Nieuwe naam, nieuwe identiteit

In het korte verhaal Wanda Lota van J. Bernlef volgen we een pubermeisje dat haar lichaam ziet en voelt veranderen. Ze woont bij haar moeder. Haar vader is vertrokken naar een nieuwe, jongere vriendin.

Ze had het warm, sloeg de dekens van zich af. Met haar kin op haar borst gedrukt keek ze over haar buik naar haar voeten. Haar vader had haar Jessica genoemd. Hij had haar naam bedacht. Mannen gingen over namen. Ze drukten een stempel op je dat je nooit meer kwijtraakte. Eerst gaven ze je een voornaam en later, als je ging trouwen, raakte je je achternaam aan een van hen kwijt. De moeder heette eigenlijk Loman. Zo werd ze als meisje genoemd, Jannie Loman.

Jessica mompelde haar eigen naam, wel twintig keer. Hij kwam haar even onwezenlijk voor als dit lichaam dat haar vertelde dat ze honger had, dat ze die beschuit moest opeten. Ze schudde resoluut haar hoofd. Waarom zou je je naam niet veranderen als je besloten had iemand anders te worden?

uit: Wanda Lota; uit: Cellojaren – Bernlef, Querido Amsterdam, 1996

bernlef; yasni.nl

bron beeld: yasni.nl

Bernlef beschrijft de bevrijding door de zintuigen van een vrouw

bernlef; nrc.nlbron beeld: nrc.nl

Bernlef heeft als schrijver naam gemaakt met Hersenschimmen, een boek over dementie vanuit het oogpunt van de dementerende. Hoe de wereld langzaam afbrokkelt en je uit het normale doen raakt, werd raak beschreven. Wat mij daarbij opviel is hoe het Bernlef lukte zijn empathie om te zetten naar een geloofwaardig verhaal, naar echte taal die binnendringt.

Iets dergelijks gebeurde bij het lezen van het korte verhaal Bevrijding. In flarden trekken de belevenissen van een vrouw tijdens de Tweede Wereldoorlog voorbij. Aldus:

De radio was ook weg op het laatst. Ingeleverd. Dat moest. Je mocht niet meer luisteren. Voor mij was dat het ergst. Dat begrijpt u toch? Zolang er nog radio was ging het wel. Maar toen werd het stil. Dat is het eerste wat ik mij herinner. Het was stil. Doodstil. Ik zat altijd op dezelfde plaats, in de erker. Ik luisterde naar buiten. Hoorde de metalen banden rond de wielen van een handkar. Dat geratel weerkaatste de huizen.

(..)

En altijd die brandlucht. Schroeilucht. Dat was het meer. Alles werd in zo’n kacheltje, zo’n noodkacheltje gestopt. Oude schoenen, karton, hout. Het hele dressoir hebben ze opgestookt. Een mens doet wat om warm te blijven.

(..)

Je hoorde ze wel eens voorbijkomen. Het ijzerbeslag van hun laarzen. En alles in de maat. Soms met gezang erbij. Opgewekt en toch diep treurig. Jongens waren het, zo te horen. Maar hier voor de deur bleven ze nooit staan. Misschien zagen ze me zitten, misschien ook niet.

Ik zat voor het raam. Al die tijd. Alleen als er in de lucht gevochten werd dan haalden ze me weg. Dan moest ik onder tafel. Dicht tegen hen aan. Iedereen rook naar zweet. En buiten de flak. Flak-flak-flak. Van die korte rafelende stoten achter elkaar. En hoog daarboven dat doffe brommen. dan kwamen ze over.

(..)

Bang ben ik nooit geweest. Bang werd ik pas toen het bevrijding werd. U moet zich goed voorstellen hoe of dat was. Iedereen liep opeens de straat op. Waren ze mij toen maar vergeten. Hadden ze mij toen maar laten zitten. Zoals nu, hier op mijn gemak, met mijn tas. U luistert. U blijft op uw plaats zitten. Er is een zekere afstand. Ik voel me veilig. De tas staat open maar ik weet dat u er niets uit zult halen.

(..)

Hij nam me mee. Weg uit het lawaai. Ik was ze kwijtgeraakt. Niemand luisterde. Ze leken wel gek geworden met z’n allen. Schreeuwden als beesten. Hij sprak Engels dus het zal wel een Canadees zijn geweest. Hij nam me mee, weg van dat geschreeuw, een plek waar het stil was. Om ons heen hoorde ik kievieten roepen. Ik hoor ze nog om me heen terwijl ik op mijn rug lag. Ze riepen elkaar. Hij praatte Engels. Het hoorde bij de bevrijding. En wat kon ik anders. Ik had er wel van gehoord maar het nooit gevoeld. Het was vlug voorbij. Een beetje pijn. Niet erg. Dat was alles. Hij had een mooie spitse kin en harde wenkbrauwen. What’s your name. Ik heet Liza zei ik.

(..)

Het was een jongentje. Ze hebben het meegenomen. Het is naar een tehuis gebracht. Hoe moet een blinde nu voor een kind zorgen, zeiden ze.

(..)

Hij weet niet eens dat ik nog leef. Dat ik zijn moeder ben. Straks ben ik dood en dan weet hij het nog niet. Nooit. Dat hij er nooit naar gevraagd heeft. Raar. Je wil toch weten wie je moeder is? Of misschien ook niet.

uit: bevrijding; uit: Doorgaande reizigers, Querido Amsterdam, 1990

J. Bernlef (1937-2012, Sint Pancras)

‘Wachtende mensen zijn mensen buiten bedrijf’

hopper, hotel lobby; fredericksburg.com

bron: Edward Hopper, Hotel lobby

Wachtende mensen. Wekenlang had hij ze opgezocht, bestudeerd en in alle heimelijkheid gefotografeerd. In wachtkamers van ziekenhuizen, op vluchtheuvels en perrons, in rijen voor musea of winkels, in warenhuizen en kantoren.

Wachtende mensen. Wat hield hen op de been? Verwachtingen, wensen: toekomst kortom. Zelden vielen mensen daarom helemaal samen met hun omgeving, met de omstandigheden van het moment. Hun ogen zagen, maar zij verbonden het geziene met hun herinneringen, met speculaties. Hoe nu verder? Altijd maar verder. Zo hielden zij zich aan de wereld vast. Dat was de glans in hun ogen die op deze foto’s even, tijdelijk, was gedoofd.

Wachtende mensen. Misschien was ‘mensen buiten bedrijf’ een betere omschrijving van hun toestand. Ieder moment kon het gebeuren, kon het leven weer in hen opflakkeren en zou iedereen zijn weegs gaan. Maar hier, op deze foto’s, waren zij even bijeen, geheimzinnig als gelijken.

uit: het algemene leven; uit: Doorgaande reizigers – J. Bernlef, Querido Amsterdam, 1990

Bernlef: winterwegen

bernlef; 2doc.nlbron foto: 2doc.nl

Winterwegen

Niet alleen vossesporen, de achterwaarts / wijzende patrijzeprenten in de sneeuw, / maar ook de winterwegen, / smalle looppaden tussen schuur en erf / op geen kaart te vinden

Ieder huis rust als een spin / in ’t midden van zijn eigen wegennet

Een tijdelijke taal / zoals het blaffen van een hond / stemmen achter de bosrand

Taal die niet begrepen hoeft te worden / zoals een kinderkrabbel: teken van / iets dat achter de rug is

Wanneer de winterwegen smelten / blijft het vermoeden van een landkaart / onder onze voeten

De eerste zwaluwen hoog in de / lege lucht, zij kunnen hem lezen wellicht / zij volgen andere wegen.

Uit: Winterwegen, Querido Amsterdam, 1983

H.J. Bernlef (1937-2012, Sint Pancras)

Het virus: eindstation

Eindstation

Onder de dienstregeling / verschieten de wissels / levens die heel anders hadden willen verlopen / maar nu staan te wachten / op een tochtig perron.

Er is geen uitweg zeggen de regenjassen / de koffers, de tassen.

Een luidspreker meldt een wijziging / niemand beweegt.

Onder de draadglazen overkapping / koeren de duiven.

Uit: Wolftoon, Querido Amsterdam, 1986

BERNLEF, wikiwand.combron foto: wikiwand.com

J. Bernlef (1937-2012, Sint Pancras)

Bernlef: horloge

horloge, bernlefbron foto: gewoonvoorhem.nl

Horloge

Ik zat op de huisbank van een Zuid-Afrikaan / toen jou alles afgenomen werd / verder was ik nooit van je vandaan

Terwijl mijn gastheer krakend koersen controleerde / en zijn dikke dochter zocht naar gave popmuziek / wat zag jij toen, in je laatste val?

Dit gedicht even duidelijk als de dood / een open boek, een afgesloten hoofdstuk / woorden weggevloeid in aarde, als water

Voor jou werd het nooit meer later / op je horloge dat ik nu verder draag / de tijd door die voor jou noch mij bestaat.

Uit: Aambeeld, Querido Amsterdam, 1998

J. Bernlef (1937-2012, Sint Pancras)

Bernlef: heel iemand anders

Heel iemand anders

Volgens de bovenmeester was ik een mulo-kandidaat / voorbeeld van grijze middelmaat, onopvallend / verlegen, tot niet bijster veel in staat

Toen mijn vader verhaal kwam halen / keek meester peinzend voor zich uit / zat zo’n jongen werkelijk in zijn klas?

Vader kwam briesend thuis: hij wist / niet eens je naam of wie je was / ik knikte maar wist: meester had gelijk

Hij kon mij niet zien omdat ik jaren / getraind had op onzichtbaarheid / die kunst tot in de puntjes meester was

Vader kwam er later vaak op terug / wilde dat ik van alle markten thuis / de enig juiste richting vond

Ik trainde omgekeerd tot ik / tenslotte plotseling heel iemand / anders geworden voor hem stond.

Uit: Aambeeld, Querido Amsterdam, 1998

bernlef, deusexmachina.bebron foto: deusexmachina.be

J. Bernlef (1937-2012, Sint Pancras)