Assembleer je schilderij: materie-kunst

Het zijn de jaren 50 van de vorige eeuw. Er is een wildgroei in kunststromingen op gang gekomen in zowel de abstracte als de figuratieve schilderkunst; nieuwe technische mogelijkheden zoals film, video en tv kondigen nieuwe mogelijkheden tot expressie aan. Kunstenaars kijken terug en vooruit en geven hun eigen draai aan bestaande stromingen. Een voorbeeld van dat laatste is de materie-schilderkunst. Belangrijkste vertegenwoordigers: Tàpies, Burri, Bogart en Wagemaker.

materiekunst; tapiesmateriekunst; tapies2

De Spanjaard Antonio Tàpies (1923-2012) ontdekte de Afrikaanse kunst, het gevonden voorwerp van Dada en het werk van Miró. Zijn assemblages moesten een protest zijn tegen de akademische schilderkunst. Hij maakte zijn werken met zand, zeildoek, stro en touw. Vond dat zijn schilderijen muren waren geworden. Wenste na deze constatering alleen nog maar via muren te communiceren. Zijn oeuvre is omvangrijk, bestaat voor een deel uit morteldoeken waarvan het verfoppervlak ouder lijkt dan Tàpies zelf. Zijn klaagmuren getuigen van het martelaarschap van het Spaanse volk dat leed onder het Franco-regime.

materiekunst; burrimateriekunst; burri2

De Italiaan Alberto Burri (1915-1995) was in de oorlog werkzaam als veldarts. Bij gebrek aan materiaal begon hij te schilderen met jute, lompen en pek. Vanaf 1946 wijdde hij zich geheel aan de kunst. Zijn schilderijen waren dik, gecraqueleerd en zijn assemblages werden gemaakt van verschroeid hout, plastic en lompen. In zijn werk worden zijn oorlogservaringen verwerkt. Grove stukken met rode verf besmeurde jute verwijzen naar de verbanden die hij aanlegde tijdens de oorlog.

materiekunst; bogartmateriekunst; bogart2

Bram Bogart (1921-2012) werd in Delft geboren maar verhuisde in 1960 naar België. Hij maakte geometrische composities, vuistdik, 3D en ze doen denken aan speciebrij. Het lijken uitvergrote details in heftige primaire kleuren. Later werden de kleuren somber en doen de stuc-achtige texturen denken aan landschappen.

materiekunst; wagemakermateriekunst; wagemaker2

Jaap wagemaker (1906-1972) geldt als NL’s vertegenwoordiger van de materie-schilderkunst. Boetseerde met zand en kiezels zijn gewapende verflagen. Noemde ze woestijngebieden en voegde er stukken hout, leisteen, schroot, botten, schelpen en machine-onderdelen aan toe. ‘Ik bouw mijn schilderijen op met elementen uit de natuur. Zij moeten evenals de natuur een vanzelfsprekend organisme zijn,’ vond Wagemaker zelf.

De grotkunst van Henri Breuil

henri breuil; grotkunst5henri breuil; grotkunst6henri breuil; grotkunst7henri breuil; grotkunst9

In de negentiende eeuw werden er in Europa ontdekkingen gedaan die onze kijk op de vroegste mens (de holbewoner) een geheel ander aanzien gaf. In Altamira, Spanje, Lascaux en Les Trois Frères, Frankrijk zorgden loslopende honden en spelende kinderen voor de ontdekkingen: grotkunst. In grotten werden tekeningen gevonden van vooral dieren, die na onderzoek, werden toegeschreven aan de vroegste bewoners van het Europese continent.

In de tijd dat de ontdekkingen net werden gedaan was er veel rumoer over de echtheid. De tekeningen werden afgedaan als nep. Maar een batterij wetenschappers kon de echtheid onderstrepen. Eén van hen: professor Cartailhac. In zijn voetsporen, de jonge geestelijke Henri Breuil (1877-1961). Katholiek priester, archeoloog, antropoloog, geoloog en ethnoloog. En verdienstelijk tekenaar.

De eminente professor Cartailhac nam nu de jonge geestelijke Henri Breuil mee naar Altimira om nog eens te kijken. In hun enthousiasme bleven ze er een maand, tijdens welke Breuil de schilderingen nauwgezet kopieerde. Terwijl buiten de regen met bakken uit de hemel viel, lag Breuil in de lage grotten op strozakken op zijn rug, met als enige verlichting een paar kaarsen. Hoewel hij als kind graag vlinders had getekend, had Breuil geen opleiding gehad als kunstenaar. Het is ons geluk dat hij zo begaafd was en dat hij het aandurfde zijn nauwgezette tekeningen te maken toen de grot nog maar pas was ontdekt. Breuils tekeningen zijn in veel opzichten nauwkeuriger en levendiger dan latere kleurenfoto’s. Het onregelmatige oppervlak van de rots kan een foto vervormen en maakt het moeilijk graveringen te ontcijferen. Dankzij de bewonderenswaardige kopieën in kleur van de hand van Breuil hebben we nu een levendig beeld van de paleolithische kunst.

uit: de scheppende mens – Daniel Boorstin, Agon Amsterdam, 1993; vertaling Paul Syrier

henri breuil; grotkunsthenri breuil; grotkunst2henri breuil; grotkunst3henri breuil; grotkunst4

Papyrus – voor het lezen komt voorlezen

griekse rapsode; pinterest.comEen rapsode is een rondtrekkende Griekse zanger, te vergelijken met een (Keltische) bard. Homeros is misschien wel de bekendste Griekse rapsode. Rapsoden werken in vergelijking met barden met vaststaande teksten en improviseren niet, maar ze hebben zich de gedichten herinnerd. bron beeld: pinterest.com

In dat prachtige boek Papyrus van de Spaanse Irene Vallejo (1979, Zaragoza) vertelt ze over het onderscheid tussen de orale en neergeschreven verhaalkunst. En dat zich dat in ieders mensenleven voordoet. Want voor het (zelf) lezen komt het voorlezen. Zij illustreert dat met een herinnering:

Mijn moeder las me elke avond voor, zittend op de rand van mijn bed. Zij was de rapsode (= rondtrekkende Griekse zanger), ik haar betoverde publiek. De plek, het tijdstip, de gebaren en de stilten waren altijd hetzelfde, samen vormden ze onze intieme liturgie. Terwijl haar ogen het punt zochten waar we gebleven waren en ze vervolgens een paar zinnen ervoor begon om de draad van het verhaal weer op te pakken, voerde de zachte bries van de woorden  alle zorgen van de dag en de angst voor het donker met zich mee. Dat voorlezen kwam me voor als een klein en provosorisch paradijs – later kwam ik erachter dat alle paradijzen zo zijn: bescheiden en van voorbijgaande aard.

uit: Papyrus, een geschiedenis van de wereld in boeken; Meulenhoff Amsterdam, 2021; vertaling Adri Boon

Papyrus – dreigende woorden

Lezen over het lezen, ja, dat is interessant, zeker als de Spaanse schrijfster Irene Vallejo dat opdient in haar boek Papyrus. Een boek dat gaat over de geschiedenis van onze wereld zoals die zich openbaart in boeken. In de volgende passages gaat het over dreigende woorden. Want het boek is een (kunst)schat en die schat is niet alleen voor lezers belangrijk.

Een nog samen te stellen bloemlezing zou moeten beginnen met de dreigende woorden die te vinden zijn in de bibliotheek van het klooster Sant Pedre de les Puelles in Barcelona en die Alberto Manguel citeert in Een geschiedenis van het lezen (aanrader voor wie graag leest over het lezen): ‘Aan wie een boek steelt of leent en niet teruggeeft: moge je hand veranderen in een slang die vervolgens verscheurd wordt. Moge verlamming je deel zijn en al je ledematen vervloekt worden. Moge je creperen van de pijn en gillend smeken om genade zonder dat iets je kwellingen verlicht tot je er uiteindelijk aan bezwijkt. Mogen de wormen van de boeken aan je knagen zoals nimmer aflatende wroeging doet. En moge, als ten slotte de eeuwige straf over je neerdaalt, het hellevuur je voorgoed verteren.’

Dat lijkt erg, deze tirade om wat een doodzonde is. Ook in de oudste ons bekende bibliotheken vinden we dergelijke verwensingen. Die bibliotheken bevinden zich in het Nabije Oosten (Mesopotamië, Syrië, Klein-Azië en Perzië). Daar zijn teksten te vinden die dieven en schenders vervloeken, zoals:

kleitablet, lezen; ad.nlbron beeld: ad.nl

‘Al wie zich meester maakt van een kleitablet door roof of ontvreemding of zijn slaaf daar opdracht toe geeft – moge Shamash zijn ogen uitsteken, moge Nabu en Nisaba hem met doofheid slaan, moge Nabu zijn leven oplossen als water.’

‘Al wie dit kleitablet breek of dompelt in water of uitvlakt zodat niet meer te lezen is wat erop staat – mogen de goden en godinnen van de hemel en de aarde hem straffen met een vervloeking die niet opgeheven kan worden, vreselijk en genadeloos, zolang hij leeft, zodat zijn naam en zijn zaad van de aarde weggevaagd worden en zijn vlees voedsel voor de honden zal zijn.’

U bent gewaarschuwd.

uit: papyrus, Meulenhoff Amsterdam, 2021; vertaling Adri Boon

Irene Vallejo (1979, Spanje)

Bijna iedere dag muziek: Federico Mompou

Muziek die klinkt als de werken van Eric Satie. ‘Er klinkt stilte omheen, het zijn zeker geen composities in de ware betekenis van het woord, meer losse schetsen zonder begin en eind’, aldus Paul Witteman over de muziek van Federico Mompou (1893-1987).

Net als Satie schiep Mompou iets met bijna niets, zwijgende muziek. Musica callada. Hij had maar een handvol noten nodig om ons toe te laten in zijn adembenemende wereld, deze mensenschuwe musicus die zijn brood verdiende als concertpianist. Zoon van een Spaanse vader en een Franse moeder. Af en toe woonde hij in Parijs met de bedoeling in het voetspoor te treden van Debussy en Satie en dan leefde hij weer jaren achtereen als een kluizenaar in Barcelona.’Opnieuw beginnen’ noemde hij die perioden, waarin hij de schoonheid van eenzaamheid zocht. Mompou wilde naar eigen zeggen muziek schrijven ‘die even uit de schaduw komt’, primitieve kunst met overal verwijzingen naar de klankwereld van het kind. Af en toe hoor je een echo van de klokken uit de gieterij van zijn grootvader. ‘Van veraf’ of ‘met excuses’ schreef hij boven zijn partituur. Hij speelde op het podium graag zijn eigen miniatuurtjes. Gebogen over het klavier met zijn grote handen, die in staat waren brede akkoorden te grijpen, liet hij de stem van het zwijgen horen.

Uit: De stem van het zwijgen; uit: Het geluid van wolken – Paul Witteman, Balans Amsterdam, 2007

Federico Mompou (1893-1987, Barcelona, Spanje)

Rueda en Devis zetten architectuur naar hun hand

davis, foto-architectuur2rueda and devis, foto-architectuur3rueda and devis, foto-architectuur5rueda and devis, foto-architectuur7

Het ziet er simpel uit: je zoekt een plek met een architecturale bijzonderheid, je maakt een foto en zet dat op Instagram. In wezen is dat wat het Spaanse duo Daniel Rueda en Anna Devis doet. Beiden hebben architectuur gestudeerd. Zijn wat anders gaan doen (veel reizen bijvoorbeeld) en vonden elkaar met deze bezigheid. In hun werk zetten ze architectuur naar hun hand. Iets dat veel voor-werk vergt. Dat begint met een andere blik. Door de architectuur-achtergrond kijken beiden naar andere dingen dan de doorsnee-passant. En dan komt er een idee. Dat gaat eerst op papier en dan volgt ter plekke de uitwerking met veel haken en ogen. De foto’s zien er simpel uit, maar vergen veel aandacht voor detail en precisie, aldus het koppel. Het resultaat is bijzonder en vrolijk stemmend.

(via)

davis, foto-architectuurdavis, foto-architectuur3rueda and devis, foto-architectuur4rueda and devis, foto-architectuur6

Picasso’s Guernica: ‘tegen de militaire kaste’

pablo_picasso-_guernica; theculturetrip.com

bron foto: theculturetrip.com

De aanleiding: het bombardement op de Baskische stad Guernica (Gernika in het Baskisch) op 26 april 1936. Spanje was in burgeroorlog (1936-1939): Republikeinen tegen nationalisten. De nationalisten stonden onder leiding van generaal Franco. Die riep de hulp in van zijn fascistische bondgenoten Duitsland en Italië. Beide luchtmachten konden eens uitproberen hoe dat werkte: een bombardement. Twee à drie uur lang werd de historische binnenstad, waar Republikeinen zich verschansten, gebombardeerd en werd er gericht op burgers geschoten. De dodentallen lopen uiteen van enkele honderden tot vele duizenden. Het allereerste terreurbombardement op Europese bodem, later gevolgd door talloze bombardementen op onder andere: Warschau, Rotterdam, Coventry, Hamburg, Dresden enz. Tegenwoordig zijn bombardementen op burgerdoelen en steden gemeengoed (denk aan Syrië en Irak).

Picasso was bezig een schilderij in opdracht van de Republikeinen te maken voor de Wereldtentoonstelling in Parijs, 1937. Na het lezen van de krantenberichten over het bombardement maakte de Spaanse kunstenaar binnen een week dit schilderij dat omvangrijk is (3,5 bij 3,7 meter).

Guernica is het samengaan van verschillende stijlen en motieven uit Picasso’s werk: abstracte, vervormde lichamen; de stier en het paard; de huilende vrouw. Wat ontbreekt is kleur. Guernica is gemaakt in tinten zwart, wit, grijs en een licht tintje blauw.

Guernica werd officieel onthuld tijdens de Wereldtentoonstelling in Parijs, daarna ging het op tournee door de vrije wereld. In 1981 keerde het schilderij terug naar Spanje: na het overlijden van Franco en toen Spanje weer een republiek was. Dat waren de voorwaarden die de Spaanse kunstenaar stelde bij terugkeer van het kunstwerk naar Spaanse bodem. Tegenwoordig is het te zien in Museo Reina Sofia in Madrid, nog altijd even indrukwekkend.

Picasso zelf omschreef het kunstwerk als een uitdrukking van: ‘zijn afschuw van de militaire kaste die Spanje heeft laten verzinken in een oceaan van pijn en dood.’

 

De Ierse kwestie, ook bij Michael O’Loughlin

OLoughlin1, michael; liwre.fibron foto: liwre.fi

Kun je maatschappelijke beroering onbesproken laten als schrijver? Dat kan, maar dat zoiets moeilijk gaat, blijkt uit het verhaal De taal der stenen van de Ierse schrijver Michael O’Loughlin. De verhalenbundel De weeën van de mannen van Ulster gaat vooral over de banneling, de vreemde. Iemand die besluit zijn eigen huis en haard te verlaten om zich elders te vestigen. Dat komt overeen met de eigen ervaringen van O’Loughlin. Hij verliet Ierland om zich tijdelijk te vestigen in Spanje en Nederland. Inmiddels is hij weer teruggekeerd naar Ierland.

Michael O’Loughlin laat de Ierse kwestie lang onbesproken en dan verschijnt het in De taal der stenen.

Wall was nieuwsgierig, maar was niet van plan iets te vragen. Hij wist waar Goldfarb mee bezig was en ofschoon hij het niet goedkeurde liet hij Goldfarb vaak bij hem slapen als die werd verrast door de avondklok. Hij wist dat Goldfarb soms gewapend was, en dat er problemen zouden zijn als de Engelsen hem hier te pakken kregen. Soms dook hij onverwacht op, meestal buiten zichzelf, vreemd, onherkenbaar, als een lievelingshond die je na een gevecht binnenlaat, stinkend, bloedend, hijgend. Je kijkt in zijn ogen maar hij schijnt je niet te kennen, en je kent je troetelbeest niet meer terug. Maar geleidelijk aan zou hij weer normaal worden.

Wall bracht zijn dagen door in de rokerige vergaderzalen en bestuurskamers van de Dublinse arbeidersklasse. De vakbeweging en de Ierse taal waren zijn twee grote passies. Hij was het niet eens met Collins of de rest van die bende. Organiseren en scholen, dat was de weg voorwaarts voor de arbeiders. Die ruige boeren met hun bommen en revolvers begreep hij niet. Het baarde hem zorgen te zien dat zijn jonge vriend er steeds meer bij betrokken raakte. Maar zij discussieerden er niet meer over. Goldfarb ging rechtop zitten en dronk zijn thee, hij voelde zich al wat beter.

‘Nog steeds in die ouwe boeken, zie ik.’

‘Oh ja. De zoete en koninklijke taal. Je zou het ook moeten leren, weet je.’

‘Wat is daar het belang van, we kunnen toch allemaal Engels spreken.’

‘De taal van de binnendringer. We spraken allemaal Iers tot de Saxen kwamen en we zullen dat weer doen, zo God het wil, als ze weggaan.’

Uit: de taal der stenen; uit: De weeën van de mannen van Ulster, Thoth Bussum, 1994; vertaling Wim Platvoet

Michael O’Loughlin (1958, Dublin, Ierland)

Don Quichot en de menselijke maat

don-quixote, dali

Salvador Dali’s impressie van Don Quichot en zijn strijd tegen de windmolens

Don Quichot wil een held zijn, maar de wereld waarin hij zijn heldendom wil bewijzen bestaat niet, dus verzint hij die, hetzij doelbewust of als gevolg van zijn krankzinnigheid. Juist dit grijze gebied maakt het boek van Cervantes zo fascinerend: de mate waarin Quichot het slachtoffer of de schepper van zijn waanideeën is.

Aan het woord is de Schotse hispanologe Miranda France (1966, Colchester, UK). Ik lees van haar hand het boek De waanideeën van Don Quichot. Het is een onderzoek naar wat de roman van Cervantes leert over de Spaanse volksaard. En dat anno 1999, het jaar waarin France terugkeert naar Spanje, nadat ze 10 jaar eerder studeerde in Madrid. In dat boeiende verslag zet de schrijfster het verhaal over Don Quichot af tegen wat ze ervaart, ondervindt temidden van de Spanjaarden.

Waarom Don Quichot? Omdat het boek, dat stamt uit begin 17-de eeuw, enorme indruk heeft gemaakt op veel auteurs die volgden. Daaronder Nabokov. Die zegt over het Spaanse meesterwerk: ‘Een verhandeling over hoe dingen en levens betekenis krijgen.’ Maar ook het volgende: ‘Het is een fantastisch boek vanwege de samenzwering tussen de held en zijn lezers, waar de schrijver buiten wordt gehouden en die zelfs diens oorspronkelijk plan saboteert.’

In wezen is Don Quichot het verhaal over een verwarde, oudere man, geschreven door een al net zo verwarde, oudere man. En toch is dat niet alles. Thomas Mann was fan. Gustave Flaubert zei dat de ridderroman inspireerde tot het schrijven van Madame Bovary. De kern dan maar?

Net zoals het nog nooit vertoond psychologisch realisme in de roman zijn stempel op de grote 19-de eeuwse schrijvers heeft gedrukt, duiken de foefjes en trucs in het verhaal in de postmoderne romans van de 20-ste eeuw op. Don Quichot en Sancho realiseren zich bijvoorbeeld dat ze personages in een roman van Cervantes zijn.

(..)

Don Quichot is niet alleen maar een man die knettergek wordt door het lezen van boeken over ridders, maar hij heeft werkelijk psychologische diepgang. Hij is vriendelijk, intelligent en voorkomend, maar hij is ook ijdel, pretentieus en verblind. Hij sukkelt met zijn darmen en hij voelt overal pijntjes als hij in de openlucht slaapt. Zijn motieven zijn uitgesproken vaag. Anders dan de fictieve personages die hem voor zijn gegaan, heeft Don Quichot grote twijfels over wat hij aan het doen is. Hij is de eerste moderne held, de eerste echte menselijke held en geen geïdealiseerd personage. En aangezien de menselijke maat zoveel complexer is, zoveel ontroerender, wordt hij ook veel indrukwekkender.

Uit: De waanideeën van Don Quichot – Miranda France, Atlas Amsterdam, 2006; vertaling Ankie Klootwijk

don-quixote, picasso

Gemaakt door Pablo Picasso