Tsjechov: Olenjka heeft geen mening

anton-chekhov; thefamouspeople.combron beeld: thefamouspeople.com

Olenjka is een mooie en lieve vrouw. In het korte verhaal Een schatje beschrijft Tsjechov haar levenswandel. Het gaat over drie liefdes die niet vervuld worden; die met Koekin, Poestowalow (overleden) en de veearts (verhuisd, andere vrouw). Kort van duur, zonder kinderen. Terugblikkend:

Nu was zij geheel en al verlaten. Haar vader was allang gestorven en zijn leunstoel slingerde met een afgebroken poot en onder stof bedolven ergens op zolder rond. Zij was vermagerd en er niet knapper op geworden en de mensen op straat keken al niet meer zoals vroeger naar haar, wanneer zij langs kwam en glimlachten haar niet meer toe; klaarblijkelijk waren de beste jaren voorbij; die had zij achter zich en wat nu aanving, was in zekere zin een nieuw, onbekend leven, waarin het beter was zich niet te veel te verdiepen. ’s Avonds zat Olenjka op haar balkonnetje en zij kon horen, hoe in pretpark Tivoli muziek werd gemaakt en hoe de vuurpijlen knetterend uiteenspatten, maar dit riep al helemaal geen associaties bij haar op. Zonder enige belangstelling liet zij haar blikken over haar lege binnenplaats dwalen, zij dacht nergens aan, wilde niets en als het donker was geworden, ging zij naar bed en droomde ze van haar lege binnenplaats. Zij at en dronk, alsof spijs en drank haar werden opgedrongen.

Maar het voornaamste, en het ergste van alles was wel dat zij er geen enkele mening meer op nahield. Zij nam de voorwerpen om zich heen wel waar en begreep alles, wat er zich om haar heen afspeelde, maar ze kon zich nergens een opinie over vormen en ze wist niet meer, waarover zij praten moest. En wat is dat verschrikkelijk, er geen eigen oordeel op na te houden! Bijvoorbeeld: je ziet ergens een fles staan, of je ziet het regenen, of hoe een boer in zijn kar langsrijdt, maar waarvoor die fles die regen of die boer bestaan, wat voor zin zij hebben, dat kun je niet onder woorden brengen en zelfs voor duizend roebel zou je er niets over kunnen vertellen. Toen Koekin en Poestowalow nog leefden en later bij de veearts had Olenjka overal een verklaring voor bij de hand gehad en met een oordeel over alles en nog wat klaargestaan, nu evenwel was het in haar geest en in haar hart al net zo leeg als op de binnenplaats, En wat gruwelijk was dat, zo bitter alsof zij alsem in de mond had genomen.

uit; een schatje; uit: Huwelijksverhalen – Anton Tsjechov, Muntinga Amsterdam, 1996; vertaling Charles B. Timmer

Tolstoj over ‘zijn krankzinnigheid’

ТОЛСТОЙ ПИСАТЕЛЬbron beeld: christianpacifism.info

In het korte verhaal Dagboek van een krankzinnige verhaalt de Russische schrijver Leo Tolstoj (1828-1910, Rus) over de depressieve gevoelens van zijn ik-figuur. Gevoelens die geworteld zijn in de jeugdervaringen waarin volwassenen niet zo lief tegen elkaar zijn als de ik-figuur hoopte en wenste. In het vervolg van het verhaal worstelt de ik met vragen over de zin van het leven: wat heeft godsdienst te bieden; wat de medemens; wat bezit? Steeds komt er maar geen afdoend antwoord en ondertussen beseft hij dat de dood hem op de hielen zit. Tot:

Niet ver van ons vandaan werd op bijzonder voordelige voorwaarden een bezitting te koop aangeboden. Ik ging erheen, alles was voortreffelijk in orde en voor mij voordelig. Bijzonder voordelig omdat de boeren alleen maar tuingrond bezaten. Ik zag meteen in dat ze dan gedwongen zouden zijn om de velden van de landeigenaar gratis als weidegrond voor hun vee in stand te houden en zo was het ook. Ik wist dit alles te appreciëren en toegevend aan mijn oude gewoonten lokte mij de zaak wel aan. Maar toen ik naar huis terugreed, kwam ik onderweg een oude vrouw tegen, aan wie ik de weg vroeg en ik raakte met haar in gesprek. Zij vertelde mij van haar nood en ontberingen. Thuisgekomen begon ik mij, toen ik aan mijn vrouw de voordelen van het landgoed uitlegde, plotseling te schamen. Ik walgde van alles. Ik verklaarde dat ik het landgoed niet kon kopen, omdat ons voordeel op de armoede en ellende van het volk gefundeerd zou zijn. En terwijl ik die woorden uitsprak ging eensklaps de waarheid van wat ik beweerde voor me open. Waar het allemaal om draaide was de waarheid dat de boeren net zoals wij willen leven, dat zij mensen zijn, – onze broeders, de kinderen van één Vader, zoals in de Evangeliën staat. Het was of plotseling een zware last van me was afgevallen, het was als een verlossing. Mijn vrouw werd kwaad en veegde me de mantel uit. Maar ik voelde me innerlijk vreugdevol gestemd. – En dit was het begin van mijn krankzinnigheid.

uit: dagboek van een krankzinnige – Leo Tolstoj, uit: De 43ste april, Het Dolhuys, Haarlem ism Van Oorschot, 2008

Tsjechov: Liefde in 19-de eeuws Rusland is…

tsjechov; regionoordtvbron beeld: rtvnoord.nl

Zij neemt een boek ter hand, gaat tegenover mij zitten en begint haar lippen te bewegen… Ik kijk naar dat kleine voorhoofd van haar, naar de op en neer gaande lippen en verzink in gepeins.

Ze is nu bijna twintig… denk ik. Als je daar eens een intelligente jongen van dezelfde leeftijd naast zet, wat een verschil! Een jongen heeft parate kennis, overtuigingen en ook een stel hersens.

Maar ik vergeef haar gaarne dit onderscheid, zoals ik haar dat lage voorhoofdje en de prevelende lippen vergeef… Nog kan ik me heel goed herinneren, hoe ik in de tijd, toen mij de wilde haren nog niet uitgevallen waren, een vrouw de bons placht te geven als ik een vlekje op haar kous ontdekte, of als er één enkele domme opmerking uit haar mond kwam, als zij haar tanden niet had gepoetst – maar kijk, nu vergeef ik alles: dat gekauw, dat gezannik met die kurkentrekker, haar slordigheid en die ellenlange verhalen over niemandalletjes. Bijna onbewust zie ik dat allemaal door de vingers, zonder dat ik mijn wil geweld aan hoef te doen, net of Sasja’s tekortkomingen de mijne waren. En een heleboel dingen die mij vroeger ergerden, brengen mij nu in een stemming van vertedering, zelfs tot verrukking. Alle motieven van vergevingsgezindheid liggen in mijn liefde voor Sasja besloten, maar waarin de motieven van de liefde zelf liggen – dat zou ik heus noet weten.

uit: liefde; uit: Huwelijksverhalen, Muntinga Amsterdam, 1996; vertaling Charles B. Timmer

Paustovski bevond zich in een spagaat

Konstantin Paustovski (1892-1968, Kiev) is om meerdere redenen een schrijver die de moeite van het lezen waard is. Allereerst zijn levensloop: als student moest hij zijn studie onderbreken voor de Eerste Wereldoorlog. Paustovski was ziekenbroeder aan het front in Pruisen en maakte van dichtbij de gruwelen van deze oorlog mee. Tijdens die oorlog verloor hij zijn twee broers.

In 1917 maakte Konstantin de Russische Revolutie mee. Hij werd journalist onder andere in Odessa. In 1930 keerde hij terug naar Moskou waar in 1940 de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Tijdens deze oorlog was hij oorlogscorrespondent aan het zuidelijk front. Na de oorlog werd hij docent aan het Gorki Instituut in Moskou. In 1965 werd Paustovski genomineerd voor de Nobelprijs. Hij won hem niet omdat hij niet Sovjet-getrouw genoeg was.

De Rus begon al in 1911 met schrijven. Van grote invloed op zijn werk waren schrijvers als Babel en Boenin. Paustovski meesterwerk is zijn 6-delige autobiografie:

“Geschiedenis van een leven is meer een lang, lyrisch en melancholisch verhaal, dan een strikte historische biografie. De nadruk ligt vooral op de innerlijke percepties en dichterlijke ontwikkeling van de schrijver zelf. Door vertaler Charles B. Timmer werd het ook wel een “biografie van de ziel” genoemd, meer dan een “biografie van gebeurtenissen”. Niettemin vormen de memoires van Paustovski een uniek tijdsdocument over het Russische leven in de turbulente eerste decennia van de 20e eeuw.” bron: wikipedia

Wie Paustovski leest vallen een aantal dingen op: zijn nauwkeurige beschrijvingen van de omringende natuur, zijn poëtische stijl, zijn kennis van en belangstelling voor die natuur, de romantiek, de nauwgezette beschrijvingen van gebeurtenissen en de vele anekdotes. Omdat Paustovski Rusland nooit heeft verlaten en zijn band met het Rusland van die tijd vooral een band was met de natuur, zou je hem een typische Russische schrijver kunnen noemen. Over zijn band met de levende natuur het volgende:

Zijn haast encyclopedische kennis van bloemen en planten en hun angstvallig nauwkeurige beschrijving bezorgen zijn vertalers heel wat hoofdbrekens, verzucht een Engels-Russisch tolkenpaar in het voorwoord bij een verhalen bundel. Als lezer struin je geregeld knie- of heupdiep door de bedauwde grassen en kruiden. En wanneer de bosbouwkundige Masja Klimova wilde rozen gaat plukken aan de Wolga, laat Paustovski haar jurk volklitten met struikheide, krabbenscheer, waterweegbree, fonteinkruid, wilde malve, weideklaver, bosbes en walstro.

Het zal niet verwonderen dat Ivan Boenin zijn favoriete auteur is, de Nobelprijslaureaat die de Russische traditie van landschaps- en natuurschrijverij in de twintigste eeuw voortzette, zij het vanuit ballingschap in Parijs. Boenin wist bosschages te tooien met menselijke gedachten en stemmingen, zo sprak Paustovski zijn bewondering uit. Zelf is hij zo verknocht aan de Russische taal en de immense Russische wouden dat zelfs de gedachte aan emigreren nooit in zijn hoofd is opgekomen. Bij een opsomming van noodzakelijke voorwaarden voor een goed schrijverschap noemt hij (naast lyrische kracht en inlevinsgvermogen) een levende band met de natuur. Niks geen klassenbewustzijn of andersoortig maatschappeklijk engagement. Nee, de natuur dient door aandachtige bestudering een tweede universum in het hart van de schrijver te worden. Toen ik dat las besefte ik ineens in wat voor spanningsveld Paustovski als beginnend Sovjet-schrijver moet zijn beland. De vijfjaren-planen, dat waren verklaarde aanvallen op de onontgonnen wildernis. Gorki zelf verkondigde dat, zodra de klassenstrijd gestreden was, de Sovjet-mens zijn handen vrij had om het gevecht aan te gaan met zijn laatste vijand: de natuur.

uit: botanicus in de woestijn; uit: Ingenieurs van de ziel – Frank Westerman; Olympus Amsterdam, 2005

paustovski; groene.nlbron beeld: groene.nl

Konstantin Paustovski (1892-1968, Moskou)

Babel bericht uit Moskou over een nare droom

isaak_babel; modernista.seDe Russisch-joodse schrijver Isaak Babel (1894-1940) berichtte uit een ander Rusland in een andere tijd. bron beeld: modernista.se

Rimma en Alla zijn pubermeisjes van 16 en 17 jaar oud. Hun mama woont zonder man in hun huis in Moskou. Zij moet de eindjes aan elkaar knopen. Heeft huurders in haar huisje. Haar man werkt bij het gerecht in Kamtsjatka aan de andere kant van het land. Vrouw en dochters leven en lijden onder de afwezigheid van hun vader/haar man.

‘Ik heb vannacht gedroomd, Rimma,’ zei ze. ‘Stel je eens voor. een onbekend, klein Russisch stadje, helemaal niet thuis te brengen… De lichtgrijze hemel hangt heel laag en de horizon is vlakbij. Het stof op straat is al even grauw, een gladde, onberoerde laag stof. Alles even doods, Rimma. Geen geluid van waar ook, nergens een mens te bekennen. En dan is het me, of ik door allemaal steegjes loop die ik niet ken, langs kleine, stille, houten huisjes. Het ene ogenblik sta ik aan het eind van een blinde steeg, en dan ben ik weer op een weg, waar ik geen tien pas voor me uit kan zien en toch loop ik eindeloos verder. Ergens in de verte warrelt dan voor mijn ogen wat stof op. Ik kom dichterbij en zie een stoet van trouwkoetsen. In een ervan zit Michail met zijn bruid. De bruid draagt een sluier en haar gezicht straalt van geluk. Ik loop met de trouwkoetsen mee, het komt me voor dat ik veel groter ben dan alle anderen en mijn hart krimpt ineen. Dan merken ze me allemaal ineens op. De trouwkoetsen blijven staan. Michail loopt naar me toe, neemt me bij de hand en brengt me langzaam naar een steeg. “Alla, lieve vriendin,” zegt hij monotoon, “het is heel treurig, dat weet ik. Maar er is niets aan te doen, omdat ik je nu eenmaal niet liefheb.” ik loop naast hem voort, mijn hart bonst me in de keel en er gaan steeds nieuwe grijze wegen voor ons open…’

uit: verhalen uit Odessa en andere verhalen – Isaak Babel, Meulenhoff Amsterdam, 1988; vertaling Charles B. Timmer

De ingenieurs van de ziel

Schrijvers en totalitaire systemen is het thema van het boek Ingenieurs van de ziel van schrijver Frank Westerman (1964, Emmen). En speciaal schrijvers binnen het sovjetsysteem. Wat ingenieurs van de ziel zijn (bedacht door Stalin), wordt in het eerste hoofdstuk uitgelegd. Daarin volgen we het spoor van schrijver Maksim Gorki (1868-1936, Novgorod, Rus).

Gorki, Stalin; cultureu.comOp deze foto lijken schrijver Maksim Gorki en dictator Stalin innig samen. bron beeld: cultureu.com

Op 26 oktober 1932 worden tientallen in Moskou aanwezige schrijvers onverwacht opgetrommeld om ’s avonds ten huize van de volksschrijver Gorki te verschijnen. Waar het over zal gaan en wie er nog meer zijn uitgenodigd krijgen ze niet te horen, wel wordt hen op het hart gedrukt dat wegblijven onverstandig is.

Gorki verwelkomt zijn gasten onder aan de gestolde trap van natuursteen; Pjotr helpt hen uit de jas en begeleidt ze naar de eetkamer. De genodigden krijgen een plaatsje aan de rechterkant van de lange tafel, op drie rijen ongelijksoortige stoelen. Pas wanneer iedereen zit gaat de deur opnieuw open en doet Stalin zijn intrede. Op zijn kniehoge laarzen draagt de Georgiër als altijd een donkergroene tuniek. Met enig gestommel komen de schrijvers en dichters overeind, maar Stalin gebaart dat dat niet nodig is. Diegenen die de generalissimus nooit in levende lijve hebben gezien valt op hoezeer hij zijn omgeving meester is. De meegekomen Politburoleden Molotov, Vorosjilov en Kaganovitsj bewegen zich zo stram als lakeien.

(..) Na de eerste wodkadronk geeft Gorki het woord aan de schrijvers. Er volgt een aantal voorzichtige toespraakjes, waarin de aanwezigen benadrukken dat zij zich niet mogen terugtrekken in ivoren torens. De sprekers wegen hun woorden, wetend wat er van hen verlangd wordt. Ze brengen hun toost uit zonder improvisaties, in de veilige en vuurvaste formules van de traditie, uiteraard op de gezondheid en de ongelimiteerde wijsheid van hun leidsman.

Stalin, die tot dan toe pijprokend heeft geluisterd, neemt na deze hakkelende start de regie over. ‘Onze tanks zijn waardeloos,’ zo steekt hij van wal, ‘wanneer de zielen die ze moeten besturen van klei zijn. Daarom zeg ik: de produktie van zielen is belangrijker dan die van tanks…’

Hier pauzeert hij even, wellicht vanwege niet-begrijpend gefrons van zijn toehoorders. Waar wil hij heen?

Stalin vervolgt: ‘Hier merkte iemand op dat schrijvers niet stil moeten zitten, dat zij het leven in hun land moeten kennen. De mens wordt herschapen door het leven, en jullie moeten behulpzaam zijn bij het herscheppen van zijn ziel. Dat is belangrijk, de productie van menselijke zielen. En daarom hef ik mijn glas op jullie, schrijvers, op de ingenieurs van de ziel.’

uit: ingenieurs van de ziel – Frank Westerman, Atlas Amsterdam, 2002

Babel probeert gerust te stellen

isaac_babel; web.stanford.edubron beeld: web.stanford.edu

Isaak Babel (1894-1941) was een Rus. Joods en geboren en getogen in Odessa. Wereldberoemd werd hij met zijn boek Rode ruiterij, een verslag van de gruwelen tijdens de Russische Revolutie. In Verhalen uit Odessa staan veel autobiografische korte verhalen. Soms over de oorlog, soms over zijn jeugd. De oorlog is een terugkerend verschijnsel in de meeste verhalen. Bruut geweld, zinloze wreedheid zijn kwesties waarover Babel zijn licht liet schijnen op een haast analytische wijze. Zoals:

‘Te uwer informatie,’ zei ik, toen ik Jelizaweta Aleksejewna in de gang tegenkwam, ‘te uwer informatie kan ik u mededelen dat ik rechten heb gestudeerd en tot de zogenaamde intellektuelen behoor…’

In verstarring bleef ze voor mij staan en liet haar armen langs haar in een ouderwetse japon geklede lichaam zakken, een japon die haar als aangegoten om de slanke leest zat. Haar lichtblauwe, van tranen glinsterende ogen keken mij zonder  te knipperen recht in het gezicht.

Twee dagen later hadden wij vriendschap gesloten. De angst en onzekerheid, waarin het gezin van de onderwijzer leefde, een gezin van brave en zwakke mensen, kende geen grenzen. De Poolse ambtenaren hadden hun wijs gemaakt dat Rusland in rook en barbaarsheid was ondergegaan, gelijk indertijd Rome. Er kwam iets van een kinderlijke, schichtige blijdschap over hen, toen ik over Lenin vertelde, over Moskou, waarin de toekomst zich zo luid aankondigde, over het Kunsttheater. ’s Avonds kregen we bezoek van een stel tweeëntwintigjarige bolsjewistische generaals met ongekamde, rossige baardjes. We rookten Moskouse sigaretten, we aten het avondmaal dat Jelizaweta Aleksejewna van het legerproviand had toebereid en zongen studentenliederen. Voorovergebogen in zijn leunstoel was de verlamde, oude man een en al oor en zijn Tiroolse hoedje trilde op de maat van ons lied mee. De oude man leefde al die dagen in een soort overgave aan een stormachtige, impulsieve, vage verwachting, en probeerde, om geen schaduw over zijn geluk te laten vallen, net te doen of hij geen erg had in de bloeddorstige bluf en de luidruchtige bonhomie waarmee wij in die dagen alle wereldproblemen plachten op te lossen.

uit: de kus; uit: Verhalen uit Odessa, Meulenhoff Amsterdam, 1988; vertaling Charles B. Timmer

Isaak Babel (1894-1941, Odessa, Rus)

Tsjechov: scenes uit een huwelijk

themoscowtimes.combron beeld: themoscowtimes.com

In het korte verhaal Tranen, die de wereld niet ziet vertelt Anton Tsjechov (1860-1904) het verhaal van een man die met zijn vrienden op stap is. Er wordt stevig gedronken en het wordt laat. De trek slaat toe. In de kroeg is geen eten meer te krijgen.

‘Nee, dat houd ik niet langer uit!’ zei hij. ‘Dat gaat zo niet verder! Ik ga naar huis en vind wel wat van mijn gading. Luister eens, heren, komt u toch met mij mee! Verdomd ja, dat doen we! We drinken dan nog een borreltje en eten wat we te pakken kunnen krijgen. Augurkjes, worstjes… en we zetten er de samowar bij op… Wat denken jullie daarvan? En dan gaan we het over de cholera hebben en allerlei herinneringen uit de goede oude tijd ophalen… Mijn vrouw slaapt, maar we zullen haar niet wakker maken… We doen het stilletjes…. Vooruit, kom mee!’

Maar ja, zijn vrouw wordt wakker (gemaakt) en is duidelijk in haar reactie:

‘O, God, wat een bezoeking! Ben je soms helemaal gek geworden? Wat moet ik nu met gasten op zo’n uur? Ze moesten zich schamen, die verlopen schooiers, om de mensen midden in de nacht lastig te vallen! Waar is dat ooit vertoond, dat er ’s nachts bezoek kwam?… Denken ze soms, dat dit een kroeg is? Ik zou wel idioot zijn als ik je de sleutels gaf! Laten ze hun roes uitslapen en morgen terugkomen!’

uit: tranen, die de wereld niet ziet; uit: de Russische bibliotheek, Van Oorschot Amsterdam, 1996

Toergenjev mijmert in een verhaal van negen brieven

1895 Isaac Levitan, Golden Autumn

Gouden voorjaar, geschilderd door Isaac Levitan, geboren in Kibarty, Litouwen, maar in de negentiende eeuw behorend tot Rusland.

Weemoed en nostalgie troef bij de Russische schrijver Toergenjev (1818-1883). In de bundel verhalen Faust en andere verhalen las ik het titelverhaal. Het is de weerslag van een terugkeer van de verteller naar de plek van zijn jeugd. Hij bezoekt het ouderlijk huis op het platteland.

Sinds ik hier ben is er een zekere gemoedsrust over me gekomen; ik heb geen zin om iets te doen, om iemand te zien, dromen heb ik niet en tot nadenken kan ik niet komen; maar wel tot overpeinzingen, dat zijn twee verschillende dingen zoals je zelf goed weet. Eerst werd ik overspoeld door herinneringen aan mijn kindertijd… waar ik ook ging, waar ik ook keek, overal doken ze op, helder tot in de kleinste kleinigheden, welhaast onontkoombaar in hun precisie… Daarna kwamen er andere herinneringen voor in de plaats, daarna… daarna keerde ik me van lieverlede van het verleden af en in mijn borst bleef slechst een sluimerende last. Stel je eens voor! Toen ik op de dijk onder een kraakwilg zat, barstte ik ineens in tranen uit en ik zou ondanks mijn respectabele leeftijd (40 jaar, naar later blijkt) een hele tijd gehuild hebben als ik me niet geschaamd had voor een langskomende vrouw die nieuwsgierig naar mij keek en die daarna zonder zich naar mij om te draaien diep boog en verder liep. Ik zou heel graag tot mijn vertrek in die stemming willen blijven (huilen zal ik natuurlijk niet meer), dat wil zeggen, tot september, en ik zou het erg jammer vinden als een van de buren het in zijn hoofd kreeg mij een bezoek te brengen.

uit: Faust, verhaal in negen brieven, uit: Faust en andere verhalen, Arbeiderspers Amsterdam, 1984; vertaling Marja Wiebes en Yolanda Bloemen

toergenjev; rus-shkola.rubron beeld: rus-shkola.ru

Ivan Toergenjev (1818-1883, Orjol, Rus)

Via Dostojevski de Russische ziel begrijpen, lukt dat?

fjodor-dostojevski; tradita.orgbron beeld: tradita.org

Een poging om de Russische ziel te begrijpen: men leze Dostojevski. Dat was het advies van ex-Rusland correspondent Peter D’Hamecourt. In de begindagen van de Oekraïne-crisis is alles welkom om te begrijpen waarom Rusland (in casu Poetin en zijn directe omgeving) het buurland binnenvalt. In de boekenkast trok De verstotene (Netotsjka Nezvanovna) de aandacht. In mijn hoofd zou dit boek wel eens kunnen verklaren wat er in dat misdadige hoofd rondspookt. Een minderwaardigheidsgevoel; niet serieus worden genomen; overal buiten gehouden, verstoten?

De verstotene (1849) is het relaas van een jong meisje dat haar moeizame relatie met haar ouders probeert te duiden. Haar (stief)vader die als musicus niet geslaagd is. Haar moeder die niet van haar houdt. Haar ouders hebben vaak woordenwisselingen. Als kind staat zij erbij en kijkt ernaar. Concludeert:

Toen ontstond in mij iets als een grenzeloze liefde voor mijn vader, maar een wonderlijk soort liefde, alsof het helemaal niet van een kind was. Ik zou zeggen dat het veel eerder iets als een gevoel van medelijden, als een moederlijk gevoel was, als zo’n omschrijving van mijn liefde niet een beetje belachelijk klinkt voor een kind. Mijn vader leek me altijd zo’n zielige man, zo’n aan vervolging blootgestelde man, zo’n vertrapte man, zo’n gefolterd man, dat het voor mij iets vreselijks, iets onnatuurlijks was om niet grenzeloos veel van hem te houden, hem niet te troosten, hem niet te liefkozen, hem niet zoveel ik kon met liefderijke zorg te omringen.

Maar tot op deze dag begrijp ik niet waarom ik eigenlijk op die gedachte kon komen dat mijn vader zo’n gefolterd man zou zijn, zo’n ongelukkig mens! Wie fluisterde me dat in? Hoe kon ik, een kind, maar iets begrijpen van zijn persoonlijke tegenslagen? Ik begreep ze toch, zij het dan op mijn manier, na alles in mijn brein te hebben omgewerkt in mij vertrouwde begrippen. Maar tot op de dag van vandaag kan ik me niet voorstellen hoe zo’n indruk zich in mij heeft knnen vormen. Misschien was moeder wel wat te streng tegen me, en ben ik aan mijn vader gaan hechten als een wezen dat – in mijn ogen – tegelijk met mij, eensgezind, te lijden had.

uit: de verstotene, L.J. Veen Utrecht, 1996; vertal;ing D.P. Peet

Fjodor Dostojevski (1821-1881, Moskou, Rus)

En dan nog dit over Dostojevski:

Dostojevski was slavofiel, dat wil zeggen hij propageerde de opvatting dat ‘ons grote Rusland, aan het hoofd van de verenigde Slaven, aan de hele wereld, aan de hele Europese mensheid en zijn beschaving zijn eigen, gezonde en door de wereld nog niet gehoorde woord zal spreken. Dat woord zal worden gesproken tot heil en waarlijk tot vereniging van de hele mensheid in een nieuw, broederlijk wereldverbond, waarvan de beginselen vervat zijn in het genie der Slaven, en vooral in de geest van het grote Russische volk, dat zo lang geleden heeft en zoveel eeuwen tot zwijgen veroordeeld is geweest, maar altijd grote krachten in zich gehad heeft voor de toekomstige verklaring en oplossing van de vele bittere en allernoodlottigste misverstanden van de Europese beschaving.’

Opmerkelijk is hier – zoals wel vaker in dergelijke gevallen, men denke aan de marxistische ‘ontwikkelingswetten der maatschappij’ – dat geen der slavofielen, Dostojevski niet uitgezonderd, ooit de moeite heeft genomen om dat toch wel buitengewoon belangrijke en heilzame ‘woord’ te formuleren. De ‘Europese beschaving’ wacht nog steeds op dat woord. Men schijnt nooit te hebben stilgestaan bij het merkwaardige feit dat men geloofde in een bewering, waarvan men zelf niet wist hoe die luidde.

uit: geschiedenis van de Russische literatuur, Karel van het Reve, Van Oorschot Amsterdam, 2014