Berlijn Alexanderplatz van Döblin: potentie-problemen

doblin, alfred, swr.debron foto: swr.de

Berlijn Alexanderplatz is episch, een grotestads-roman en een gewaagde en gelukte poging om iets wezenlijks aan schrijfstijl en -techniek toe te voegen. Alfred Döblin koppelt advertenties, nieuws, reclameslogans, citaten uit literatuur en wetenschap (zelfs pictogrammam) altijd aan inhoudelijk motieven. Dat is om het onderwerp te verdiepen en van diverse kanten te belichten. Een voorbeeld: Na de gevangenis verlaten te hebben (hoofdpersoon Franz Biberkopf heeft zijn toenamelige vriendin zwaar mishandeld) gaat Biberkopf op zoek naar sex.

De seksuele potentie komt tot stand door de samenwerking van 1. het interne secretoire systeem, 2. het zenuwstelsel, 3. het geslachtsapparaat. De bij de potentie betrokken klieren zijn: hersenaanhangsel, schildklier, bijnier, prostaat, zaadblaasjes en bijbal. In dit systeem is de geslachtsklier het belangrijkst. Als gevolg van de door deze klier vervaardigde stof wordt het hele seksuele apparaat geladen, van de hersenschors tot en met de genitaliën. De erotische indruk zet de erotische spanning van de hersenschors in gang, de stroom beweegt zich als een erotische opwinding van de hersenschors naar het schakelcentrum in de tussenhersenen. Dan daalt de opwinding af naar het ruggenmerg. Niet ongeremd, want voordat ze de hersenen verlaat, moet ze de remschoenen van de remmingen passeren, de voornamelijk psychische remmingen, die als morele bedenkingen, gebrek aan zelfvertrouwen, angst voor blamage, infecties en zwangerschap en dergelijke meer een grote rol spelen.

(..)

Testiforan, patentnummer 365695, seksueel medicijn, een vinding van dokter Magnus Hirschfeld en dokter Bernhard Schapiro, Instituut voor Seksuologie, Berlijn. De hoofdoorzaken van impotentie zijn: a. onvoldoende toevoer door functionele storing van de interne secretoire klieren, b. te grote weerstand door overmatige psychische remmingen, uitputting van het erectiecentrum. Het moment waarop de impotente man zijn pogingen weer moet hervatten, kan alleen per individueel geval bekeken worden. Een pauze is vaak aan te bevelen.

En hij (Franz Biberkopf, re) vreet zich weer vol en slaapt uit, en de volgende dag op straat denkt hij: die wil ik hebben, en die wil ik hebben, maar hij laat ze allemaal lopen. En die daar achter dat raam, zo’n lekker ding, dat zou wat voor me wezen, maar ik blijf ervan af. En gaat weer in de kroeg zitten en kijkt niemand aan en vreet zich weer vol en zuipt. Nu ga ik alle dagen niks anders doen dan vreten, zuipen en slapen, en daarmee is het leven voor me afgelopen. Punt uit.

Uit: Berlijn Alexanderplatz, Wereldbibliotheek Amsterdam, 2015; vertaling Hans Driessen

Alfred Döblin (1878-1957, Stettin, Polen)

Het virus: gelukt

Gelukt

Het is gelukt; er ligt damast op tafel en er staat kristal / het zilver glimt de kaarsen branden al. Wij zijn gearmd / hierheen gekomen om te schreeuwen onrecht onrecht. / Met één ruk trekt iemand het servies van tafel, alles / stuk. Je bukt je, snijdt je aan een scherf – / niet erg zeg je niet erg, wij zijn het zelf / die het gelukt is, ook de val.

Uit: Wat zij wilde schilderen, de Harmonie Amsterdam, 1996

herzberg, judith; nu.nlbron foto: nu.nl

Judtih Herzberg (1934, Amsterdam)

Ivan Klíma en de eeuwenoude simpelheid van de profeet

Ik had er nooit aan getwijfeld dat alle profeten een flinke dosis dwaasheid in zich moeten hebben gehad. Alleen al omdat een normaal mens zich op voorwerpen richt en een profeet op visioenen.

Soms gebeurt het echter dat een profeet de massa met zich meekrijgt, waarna die zich dan voor enkele ogenblikken aan zijn visioenen vergaapt. En omdat een normaal mens zich onder andere daardoor van een dwaas onderscheidt dat hij ook iets wil realiseren, begint de massa zo’n visioen te verwezenlijken. Uiteraard eindigt alles weer met een terugkeer naar de wereld van de dingen, en wel met een nog hartstochtelijker idolisering  van die dingen en ten slotte zelfs met steniging van de profeten.

Dat is de eeuwige kringloop, de strijd tussen het stoffelijke en geestelijke, tussen het aards op dingen gericht zijn en dromerige simpelheid, tussen het verlangen om dingen te bezitten en om een verzoening tot stand te brengen met wat bovenmenselijk is.

Mij ligt die eeuwenoude simpelheid van profeten na aan het hart. Ik sta daarachter, ook al weet ik dat profeten veroordeeld zijn tot spot, smaad en steeds hernieuwd gemis aan begrip. Toch waren zij het die al in het verste verleden begrepen hebben wat tegenwoordig ook minder helderzienden beginnen door te krijgen, namelijk dat het waanzinnige verlangen om dingen te bezitten en de wereld te bedwingen, in plaats dat men zichzelf bedwingt, de mens steeds verder afbrengt van de levensbronnen.

Uit: Praagse ochtenden, Wereldbibliotheek Amsterdam, 1990; vertaling Kees Mercks

klima, ivan, irishtimes.combron foto: irishtimes.com

Ivan Klíma (1931, Praag, Tsjechië)

Claus: oktober’43

Oktober 1943

lX

Ruik aan deze sigaret, / mannetje met de pet. / Engelse tabak. Dringt door merg en been.

De piloot van de Spitfire sprong. / Zijn valscherm opende niet. / Hij kwakte tegen de muur van de fabriek. / De bakstenen stonden in vlam / en God strooide sloffen Camels / over het dorp.

Ruik. Rook. Zuig. Proef / de smaak van jonge dood.

Uit: Oktober 1943, Bezige Bij Amsterdam, 1998

claus, hugo; knack.bebron foto: knack.be

Hugo Claus (1929-2008, Brugge, België)

Vrije gedachten op wc-papier

De Corona-crisis beheerst ons dagelijks leven. De moeilijkheid is om ratio boven angst te blijven plaatsen, althans voor velen van ons. En akkoord te gaan met het inzicht dat de mens niet alles beheerst, controleert en maken kan. Een klein virus zit dat allemaal in de weg en de paniek is groot.

Een verschijnsel dat vraagtekens oproept: hamsteren als reactie op die angst en controleverlies. Specifiek: het hamsteren van toiletpapier. Enige geldige reden daarvoor?

In dat kader even iets heel anders, maar het gaat wel over wc-papier. Ik citeer de Keniaanse schrijver Ngugi wa Thiong’o. Werd in 1978 gearresteerd en als politiek gevangene achter slot en grendel gezet. Dat duurde 11 maanden voordat hij weer werd vrijgelaten. Tijdens die periode schreef hij een dagboek. Daaruit het volgende fragment:

Schrijven op wc-papier?

Wat ik nu weet, is dat papier, elk soort papier, zo ongeveer het kostbaarste is voor een politiek gevangene, en zeker in mijn geval, want ik word vastgehouden om wat ik heb geschreven. De drang tot schrijven is bijna onweerstaanbaar voor een politieke gevangene. In Kamiti zijn praktisch alle gedetineerden schrijvers of componisten. Die gevangenen hebben voor het merendeel geschreven op wc-papier. En nu heeft datzelfde brave ouwe wc-papier mij in staat gesteld dagelijks de hechtenis van mijn geest – de bedoeling van mijn hechtenis – te trotseren.

Door het schrijven van deze roman heb ik elke dag, elk uur haast, duidelijk gemaakt dat ik een mens wil blijven, en vrij, ondanks het officiële plan van de regering om politieke gevangenen tot beesten te degraderen.

Uit: schrijvers schieten ze toch ook dood? – George Theiner, Ambo Baarn, 1984.

ngugi, james, bbc.co.uk

bron foto: bbc.co.uk

Ngugi wa Thiong’o (1938, Kamirithu, Kenia)

 

Mysliwski laat me met de bonen zitten

Ik was er even beduusd van. Moest even bij zinnen komen. Laten indalen. Dat boek van Wieslaw Mysliwski: Over het doppen van bonen. (Mysliwski: ‘ik schrijf geen boeken, ik praat ze’). Wat een meesterwerk. Een boek over het lot en het toeval. Over de jeugd, het gezin, de liefde, het ouder worden. Over ziek zijn, over vergankelijkheid, verlies, herinneringen. Over het platteland, de natuur, dieren. Over werken op de bouw, saxofoon en in een orkest spelen. Over de vrouw. Over oorlog. Kortom, over het leven. Het leven zoals zich dat voordoet en zoals je dat ondergaat en waarin toeval en het lot een belangrijke rol spelen.

Dit boek praat voortdurend met je. Het neemt de tijd. Althans de hoofdpersoon. De hoofdpersoon is een kletskous, is onophoudelijk aan het woord en sleept je mee door zijn leven. Ondertussen ontvouwt zich het grote drama, met humor. En wat kan die kletskous vertellen! En al die levenswijsheden, die vragen waarop soms wel en vaak niet een antwoord komt. Het is overrompelend. Nog een klein voorbeeldje en de rest moet u maar zelf gaan lezen in dat prachtige boek.

Jonge klanten hebben mij altijd ontroerd. En vooral sinds ze van mijn winkel een staatswinkel hebben gemaakt en ik veel meer tijd heb om na te denken. Gelooft u me, ik kan naar een jong gezicht staren als naar een schilderij. Dan mag er hier wekenlang geen jongere binnenstappen, want waarom zou hij, ik kan me er heel goed een voorstellen. Die nauwelijks getekende trekken, die alleen al geen besliste uitdrukking willen aannemen, omdat ze niet willen dat de verre schaduw van de dood erin kan worden gevat. Want de dood is nu eenmaal de meest subtiele maat van de jeugd, ouderdom heeft geen behoefte meer aan maat. Jeugd is, om zo te zeggen, de gewichtloze staat, de enige die het leven te bieden heeft. Waarmee kun je die anders meten dan met de dood? Er is geen andere maat, omdat de mens er zich niet eens bewust van hoeft te zijn dat hij jong is. Dat bewustzijn komt weliswaar altijd later dan verwacht of gewenst, los van elke leeftijd. Daarop is ons menselijk lot gebaseerd. Dat het altijd te laat komt. Altijd als alles al voorbij is. Want bewustzijn is ons lot, niet het leven. Of ons leven het leven waard was, of niet per se, wordt pas door het lot beslist. Het leven is wat zonder verband voortgaat, zonder doel, dag in dag uit, het vaakst door de wil van het toeval, dat we moeten zijn, omdat we zijn. Het lot heeft de mens daarentegen ingesteld als een soort erkenning voor het leven. En alleen die korte periode van de jeugd doet ons beseffen hoe gelukkig eeuwigheid eruit zou kunnen zien.

Uit: Over het doppen van bonen, Querido Amsterdam, 2011; vertaling Karol Lesman

Wieslaw_Mysliwski, wikipedia.orgbron foto: wikipedia.org

Wieslaw Mysliwski (1932, Dwikozy, Polen)

Nijhoff: impasse

Impasse

Wij stonden in de keuken, zij en ik. / Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag. / Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag / wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf, / en de kans hebbend die ik hebben wou / dat zij onvoorbereid antwoorden zou, / vraag ik: waarover wil je dat ik schrijf?

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan, / haar hullend in een wolk die opwaarts schiet / naar de glycine door het tuimelraam.

Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan / druppelend water op de koffie giet / en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.

Uit: Nieuwe gedichten, Querido Amsterdam, 1934

nijhoff, nrcbron foto: nrc.nl

Martinus Nijhoff (1894-1953, Den Haag)

Annie M.G.: literatuur

Literatuur

Toen ik verloofd was met René / die zoveel hield van Hemingway, / las ik het werk van Hemingway / omdat dat werk me zoveel dee. / Maar toen het uit was tussen ons, / toen kreeg ook Hemingway de bons.

Daarna was ik met Guus verloofd / en kende Ibsen uit mijn hoofd. / Later, met Peter, hield ik zo / enorm van Valéry Larbaud.

Maar ik ben nooit verloofd geweest / met iemand die Homerus leest, / en ik heb nooit een man bemind / die Rabelais het hoogste vindt.

Er zijn dus nog verscheidene gaten, / helaas, in mijn cultuur gelaten. / Ik hoop nog altijd op Pascal, / maar wat dan ook, in elk geval:

hoe meer het aantal liefdes stijgt, / hoe meer ontwikkeling men krijgt.

Uit: Tot hier toe, Querido Amsterdam, 1987

Annie_M.G._Schmidt,wikipedia.org.jpgbron foto: wikipedia.org

Annie M.G. Schmidt (1911-1995, Kapelle)

Komrij: de zwijgzaamheid

De zwijgzaamheid

Eer maakt men lakens wit met inkt, / Eer speelt men schaak met bezemstelen, / Eer vindt men nog een roos die stinkt, / Eer ruilt men stenen voor juwelen,

Eer breekt men ijzer met zijn handen, / Eer zal men stijgen in valleien, / Eer legt men een garnaal aan banden, / Eer leert men geiten kousen breien,

Eer plant men bomen op de weg, / Eer zal men kakken in zijn hoed, / Dan dat ik u mijn ziel blootleg / En zeg wat ik thans lijden moet.

Uit: Alle gedichten tot gisteren, Singel Amsterdam, 2004

komrij-door-theo-daamen literatuurmuseum.nlKomrij geschilderd door Theo Daamen, bron illustratie: literatuurmuseum.nl

Gerrit Komrij (1944-2012, Winterswijk)

Barnard: het meer in mij

Het meer in mij

Het meer in mij vloeit uit een ander meer, / beneden, voort. Het is niet vergelijkbaar groot. / Het is een woord, waarvan de diepte anders is. / Je kunt erin verdrinken, maar je gaat niet dood.

Zijn oorsprongen verwisselbaar? Alles stroomt / ook naar boven, want wateren zijn van hun bron / al evenzeer de bron. Begin dat nooit begon. / Eeuwig is er een rivier, niets blijvends, tussenin.

Mijn meer is niet beneden. Beneden reflecteert / de zon, de schittering van het verleden. Je naam, / in water opgeschreven, vervalt nog niet daarom.

Uit: Het meer in mij, Arbeiderspers Amsterdam, 1986

knack.be, barnardbron foto: knack.be

Benno Barnard (1954, Amsterdam)

Omdat water onophoudelijk stroomt en terugkeert naar zijn bron, omdat water de ongrijpbare stroom én de vlakke spiegel van het meer is, omdat mijn meer, dat een woord is, anders is en hetzelfde als het meer daar beneden, omdat taal meer is dan water. Daarom verdwijnt en blijft je naam, opgeschreven in het water van tijd en taal.

Uit: De dichter is een koe – Hugo Brems, Arbeiderspers Amsterdam, 1991