Het schilderij spreekt tot u: Specht en zoon van Willem Jan Otten

Wat het werkelijk betekent om drager te zijn besefte ik pas toen ik in de imprimatuur stond. Er verschijnt iets op je, maar je krijgt het niet te zien. Daar komt het op neer. Steeds detaillerender blikken vang je, steeds minder begrijp je van jezelf.

Natuurlijk, het is een onbeschrijfelijke ervaring om voor het eerst bestreken te worden, aanvankelijk door de brede, platte kwast waarmee de imprimatuur wordt aangebracht, in dit speciale geval: rauwe omber; en daarna, enkele droogdagen later, door het spitse, vliegensvlugge penseeltje dat de omtrek van de voorstelling op je aanbrengt, met schetsende, zichzelf corrigerende bewegingen; en dan, vele weken lang, door de talloze, steeds in dikte en scherpte variërende penselen die langzaam maar zeker dat aan het gezicht onttrekken wat je tot die tijd bent geweest: het doek – maar hoe olieachtig, prikkelend de scheppingsperiode ook is, het doet je allemaal ook steeds schrijnender weten dat je van je eigen bestaan de grote onbekende zult worden.

Nu ik er echt over nadenk, vond ik het boven alles een hersenloze periode, hoe zinnelijk en zinderend het soms ook kon zijn om de verf te voelen opdrogen op mijn huid. Schepper deed niet anders dan neuriën, mompelen, koffiedrinken, een paar stappen achteruit zetten, op zijn lippen bijten, tussen zijn tanden sissen, zijn rechterpink in zijn neus steken, kijken wat hij te voorschijn had gepeuterd, weer naar mij kijken, een tube opduwen, naar het raam lopen, naar de tafel slenteren, de polaroid bekijken, weer op mij afbenen, zijn ogen samenknijpen, een veegje zetten… Hij was, vond ik, op zijn onappetijtelijkst, ik kreeg sterk de indruk dat hij zich om zo te zeggen volkomen onbespied waande, hij was een en al gekijk geworden, niet alleen naar wat hij aan het maken was, maar vooral naar niks, een beter woord heb ik er niet voor, ik vond dat hij heel vaak naar niks staarde, met een lege, om niet te zeggen dode blik, naar de tuin, waar het was gaan dooien, naar de nagelriemen van zijn duim, naar een detail op mij dat hij kennelijk afhad.

(..)

Eigenlijk alleen toen schepper op een plek in het midden, ongeveer een centimeter of twintig links van mijn midden, uitkwam, las ik iets van een schepperspanning van hem af, ik bedoel: leek hij op de schepper zoals ik mij die had voorgesteld en zag ik dat het werkelijk moeilijk en spannend was om te schilderen. Hij schilderde een kwartier lang met de schele aandacht van iemand die een bom demonteert. Welbeschouwd was dit het enige ogenblik waarop ik dacht: ik word iets bijzonders.

Uit: Specht en zoon, Muntinga Amsterdam, 2007

otten, mark krohn, groene.nlfoto: Mark Kohn; bron foto: groene.nl

Willem Jan Otten (1951, Amsterdam)

Advertenties

Komrij: hoog op de gele wagen

Hoog op de gele wagen

Je hebt goddank twee goede longen, want als je / Rookt, dan piep je niet. Je hebt ook een goed hart / Daarbij, want dans je voor je bed een walsje / Dan voel je je, dolgesprongen, niet benard.

Je hebt immers een zeer fijne neus voor vuile / Lucht, en slinks bespoten snijbonen en sla. / Om het zemelloze kadetje kan je huilen, / En je grijpt zesmaal ’s daags naar de tandpasta.

Doch iedere avond laat hoor je, als verlamd, / Weer die stem die je zegt dat je in alles faalde, / En: ‘Beter een half uur gelukkig in de zwaveldamp / Dan tien jaar maf tussen de dennenaalden.’

Uit: Je kon je redden langs een trap van vuur (Ragnarok! Ragnarok!5)

komrij, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Gerrit Komrij (1944-2012, Winterswijk)

Judith Herzberg: maal 2

o de jonge moeders

O de jonge moeders in het park, / wat kunnen ze foeteren; / je zou bijna gaan denken dat zij / van de kinderen moederen moeten.

lig links

lig links / op je hart / dat plet / wat verwart.

Judith_Herzberg_, groene amsterdammerbeeld: Konstantinos Papamichalopoulos; bron beeld: groene.nl

Judith Herzberg (1934, Amsterdam)

Uit: Beemdgras, Van Oorschot Amsterdam, 1968 en Dagrest, Van Oorschot Amsterdam, 1984

Daniil Charms liet de logica los

daniil charms

bron foto: revistastudio.com

In het kader van de Boekenweek 2019 verscheen er een bloemlezing Russische Moeder-verhalen. Daaronder dat ene merkwaardige verhaal van Daniil Charms (1905 – 1942). Vader en moeder in een kamer in een flat op de tweede verdieping. Twee bediendes erbij. Er wordt (stevig) gedronken. Er doen zich vreemde verschijnselen voor. Voor het raam en uit hoeken en gaten verschijnen mensen. Een surrealistische en absurdistische vertelling.

Daniil Charms is een kleurrijk figuur in de Russische literatuur met een bizar leven. Hij stierf jong (37 jaar) van honger, uitputting en ziekte. Op zijn sterfdag bevond hij zich op de psychiatrische inrichting van het gevangenisziekenhuis van Kresty. Het was 1942 en het Leningradse ziekenhuis werd gebombardeerd door de Duitsers. Het personeel liet Charms aan zijn lot over.

Charms was een slachtoffer van de Stalin-terreur. Een lange man, slank met pijp en teckel die Eer heette en dat was de afkorting van Eer de gedachtenis aan de dag van de slag bij Thermopylae. Charms liet de logica in zijn leven vieren want dat zorgt maar voor beperkingen. Hij schreef korte verhalen, sprookjes, gedichten, toneelstukken en brieven. Maar alles dik overgoten met een absurdistische saus. In de jaren 10 en 20 van de vorige eeuw was dat nog leuk. Onder Stalin, die een hekel had aan vrije geesten, werd je daarvoor opgesloten. En zo geschiedde in Charms geval.

Bij Van Oorschot verscheen onlangs een bloemlezing van zijn werk. Daaruit dit gedicht dat een blik werpt op Charms eigenzinnige en absurdistische levenswandel. Het heet:

Waar kom ik vandaan?

Krukje tafeltje vaatje / emmer koekoek haardje / bezem koffer jakje / voetbal smidse kakkerlakje / deur op de haak / bezem aan staak / vier kwastjes aan een japon / acht punaises aan ’t plafond.

Daniil Charms – Werken, Van Oorschot Amsterdam, 2019

Moedertje lief, Russische moederverhalem, Van Oorschot Amsterdam, 2019

De wolf in Edna O’Brien’s Rode Stoeltjes

Mijn vader maakt me van een jongen tot een man. Dan komt er een wolf in onze buurt. We hebben hem niet gezien, maar we zijn gewaarschuwd. We weten dat hij van over de berg komt, waar de vijand woont. Twee nachten loopt hij om ons huis. We horen hem huilen, een geluid met niets te vergelijken, een wild gejank. Op een nacht janken onze honden in de schuur en mijn vader pakt zijn geweer van de muur en gebaart dat ik mee moet. Ik ben tien jaar. Ik kom niet boven de sneeuw uit. We lopen over een pad dat door de sneeuw gegraven is en op een heuvel zien we de wolf, hij staat doodstil naar ons te loeren met zijn gele ogen. Mijn vader kijkt langs de loop en ik verbeeld me dat ik nu nog de kogel hoor inslaan in de schoft van de wolf, naast zijn hart. Mijn vader kon heel goed schieten. Toen nog een, en nog een, en dan zakt de wolf door zijn poten en valt van de heuvel, het bloed donkerder rood dan rode wijn. Ik moet van mijn vader mee naar de plek waar de dode wolf ligt. Moet in zijn ogen kijken. Naar zijn flank kijken. Hem aanraken. Daarna moet ik het bloed van mijn vinger likken, en hij doet dat ook. Hij zet oorlogsstrepen op mijn voorhoofd en initieert me in het mysterie van het doden. Elke man heeft diep van binnen het instinct om te doden, zoals elke vrouw diep van binnen het instinct heeft om te verzorgen.

edna o'breinbron foto: irishamerica.com

Edna O’Brien (1930, Iers)

Uit: De rode stoeltjes, Bezige Bij Amsterdam, 2017; vertaling Paul Bruijn en Molly van Gelder

Een actueel boek, dit Rode stoeltjes. Maar vooral een indrukwekkende vertelling. Een boek over de oorlog op de Balkan, over de aard van het kwaad, de vluchteling en hoe die zich ver van zijn moederland moet zien te redden in een samenleving die zich met de rug naar hem toe draait. Over hoe liefde weer probeert alles op z’n pootjes te krijgen en mensen weer zin geeft en toekomst biedt. Een boek dat je weg moet leggen om bij te komen van de gruwel die mensen elkaar aan doen. Een boek ook dat verhaalt over sterke vrouwen. En een boek dat laat zien dat de dader gestraft wordt, altijd en overal. Heeft u meer aanbeveling nodig?

‘De grote Edna O’Brien heeft met De rode stoeltjes haar meesterwerk geschreven.’ Philip Roth

Nijhoff: twee reddeloozen

Twee reddeloozen

Zij gaat ’s nachts vaak naar de haven / Waarheen ze vroeger met mij ging, / Aan de eeuwige zee, aan de sterren, / Vraagt ze waarom het voorbij ging –

En de wind en de lichten der schepen / Zeggen dat al wat voorbijgaat / Op een reis zonder thuisreis / Naar een einde waar niemand ons bijstaat –

In mijn hooge verlichte venster / Tusschen schoorsteene’ en torenklokken / Heb ik tegenover den hemel / Een eenzame voorpost betrokken.

In alles te kort geschoten, / Staar ik bij het raam op de stad / En vraag: was ik grooter geworden / Wanneer ik had liefgehad?

Uit: Vormen, Van Dishoeck Bussum, 1924

nijhoff, literatuurmuseum.nlM. Nijhoff (1894 – 1953)

bron foto: literatuurmuseum.nl

Carol Ann Duffy: woorden, weidse nacht

Woorden, weidse nacht

Ergens aan de andere kant van deze weidse nacht / en de afstand tussen ons, denk ik aan jou. / De kamer draait langzaam weg van de maan.

Dit is genoeglijk. Of zal ik dat doorkrassen en zeggen / dat het droevig is? In een van de tijdsvormen zing ik / een onmogelijk lied van verlangen dat jij niet kunt horen.

La lala la. Zie? Ik sluit mijn ogen en stel me / de donkere heuvels voor waarover ik moet gaan / om jou te breiken. Want ik ben verliefd op je

en dit is zoals het nu is, of zoals dat is in woorden.

Carol-Ann-Duffy-inews.combron foto: inews.co.uk

Carol Ann Duffy (1955, Schots)

Uit: Selected poems, Penguin Londen, 2006

Ariel Dorfman: het meisje verliest haar eerste tandjes

Het meisje verliest haar eerste tandjes

en wie is dat die / naast oom Roberto?

maar kindje, dat is toch je vader.

en waarom komt pappa niet?

omdat hij niet kan.

is pappa dood / dat hij nooit komt?

en als ik haar zeg dat pappa / leeft / dan lieg ik / en als ik haar zeg dat pappa / dood is / dan lieg ik.

en daarom zeg ik haar het enige dat ik kan zeggen / en dat geen leugen is: / hij komt niet omdat hij niet kan.

Wallace-ArielDorfman, newyorker.combron foto: newyorker.com

Ariel Dorfman (1942, Argentijns-Chileens-Amerikaans)

Uit: Verdwijnen, De Populier Amsterdam, 1985; vertaling Eric Gerzon

Willem Jan Otten: voorvaarwel

Voorvaarwel

Ik heb haar op de Lorely-expres gezet. / De tree was ver. In de diepte blonk een fles.

Ongeëvenaard is onze eeuw waar het gaat / om vaarwel. Zij is van negentien nul.

In Bazel zei ze worden wij wakker van ijzer, / daar worden we gerangeerd. Ik knikte, ofschoon

geen sprake kon zijn van wij: zij reisde alleen. / Reisde een reis door reizen van voorheen.

Zullen zij er morgen staan? Ik knikte, ofschoon / geen idee van wie zij zouden zijn. Gaf haar mee

met een arrangement per travel-agency.

Er was iets grijs in haar blik dat ditmaal / de reis niet verder zou gaan dan dit vaarwel.

Uit: Na de nachttrein, Querido Amsterdam, 1988

Otten. mark kohn ilfufoto: Mark Kohn; bron foto: ILFU

(Willem Jan Otten, 1951)