Carlos Drummond de Andrade: kind heeft haast

Ik was negen en het incasseren zat. Maar uitzicht op verandering was er niet. Tito verdedigde me tegen de aanvallen van de kinderen van het schoolgroepje. Maar soms, wanneer we na die botsingen thuis aankwamen, keerde hij zich tegen mij en beschuldigde me ervan trammelant te hebben uitgelokt zonder de macht te hebben om het aan te kunnen. Dat verwijt toonde de trots van de Novais, want een Novais mocht niet incasseren, en als hij, Tito, er niet bij geweest was, zou ik, Augusto Novais Junior, in het openbaar afgerammeld zijn, tot leedvermaak van de Texeira’s, de Andrada’s, de Guimarães’, en andere rivaliserende clans. Me er niet bij neerleggend, maar toch ontmoedigd, wilde ik mezelf laten groeien. Wanneer ik twintig zou zijn, zouden onze borstkassen gelijk zijn, en zou ik Tito op de grond gooien, maar dat was ver weg, twintig jaar. Kinderen hebben haast om te leven, en beloof ze geen genoegdoening in de toekomst, de behoefte dringt, de balsem moet gauw komen, morgen is te laat…

Uit: De redding van de ziel; uit: Verhalen van een nieuweling – Carlos Drummond de Andrade, Arbeiderspers Amsterdam, 1998; vertaling Piet Janssen

carlos-drummond-de-andradebron foto: blog.estantevirtual.com.br

Carlos Drummond de Andrade (1902 – 1987, Braziliaans)

‘Ook ik was eens Braziliaan’: zo belijdt Drummond, al meteen in zijn eerste bundel, zijn afwijkendheid van wat kenmerkend wordt geacht voor ‘de Braziliaan’ en voor de Braziliaanse literatuur. Het eerste gedicht van diezelfde bundel is een psychologisch zelfportret, dat begint met de autodefinitie:

Bij mijn geboorte zei een kromme engel,

zo een die in het donker leeft:

Vooruit, Carlos! wees gauche in het leven.

 

Links, schutterig, verlegen, verwrongen, gefrustreerd: ‘onbraziliaanse’, zelfs ‘onlatijnse’ trekken, die in zijn hele werk zullen terugkeren. Maar als hij geen Braziliaan (meer) is, wat is hij dan? Ook het antwoord daarop is in zijn hele werk te vinden, overduidelijk in een gedicht van 1940:

Enkele jaren heb ik geleefd in Itabira.

Voornamelijk ben ik geboren in Itabira.

Daarom ben ik triest, trots: van ijzer.

 

Drummond is mineiro. Het gehucht Itabira do Mato Dentro, waar hij op 31 oktober 1902 als negende kind van een welvarende grootgrondbezitter werd geboren, ligt in de Centraalbraziliaanse staat Minas Gerais, staat van gesteente en erts. Wat verder zijn biografie uitmaakt (school, farmaciestudie, ambtenaar van het Ministerie van Onderwijs, later van Monumentenzorg, thans gepensioneerd) is voor ons minder belangrijk dan dat hij zijn hele leven schrijft: tussen 1930 en 1978 verschijnen (behalve 9 vertaalde boeken) 26 bundels proza en poëzie. Een halve eeuw literaire activiteit van een constant en hoog niveau. En een thema dat in géén van die bundels afwezig is: Minas.

De mineiro is, volgens de generaliserende karakterbeschrijving, een introvert, verlegen, argwanend, eigenzinnig mens. Daarmee is voor veel critici de aard van Drummonds werk verklaard. Zegt niet de dichter zelf, nog wel in een gedicht dat ‘Verklaring’ heet: ‘Mijn familie en mijn grond hebben mij gemaakt tot wat ik ben’? Het verklaart natuurlijk niets. Dat Drummond zichzelf met behulp van Itabira definieert zegt alleen iets over zijn beleving van Itabira. Belangrijk daarbij, en door weinigen opgemerkt, is dat het thema een evolutie vertoont: van het werkelijke naar het symbolische, van het geografisch bepaalde naar een universele tellus mater, van beelden naar ideeën. Itabira, ouderhuis, vader, moeder, wasvrouw, paard, rund, blijven tot in het laatste werk bij name genoemd, maar worden van realiteiten tot archetypen.

Uit: Maatstaf januari 1979, over Carlos Drummond de Andrade geschreven door August Willemsen, vertaler van veel Braziliaanse en Portugese literatuur.