“God is wreed en gaat streng met ons om”

‘God is wreed, en hoe meer we hem gehoorzamen, hoe strenger hij met ons omgaat. Hij is machtiger dan de machtigen, met de nagel van zijn pink kan hij hen van kant maken, maar hij doet het niet. Alleen de zwakken richt hij graag ten gronde. De zwakte van een mens prikkelt zijn kracht, en gehoorzaamheid wekt zijn toorn op. Hij is een grote, wrede ispravnik (russisch voor officier van justitie). Gehoorzaam je zijn wetten, dan zegt hij dat je ze alleen in je eigen voordeel gehoorzaamt. En overtreed je ook maar één enkel gebod, dan vervolgt hij je met honderd straffen. Wil je hem omkopen, dan rekent hij met je af. En ga je rechtschapen met hem om, dan loert hij op een kans om jou om te kopen. In heel Rusland is er geen boosaardiger ispravnik!’

‘Denk eens, Mendel,’ begon Rottenberg, ‘denk eens aan Job. Hem is hetzelfde overkomen als jou. Hj zat op de naakte aarde, met as op zijn hoofd, en zijn wonden deden zoveel pijn dat hij als een dier over de grond rolde. Ook hij lasterde God. En toch was het alleen een beproeving geweest. Wat weten wij, Mendel, van wat daarboven gebeurt? Misschien is de satan voor God verschenen en heeft hij net als toen gezegd: er moet een rechtvaardige worden verleid. En de Heer zei toen: probeer het eens met Mendel, mijn knecht.’

Uit: Job, roman over een eenvoudige man – Joseph Roth, Atlas Amsterdam, 2007; vertaling Wilfred Oranje

roth, grunberg.combron foto: arnongrunberg.com

Joseph Roth (1894-1939, Brody, Oekraïne)

Günter Eich: Inventur

Inventur

Dies ist meine Mütze, / dies ist mein Mantel, / hier mein Razierzeug im Beutel aus Leinen.

Konservenbüchse: / Meine Teller, mein Becker, / ich hab in das Weisblech / den Namen geritzt.

Geritzt hier mit diesem / kostbaren Nagel, / den vor begehrlichen / Augen ich berge.

Im Brotbeutel sind / ein Paar wollen Socken / und einiges was ich / niemand verrate,

so dient es als Kissen / nachts meinem Kopf. / Die Pappe hier liegt / zwischen mir und die Erde.

Die Bleistiftmine / lieb ich am meisten: / Tags schreibt sie mir Verse, / die nachts ich erdacht.

Dies ist mein Notizbuch, / dies meine Zeltbahn, / dies ist mein Handtuch, dies ist mein Zwirn.

Inventarisatie

Dit is mijn muts, / dit is mijn jas, / hier is mijn scheergerei / in de linnen zak.

Conservenblik: / mijn bord, mijn mok, / ik heb in het metaal / mijn naam gekrast.

Gekrast hier met deze / kostbare spijker, / die ik voor begerige / blikken verberg.

In mijn broodzak zitten / een paar wollen sokken / en een paar dingen die ik / aan niemand verraad,

zo dient het ’s nachts / als kussen voor mijn hoofd. / Dit karton hier ligt / tussen mij en de aarde.

De potloodstift / heb ik het liefst: / overdag schrijft hij verzen / die ik ’s nachts heb bedacht.

Dit is mijn notitieboekje, / dit is mijn tentbaan, / dit is mijn handdoek, / dit is mijn garen.

gunter eichGünter Eich (1907 – 1972)

Uit: Abgelegene Gehöfte, Schauer Frankfurt am Main, 1948