

Lichtblauwe droom

Alle landschappen hebben / zich met blauw gevuld. / Alle struiken en bomen van de stroom / die ver naar het noorden zwelt.

Blauwe landen van de wolken, / dichte witte zeilen, / de oevers van de hemel in de verte / vergaan in wind en licht.

Als de avonden neerdalen / en wij in slaap vallen, / dan gaan de dromen, de mooie, / op lichte voeten naar binnen.

Ze laten in hun handen / cymbalen licht klinken. / Sommigen fluisteren en houden / kaarsen voor hun gezicht.

georg heym, cultcase

bron foto: cultcase.com

Georg Heym (1887 – 1912)

Uit: Dichtungen und Schriften, Band 1, Ellermann Hamburg, München, 1964

Günter Eich: Inventur

Inventur

Dies ist meine Mütze, / dies ist mein Mantel, / hier mein Razierzeug im Beutel aus Leinen.

Konservenbüchse: / Meine Teller, mein Becker, / ich hab in das Weisblech / den Namen geritzt.

Geritzt hier mit diesem / kostbaren Nagel, / den vor begehrlichen / Augen ich berge.

Im Brotbeutel sind / ein Paar wollen Socken / und einiges was ich / niemand verrate,

so dient es als Kissen / nachts meinem Kopf. / Die Pappe hier liegt / zwischen mir und die Erde.

Die Bleistiftmine / lieb ich am meisten: / Tags schreibt sie mir Verse, / die nachts ich erdacht.

Dies ist mein Notizbuch, / dies meine Zeltbahn, / dies ist mein Handtuch, dies ist mein Zwirn.

Inventarisatie

Dit is mijn muts, / dit is mijn jas, / hier is mijn scheergerei / in de linnen zak.

Conservenblik: / mijn bord, mijn mok, / ik heb in het metaal / mijn naam gekrast.

Gekrast hier met deze / kostbare spijker, / die ik voor begerige / blikken verberg.

In mijn broodzak zitten / een paar wollen sokken / en een paar dingen die ik / aan niemand verraad,

zo dient het ’s nachts / als kussen voor mijn hoofd. / Dit karton hier ligt / tussen mij en de aarde.

De potloodstift / heb ik het liefst: / overdag schrijft hij verzen / die ik ’s nachts heb bedacht.

Dit is mijn notitieboekje, / dit is mijn tentbaan, / dit is mijn handdoek, / dit is mijn garen.

gunter eichGünter Eich (1907 – 1972)

Uit: Abgelegene Gehöfte, Schauer Frankfurt am Main, 1948