Barnard: het meer in mij

Het meer in mij

Het meer in mij vloeit uit een ander meer, / beneden, voort. Het is niet vergelijkbaar groot. / Het is een woord, waarvan de diepte anders is. / Je kunt erin verdrinken, maar je gaat niet dood.

Zijn oorsprongen verwisselbaar? Alles stroomt / ook naar boven, want wateren zijn van hun bron / al evenzeer de bron. Begin dat nooit begon. / Eeuwig is er een rivier, niets blijvends, tussenin.

Mijn meer is niet beneden. Beneden reflecteert / de zon, de schittering van het verleden. Je naam, / in water opgeschreven, vervalt nog niet daarom.

Uit: Het meer in mij, Arbeiderspers Amsterdam, 1986

knack.be, barnardbron foto: knack.be

Benno Barnard (1954, Amsterdam)

Omdat water onophoudelijk stroomt en terugkeert naar zijn bron, omdat water de ongrijpbare stroom én de vlakke spiegel van het meer is, omdat mijn meer, dat een woord is, anders is en hetzelfde als het meer daar beneden, omdat taal meer is dan water. Daarom verdwijnt en blijft je naam, opgeschreven in het water van tijd en taal.

Uit: De dichter is een koe – Hugo Brems, Arbeiderspers Amsterdam, 1991

Annie M.G.: erwtjes

Erwtjes

Toen ze een meisje was van zeventien / moest ze een hele middag erwtjes doppen / op het balkon. Ze wou de teil omschoppen. / Ze was heel woest. Ze kon geen erwt meer zien.

Toen ging ze maar wat dromen, van geluk, / en dat geluk had niets te doen met erwten / maar met de Liefde en de Grote Verte. / Dat dromen hielp. Het scheelde heus een stuk.

En dat is meer dan vijftig jaar terug. / Ze is nu zeventig en heel erg fit / en altijd als ze ’s middags even zit, / mijmert ze, met een kussen in de rug,

over geluk en zo… een beetje warrig, / maar het heeft niets te maken met de Verte / en met de Liefde ook niet. Wel met erwten, / die komen altijd weer terug, halstarrig.

Ach ja, zegt ze. Ik kan mezelf nog zien, / daar in mijn moeders huis op het balkon, / bezig met erwtjes doppen in de zon. / Dat was geluk. Toen was ik zeventien.

Uit: Weer of geen weer, Arbeiderspers Amsterdam, 1954

annie mg, avrotros.nl

bron foto: avrotros.nl

Annie M.G. Schmidt (1911-1995, Kapelle)

Nijhoff: lied der dwaze bijen

Het lied der dwaze bijen

Een geur van hoger honing / verbitterde de bloemen, / een geur van hoger honing / verdreef ons uit de woning.

Die geur en een zacht zoemen / in het azuur bevrozen, / die geur en een zacht zoemen, / een steeds herhaald niet-noemen,

ried ons, ach roekelozen, / de tuinen op te geven, / riep ons, ach roekelozen, / naar raadselige rozen.

Ver van ons volk en leven / zijn wij naar avonturen / ver van ons volk en leven/ jubelend voortgedreven.

Niemand kan van nature / zijn hartstocht onderbreken, / niemand kan van nature / in lijve de dood verduren.

Steeds heviger bezweken, / steeds helderder doorschenen, / steeds heviger bezweken, / naar het ontwijkend teken,

stegen wij en verdwenen, / ontvoerd, ontlijfd, ontzworven, / stegen wij en verdwenen / als glinsteringen henen. –

Het sneeuwt, wij zijn gestorven, / huiswaarts, omlaag gedwereld, / het sneeuwt, wij zijn gestorven, / het sneeuwt tussen de korven.

nijhoff, toon kelder, lietratuurmuseum.nlGeschilderd door Toon Kelder; bron: literatuurmuseum.nl

M.Nijhoff (1894-1953, Den Haag)

Uit: Nieuwe gedichten, Querido Amsterdam, 1962

W.F. Hermans over de moord op zijn zus

Het was de ochtend na de avond waarop de capitulatie plaatsvond. Ik hoorde een vreemd geluid in huis. Ik werd wakker en merkte toen op dat mijn ouders, die allebei hele droge mensen waren, liepen te snikken. Een verschrikkelijke sensatie voor mij, ik had nog nooit zoiets meegemaakt. Mijn zuster was die vorige avond gevonden met die neef die eerst nog geprobeerd had naar IJmuiden met z’n gezin te ontkomen en dat was niet gelukt… Mijn neef heeft mijn zusje die avond in de auto opgehaald om zogenaamd een beetje met zijn vrouw te praten. Toen zijn ze later door die surveillancewagen gevonden, dood in die auto.

Wat voor man was die neef?

Een vreemde, wilde man (dat m’n zusje met hem een verhouding gehad bleek te hebben, kwam dan ook voor mij als een complete verrassing). Die neef heb ik beschreven in Ik heb altijd gelijk (de politieman). ’t Soort vlotte, enigszins corpulente man, je kent dat type wel: geintjes en zo, altijd grapjes, moppen over vrouwen. Leek een beetje op Mussolini, haha. Helemaal niet ’t soort man van wie ik zou denken dat-ie dol op mijn zuster zou worden…

Die neef was toen 40 of zo en wij 18 en 20. We kenden hem al van ons tweede jaar, hij was ons vertrouwd… Het was ook een ontnuchtering voor mij: dat mijn zusje, de brave Hendrik van de familie, met zulke feiten voor den dag kwam… Ik kon met die neef ook geweldig opschieten. Hij kon aardig scharrelen en zo, hè, hij praatte ook altijd luchthartig over allerhande dingen. Hij maakte een enorme indruk op mij.

Nu ben ik niet meer jaloers op dat soort mensen, ik háát dat soort mensen, ik haat waar ze voor staan, dat zijn nou typisch de mensen die hun omgeving met kletspraat zoet houden. Die mensen zijn gevaarlijk voor mij. In wezen ben ik een verlegen en naïef mens, ik kom makkelijk onder de invloed van dat soort mensen. Ze vormen een bedreiging voor mij. Ik ben argeloos. Iedereen wi macht. De mensen die over vrijheid praten, die denken dat de slavenmeester de macht heeft, maar de slaaf heeft ook macht. En zo is de bedrieger niet alleen machtig, maar de bedrogene ook.

Uit: De Interviewer – Ischa Meijer, Prometheus Amsterdam, 1999.

hermans, zuiderluchtbron foto: zuiderlucht.eu

W.F. Hermans (1921-1995, Amsterdam)

Herzberg: groei

Groei

Zo veel wordt bij het winnen ook verloren / lerend liefdes heel te houden vergeet je / hoe ze horen.

Eerlijkheid, in volle bloei bij de geboorte, / ontrijpt bij het volwassen worden / tot een knop. (Winnicott)

O rare makreel die je bent schreef je een keer / en kijk eens wat er is gebeurd / makreel niet meer.

Groei, wat zullen we met je doen / we kunnen je niet snoeien het best is misschien alweer / niet mee bemoeien.

Tenslotte kraakt toch elk bestaan zich een bestaan door / die bestaande lagen. En bonen doppen zelfs / hun eigen boontjes.

Uit: Beemdgras, Van Oorschot Amsterdam, 1968

herzberg, bert megensillustratie: Bert Megens

Judith Herzberg (1934, Amsterdam)

Seamus Heaney: de spoorwegkinderen

De spoorwegkinderen

Toen we de hellingen van de holle baan beklommen / Stonden we oog in oog met de witte knoppen / Van de telegraafpalen en de sissende draden.

Als sierlijk schoonschrift kromden zij zich mijlenver / Naar oost en west van ons vandaan, doorbuigend / Onder hun last van zwaluwen.

We waren klein en dachten dat we niets wisten / Dat het weten waard was. We dachten dat woorden langs de draden reisden / In de blinkende buidels van regendruppels,

Elk ervan geheel bevrucht door het licht / Van de lucht, het glimmen van de lijnen, en wijzelf / Zo onmetelijk verkleind

Dat we door het oog van de naald konden vloeien.

Uit: Mistroostig en thuis, Kwadraat Utrecht, 1987; vertaling Peter Nijmeijer

seamus heaneySeamus Heaney (1939-2013, Castledawson, UK)

Italo Svevo over de literaire roem (die laat kwam)

joyce en svevo, theirishtimesJames Joyce en Italo Svevo (rechts) kenden vanaf 1907 een hechte vriendschap. bron foto: irishtimes.com

De Italiaanse schrijver Italo Svevo (1861-1928, Triëst) heeft lang op zijn literaire doorbraak moeten wachten. Nadat hij al een aantal romans en verhalen had gemaakt en (een deel ervan) gepubliceerd, wachtte er stilte. Om in zijn levensonderhoud te voorzien stortte hij zich in het zakenleven.

In 1907 leerde hij James Joyce kennen. Ondertussen maakte hij kennis met het werk van Sigmund Freud. Hij kwam onder de indruk van Freud’s psychoanalyse. Dat alles leidde tot zijn meest bekende boek: Bekentenissen van Zeno. Die roman zou hem de lang uitgestelde roem brengen.

Over die frusterende situatie waarin de schrijver schrijft maar geen weerklank vindt (bij uitgever en publiek), gaat zijn korte verhaal (novelle) Een geslaagde grap. Daarin de volgende passage over literaire roem:

Bovendien droeg die vervloekte litertuur er haar steentje toe bij om Gaia’s ziel, die er toch volledig van bevrijd leek, te vertroebelen. Je koestert niet straffeloos, al is het maar heel kort, een droom van roem zonder er daarna eeuwig spijt van te hebben en degene die hem blijft koesteren te benijden, ook al zal hij die roem nooit ofte nimmer verwerven. Bij Mario sijpelde die droom uit elke porie van zijn huid, die zo gauw bloosde. De plaats die hem in de Republiek der Letteren niet werd gegund, eiste hij op en bezette hij, bijna tersluiks maar daarom niet met minder recht of met enige beperking. Hij zei wel aan ieder die het horen wilde dat hij al jaren niets meer schreef (waarbij hij gemakshalve de verhaaltjes over vogeltjes vergat), maar niemand geloofde hem, en dat was voldoende om hem met algemene instemming een hoger leven toe te schrijven, hoger dan alles wat hem omgaf.

Uit: Een geslaagde grap, Hema Amsterdam, 1989; vertaling Frans Denissen en Monique Wyers

Het schilderij spreekt tot u: Specht en zoon van Willem Jan Otten

Wat het werkelijk betekent om drager te zijn besefte ik pas toen ik in de imprimatuur stond. Er verschijnt iets op je, maar je krijgt het niet te zien. Daar komt het op neer. Steeds detaillerender blikken vang je, steeds minder begrijp je van jezelf.

Natuurlijk, het is een onbeschrijfelijke ervaring om voor het eerst bestreken te worden, aanvankelijk door de brede, platte kwast waarmee de imprimatuur wordt aangebracht, in dit speciale geval: rauwe omber; en daarna, enkele droogdagen later, door het spitse, vliegensvlugge penseeltje dat de omtrek van de voorstelling op je aanbrengt, met schetsende, zichzelf corrigerende bewegingen; en dan, vele weken lang, door de talloze, steeds in dikte en scherpte variërende penselen die langzaam maar zeker dat aan het gezicht onttrekken wat je tot die tijd bent geweest: het doek – maar hoe olieachtig, prikkelend de scheppingsperiode ook is, het doet je allemaal ook steeds schrijnender weten dat je van je eigen bestaan de grote onbekende zult worden.

Nu ik er echt over nadenk, vond ik het boven alles een hersenloze periode, hoe zinnelijk en zinderend het soms ook kon zijn om de verf te voelen opdrogen op mijn huid. Schepper deed niet anders dan neuriën, mompelen, koffiedrinken, een paar stappen achteruit zetten, op zijn lippen bijten, tussen zijn tanden sissen, zijn rechterpink in zijn neus steken, kijken wat hij te voorschijn had gepeuterd, weer naar mij kijken, een tube opduwen, naar het raam lopen, naar de tafel slenteren, de polaroid bekijken, weer op mij afbenen, zijn ogen samenknijpen, een veegje zetten… Hij was, vond ik, op zijn onappetijtelijkst, ik kreeg sterk de indruk dat hij zich om zo te zeggen volkomen onbespied waande, hij was een en al gekijk geworden, niet alleen naar wat hij aan het maken was, maar vooral naar niks, een beter woord heb ik er niet voor, ik vond dat hij heel vaak naar niks staarde, met een lege, om niet te zeggen dode blik, naar de tuin, waar het was gaan dooien, naar de nagelriemen van zijn duim, naar een detail op mij dat hij kennelijk afhad.

(..)

Eigenlijk alleen toen schepper op een plek in het midden, ongeveer een centimeter of twintig links van mijn midden, uitkwam, las ik iets van een schepperspanning van hem af, ik bedoel: leek hij op de schepper zoals ik mij die had voorgesteld en zag ik dat het werkelijk moeilijk en spannend was om te schilderen. Hij schilderde een kwartier lang met de schele aandacht van iemand die een bom demonteert. Welbeschouwd was dit het enige ogenblik waarop ik dacht: ik word iets bijzonders.

Uit: Specht en zoon, Muntinga Amsterdam, 2007

otten, mark krohn, groene.nlfoto: Mark Kohn; bron foto: groene.nl

Willem Jan Otten (1951, Amsterdam)

Komrij: hoog op de gele wagen

Hoog op de gele wagen

Je hebt goddank twee goede longen, want als je / Rookt, dan piep je niet. Je hebt ook een goed hart / Daarbij, want dans je voor je bed een walsje / Dan voel je je, dolgesprongen, niet benard.

Je hebt immers een zeer fijne neus voor vuile / Lucht, en slinks bespoten snijbonen en sla. / Om het zemelloze kadetje kan je huilen, / En je grijpt zesmaal ’s daags naar de tandpasta.

Doch iedere avond laat hoor je, als verlamd, / Weer die stem die je zegt dat je in alles faalde, / En: ‘Beter een half uur gelukkig in de zwaveldamp / Dan tien jaar maf tussen de dennenaalden.’

Uit: Je kon je redden langs een trap van vuur (Ragnarok! Ragnarok!5)

komrij, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Gerrit Komrij (1944-2012, Winterswijk)