Pirandello laat Tommasino afglijden

luigi-pirandello, metroct.itbron beeld: metroct.it

Het is het verhaal van Tommasino, de subdiaken die het epistel zingt, die uitgestoten door de mensen noodzakelijkerwijs kiest voor zich terugtrekken. Luigi Pirandello (1867-1936) schiep een kort verhaal waarin hij het malheur van Tommasino uit de doeken doet.

Nu is het zo dat het lichaam, ook als de geest zich vastzet in de diepste smart of in een koppig streven, dikwijls de geest laat zitten en stilletjes, zonder iets te zeggen, zijn eigen leven gaat leiden, genietend van de frisse lucht en van gezonde spijzen. En zo gebeurde het dat Tommasino binnen de kortste keren en haast spottenderwijs, terwijl zijn geest steeds meer wegkwijnde en versomberde in die wanhopige overpeinzingen, het welgevoede, weelderige lichaam had gekregen van een dikke abt.

Tommasino? Tommasone was hij nu, Tommasone zingt het epistel! Wie hem zag zou zijn vader gelijk geven. Maar in het dorp wist men wat voor leven de arme jongen leidde; en geen enkele vrouw kon beweren dat ze door hem was aangekeken, zelfs niet vluchtig.

Zich niet meer bewust zijn van zijn eigen bestaan, als een steen, een plant; zich zelfs zijn eigen naam niet meer herinneren; leven om te leven, zonder te weten dat hij leefde, als de dieren, de planten, zonder gevoelens of verlangens of herinneringen of gedachten, zonder nog maar iets dat het leven zin en waarde gaf. Zo: languit in het gras, zijn handen ineengestrengeld achter zijn hoofd, kijken naar de verblindend witte wolken in de blauwe lucht die bol stonden van de zon, luisteren naar de wind die in de kastanjebomen van het bos een geluid maakte als het ruisen van de zee, en in de stem van de wind  en in dat geruis als uit een eindeloze verte de vergeefsheid van alle dingen en de beklemmende eentonigheid van het leven horen.

Wolken en wind.

uit: hij zingt het epistel; uit: De bokkesprong, Coppens & Frenks Amsterdam, 1992; vertaald door Marije de Jager en Anthonie Kee

Luigi Pirandello (1867-1936, Agrigento, It)

Opgroeien met de droomwereld van Ingmar Bergman

Dromen spelen een belangrijke rol in de films van meester-cineast Ingmar Bergman (1918-2007, Uppsala, Zwe). Onderstaand video-essay legt uit hoe en waarom. De films van Bergman zijn een periode lang bepalend geweest voor hoe ik tegen het medium film aankeek. De Zweedse filmregisseur maakte met Fanny en Alexander zijn meest toegankelijke en meest imponerende film wat mij betreft. Een film die voor een belangrijk deel autobiografisch was en die ging over tegenstellingen tussen: toneel en werkelijkheid; vrijheid en gebondenheid; angst en onschuld. Een film die ook over film zelf ging, met die voor Bergman typische noordelijke sfeer van serieuze bedachtzaamheid. Fanny en Alexander is de film die ik met Kerst vaak opnieuw bekijk.

Tom Lanoye Dicht de Dag

lanoye; ccmaasmechelen.bebron beeld: ccmaasmechelen.be

Liquid paper

Natuurlijk hebben we schrik, en denken / dat het beter is er niet meer aan te / denken. Zodat we alleen maar lachend schenken / liefde, wijn, eindeloze nachten zonder schaamte,

niet om genot dat vroeger nog verboden / was, maar om genot dat later / onmogelijk zal worden. Wij zijn de doden / van morgen. Opnieuw aarde en water.

Natuurlijk hebben we angst. Het valt voor, / wanneer we vrijen, dat ik de zachte lijn / bekijk van een borst, je linkse. Dan, daardoor,

ben ik het bangst. Mijn handen zijn / machteloos en tijdelijk. Liefde, ik weet het, / duurt het langst. Maar ik vergeet het

soms.

uit: in de piste. Gedichten, Prometheus Amsterdam, 1984

Tom Lanoye (1958, Sint-Niklaas, Bel)

Magris, de lagune en schipbreuk

magris-claudio; uva.nlbron beeld: uva.nl

In de microcosmische wereld van de Italiaan Claudio Magris gaat het over de lagune. Beeldbepalend voor wie in Venetië of in Triëst woont, zoals Magris. Magris weet treffend te verwoorden wat de lagune betekent, hoe ze zich verhoudt tegenover ons mensen en welke gedachten de lagune uitlokt.

De lagune begint onmiddellijk voorbij de brug met een scheepskerkhof. Uit de zijkant van een schip steekt een omgevallen kraan en de kaapstanders op het dek zijn verroest, maar de trossen zijn nog intact en sterk. Deze schipbreuk is mild; het schip leunt vermoeid en kalm op een zandbank na zo lang vis en vooral zand te hebben gedragen en wacht op zijn ondergang. Van een van de meest vergane platte schuiten zijn bijna alleen de spanten en de kiel over, een abstract borduursel van lange, brutale stangen, maar de andere zijn nog stevig; het hout is hard, de buikige, sterke vorm laat zien hoe bedreven de handen waren die het hebben gevormd, door generaties opeengehoopte kennis van wind en getijden. Op de zijwanden verbleken rode en blauwe strepen, maar hier en daar is de kleur nog levendig en warm.

Er moet heel wat tijd verstrijken voordat de getijden, de regen en de wind die boten in stukken breken en nog meer voordat ze verrotten en verbrokkelen. Het geleidelijke van de dood, hardnekkige weerstand van de vorm tegen de teloorgang. Reizen is ook een hopeloze guerilla tegen het vergeten, een terugtrekkende beweging; stilstaan om de vorm van een vergane stronk te observeren die nog niet helemaal is verdwenen, het profiel van een uiteenvallende duin, sporen van bewoning in een oud huis.

De lagune is passend landschap voor dit trage doelloos rondzwerven op zoek naar tekenen van metamorfose, want de veranderingen, ook die van de zee en van het land, zijn zichtbaar en vinden onder je ogen plaats. (..) De beweging is tastbaar zoals het verstrijken van de tijd op het gelaat van een mens. De winden zijn de grillige architecten van het landschap: de sirocco breekt, de bora veegt en verplaatst, de bries bouwt en herbouwt.

uit: de lagunen; uit: Microcosmi, Bert Bakker Amsterdam, 1998; vertaling Anton Haakman

Claudio Magris (1939, Triëst, It)

Tsjechov typeert de man in een foedraal

Anton Tsjechov (1860-1904, Rus) schreef talloze verhalen en toneelstukken. Daarvoor moet je beeldend en fantasierijk kunnen vertellen en dialogen kunnen schrijven die vertrouwd en ‘gewoon’ klinken. Dat kon de Russische schrijver als geen ander. De herkenbare verhalen die hij schreef hebben een tijdloos karakter en spreken ook twee eeuwen later nog aan. Het waren andere tijden, maar zo voelt het niet als je Tsjechov leest. Bovendien, waar andere schrijvers pagina’s nodig hadden om een sfeer op te roepen of een personage te beschrijven, deed de Rus dat met slechts enkele woorden.

In onderstaand fragment legt de schrijver uit wat een man in een foedraal is. Aanleiding is een verhaal over een vrouw (Mawra), die nooit verder kwam dan haar geboortedorp, veel thuis zat en ’s nachts niet over straat ging.

‘Heus, je treft ze hier op dit ondermaanse bij bosjes aan, van die mensen die, van nature eenzaam, net als de kluizenaarskreeft of een slak in hun huisje proberen weg te kruipen. Misschien hebben we hier te maken met een verschijnsel van atavisme, met een terugkeer tot een tijdperk, toen de voorvader van de mens nog geen gemeenschapsdier was, maar op zijn eentje leefde in zijn hol, of anders is het misschien gewoon een der facetten van het menselijk karakter – wie weet? Ik ben geen natuurhistoricus en het ligt niet op mijn weg me in dergelijke problemen te verdiepen; ik wou alleen maar zeggen dat mensen als die Mawra helemaal geen uitzondering vormen. Kijk, je hoeft niet eens ver te zoeken: een maand of twee geleden is bij ons in de stad een zekere Bjelikow gestorven, een collega van me, leraar Grieks. U zult vast weleens van hem gehoord hebben. Het opvallende aan die man was dat hij altijd, zelfs bij het prachtigste weer, in overschoenen en met een paraplu gewapend op straat liep en zonder mankeren een warme, gewatteerde jas droeg. Zijn paraplu stak in een hoes en zijn horloge zat in een etui van grijs peau de suède en als hij zijn zakmes voor de dag haalde om een punt aan zijn potlood te slijpen, dan kwam dat ook al uit een etuitje; zelfs zijn gezicht leek wel in een etui te zitten, omdat hij altijd rondliep met zijn kraag omhoog, waar zijn gezicht dan achter schuilging. Hij droeg een donkere bril, een borstrok, had watjes in zijn oren en als hij een rijtuig nam, moest de kap per se omhoog… In één woord, die man legde een voortdurend en onweerstaanbaar streven aan de dag zich te hullen in een membraam, zichzelf als het ware een foedraal aan te meten dat hem isoleren moest, hem tegen invloeden van buiten moest beschermen. De werkelijkheid was hem een gruwel, joeg hem schrik aan, hield hem in een toestand van voortdurende onrust en misschien was het wel om zijn schuchterheid en afkeer van het heden te rechtvaardigen dat hij aldoor het verleden ophemelde en dingen prees die nooit hadden bestaan; en de oude talen, waarin hij les gaf, waren bij hem in wezen net zulke overschoenen en net zo’n paraplu, waarin of waarachter hij zich voor het werkelijke leven kon verschuilen.

fragment uit: een man in een foedraal; uit: Huwelijksverhalen, Rainbow Pocket Amsterdam, 1996; vertaling Charles B. Timmer

tsjechov, anton; de.rbth.combron beeld: de.rbth.com

Anton Tsjechov (1860-1904, Taganrog, Rus)

Duo dicht de dag

Heraclitus over rivieren

Niemand stapt tweemaal in dezelfde rivier. / Dezelfde rivier is nooit dezelfde. / Want zo is de aard van water. / In die zin ben jij, gegeven / Je veranderend metabolisme, niet meer jezelf. / De cellen sterven af; en de precieze / Configuratie van de hemellichamen / Toen ze zei dat ze van je hield / Komt zolang je leeft niet meer voor.

Je zult me zeggen dat je een monument / Hebt opgericht, duurzamer dan brons; / Maar zelfs brons vergaat. / Je beste gedicht, je weet welk ik bedoel, / De taal zelf waarin het gedicht / Is geschreven, en zelfs het begrip taal, / Al die dingen zullen mettertijd verdwijnen.

uit: het dwingende verleden, Poetry International Serie Amsterdam, 1988; vertaling Theo Hermans

mahon, derek; bbc.combron beeld: bbc.com

Derek Mahon (1941-2020, Belfast, Nrd-Irl) 

Zwarte dichter

Zwarte dichter, de borst van een maagd / spookt door je geest, / bittere dichter, het leven kolkt / en de stad kookt, / de hemel valt in bakken regen, / je pen krast in het hart van het leven.

Oerwoud, oerwoud, een en al oog / op een veelvoud van gevels; / bliksemend haar, schrijlings berijden / de dichters de paarden, de honden.

De ogen zieden, de tongen draaien, / de hemel stroomt in de neusgaten / als een blauwe moedermelk; / vrouwen, azijnzure harten, / ik mag hangen aan uw monden.

uit: navel der onderwereld, Amsterdam 1981; vertaling Hans van Pinxteren 

artaud, antonin; labaule.combron beeld: labaule.com

Antonin Artaud (1896-1948, Marseille, Fr)

Duo dicht de dag

In deze drukke gelukkige jaren

In dit ons landschap, ieder jaar / karteliger van profiel door / opslag, afslagplaatsen en fabrieken, / in deze onze zee die leger wordt aan leven / naarmate reuzen van gevoel te schaars / om elkaar te ontmoeten alleen, / en korter leven, en worden opgegeten, / de walvissen en alle wriemelende / zielen van de genesis – / op dit ons platgetrapte gras / ouder dan wij, al van de derde dag, / in deze slordige versleten wereld / vergeten wij dat wij het zelf / (kinderen van Adam’s kinderen) / de overbevolking zijn.

Uit: Beemdgras, Van Oorschot Amsterdam, 1968

Judith-Herzberg, dictionnaire-creatrices.combron beeld: dictionnaire-creatrices.com

Judith Herzberg (1934, Amsterdam)

****

Vroeger leerden we de wereld blindelings: / ze was zo klein dat ze in een handdruk paste / zo makkelijk dat ze met een glimlach te beschrijven was, / zo gewoon als de echo van oude waarheden in een gebed.

De geschiedenis deed niet zijn intree met fanfares: / ze strooide vuil zand in onze ogen. / Voor ons lagen verre, blinde wegen, / bitter brood en bronnen van vergif.

Onze oorlogsbuit is kennis van de wereld: / ze is zo groot dat hij in een handdruk past, / zo moeilijk dat ze met een glimlach te beschrijven is, / zo vreemd als de echo van oude waarheden in een gebed.

Uit: Einde en begin Gedichten 1957-1997, Meulenhoff Amsterdam, 2004

wislawa-szymborska; milibroinvolo.itbron beeld: milibroinvolo.it

Wislawa Szymborska (1923-2012, Bnin, Polen)

Vegter: jongensplaats

vegter, anne; nrc.nlbron beeld: nrc.nl

Jongensplaats

Koester liefste onder je vreemde hart je favoriete zintuig. / Je hoort aan mussengekwetter waar je de nacht kan boeken,

kijk niet zo raar. Bakstenen bewaren je hitte, geen kooi / houdt je adem vast. Niet om benijd te worden ben jij mooi

geboren. Je voelt je sexy? Goed antwoord. Je valt in slaap / met kleine letters in je mond ‘ja nahari al-koeboel.’

Speel een nachtje priester. Offer een alibi, toe offer er op los. / Je doet niet langer aan het verschil tussen komen en blijven.

Uit: Eiland berg gletsjer, Querido Amsterdam, 2011

Anne Vegter (1958, Delfzijl)

Vonne van der Meer en de kracht van verbeelding

Nederland, Amsterdam, 20151006
Vonne van der Meer
Foto: Kick Smeets (c) '15bron beeld: filosofie.nl

In Eilandgasten van schrijfster Vonne van der Meer gaat een oudere man, na het overlijden van zijn vrouw, naar een Waddeneiland. Uit zijn innerlijke monoloog begrijpen we dat hij met zelfmoordplannen rondloopt. Een verdrinkingsdood moet het worden. Al lezende valt het op dat er bijna geen alinea is die niet bol staat van negativisme als het gaat om voortleven. Da’s knap.

Her en der gloort er echter iets van hoop op betere tijden. En daarbij speelt verbeelding een rol. De man heeft kinderen en is zich bewust van wat zijn daad voor de nablijvers kan betekenen. Dat inlevinsgvermogen en de verbeelding die daarbij een rol speelt wordt geïllustreerd in het volgende:

Maar ook de radio draaide hij na verloop van tijd naar een taal die hij niet verstond, of zo zacht dat hij amper hoorde wat er werd gezegd. Het enige bericht uit al die stromen berichten dat hij de laatste tijd onthouden had, ging over niets, lucht, vlokken schuim: onderzoek had uitgewezen dat je je spieren ook kon trainen door je alleen maar voor te stellen dat je een oefening deed. Dat was gemeten. Ook bij iemand die zich alleen maar verbeeldde dat hij gewichten optilde, nam de spieromvang toe. Hij had zich nog maar eens omgedraaid en tevreden zijn ogen gesloten. Hij kon voortaan rustig in bed blijven en zich voorstellen dat hij opstond, een douche nam, ontbeet, zich aankleedde, een wandeling maakte, mensen ontmoette. En van al die activiteiten zou hij verslag doen wanneer zijn kinderen hem ’s avonds belden met de rituele vraag: en, wat heb je gedaan vandaag? Hij kon aan het leven deelnemen, ‘weer goed functioneren’ zoals zijn schoonzoon het noemde, terwijl hij deed wat hij het liefste deed, in bed blijven en geen vin verroeren.

Uit: Eilandgasten, Contact Amsterdam, 1999

Vonne van der Meer (1952, Eindhoven)

Mário de Sá-Carneiro, vriend van Pessoa, stierf jong

Op 26 april 1916 hulde een jonge Portugese dichter zich in een Parijse hotelkamer in een smoking, slikte vijf flesjes strychnine en ging op bed liggen. Korte tijd later stierf hij, zesentwintig jaar oud.

Het gaat over de veelbelovende Mário de Sá-Carneiro (189–1916), vriend van de allergrootste Portugese dichter en schrijver Fernando Pessoa, en samen met Pessoa grondlegger van de moderne Portugese poëzie. Tijdens zijn korte leven publiceerde Sá-Carneiro 2 verhalenbundels, een toneelstuk en een dichtbundel. Na zijn dood verschenen postuum een dichtbundel en de uitgave van zijn briefwisseling met Pessoa. Sá-Carneiro is in Portugal een literaire legende.

Van zijn hand lees ik De bekentenis van Lúcio, vertaald door Harrie Lemmens. Het is een novelle die de vriendschap beschrijft tussen de hoofdpersoon, een beginnend schrijver, en de schrijver die hij mateloos bewondert.

Het is een verhaal dat zich overduidelijk aan het begin van de 20-ste eeuw afspeelt. Men gaat uit per koets, viert een losbandig en experimenteel leven en er is optimisme. De novelle speelt zich af in de Parijse kunstenaarskringen waar uiterlijkheden geldend zijn en waar een goed verhaal belangrijker is dan inhoud. Iets waar de hoofdpersoon zich aan ergert.

Om in de kunstenaarskringen zijn weg te vinden, klampt schrijver Lúcio Vaz zich vast aan Gervásio Vila-Nova.

Hoe dan ook was er sprake van een aureool rond zijn figuur. Gervásio Vila-Nova was een man die je op straat nakijkt en van wie je zegt: kijk, dat is nou iemand.

(..)

Wanneer hij met je sprak, schitterde zijn ster nog meer. Hij was een bewonderswaardig converseur, aandoenlijk in zijn fouten, alle dingen waar hij niets van wist, maar die hij met verve en altijd met succes wist te verdedigen; in zijn revolterende, schitterende meningen, in zijn paradoxen, zijn blagues. Een superieur iemand ja, zonder meer! Een van die mensen die zich in je geheugen griffen en je verwarren, van slag brengen. Eén en al vuur, één en al vuur!

Als je hem echter meer verstandelijk bekeek en niet slechts met je verblinde ogen, zag je onmiddellijk dat alles helaas beperkt bleef tot dat aureool, dat zijn genie, verstrooid, gebroken, vurig als het was, en niet meer in staat zich te condenseren in een oeuvre, zichzelf zou verteren – wellicht omdat het té stralend was. En dat gebeurde ook. Hij was alleen geen mislukkeling omdat hij de moed had zichzelf kapot te maken.

Voor een dergelijk iemand kun je geen echte genegenheid voelen, ofschoon hij in wezen een prima kerel was, maar wel denk ik nog steeds met heimwee terug aan onze gesprekken, onze avonden in het café, en kan ik alleen maar concluderen dat het lot dat Gervásio Vial-Nova onderging, echt het mooiste was en hij een groot, een geniaal artiest.

Uit: De bekentenis van Lúcio, Arbeiderspers Amsterdam, 1993; vertaling Harrie Lemmens

 

sa-carneiro, mario; pinterest.caSá-Carneiro links op de foto; bron foto: pinterest.ca

Mário de Sa-Carneiro (1890-1916, Lissabon, Portugal)