Edna St. Vincent Millay: al wie mijn lippen kusten

Al wie mijn lippen kusten

Al wie mijn lippen kusten, waar, waarom, / Vergat ik; ook de armen, ooit gelegen / Onder mijn hoofd tot ’s morgens. Maar de regen / Is deze nacht vol geesten, die de trom / Van ’t venster roeren, horen of ik kom. / En in mijn hart gaat kalme pijn bewegen / Om jongens, door ’t geheugen doodgezwegen; / Geen keert zich ’s nachts nog roepend naar mij om. / Zo staat een boom er ’s winters eenzaam bij. / Niet wetend welke vogels zijn gevlogen, / Weet hij zijn takken stiller dan tevoren. / Mijn liefdes staan me niet meer zo voor ogen; / Ik weet slechts dat de zomer zong in mij, / Heel even, maar hij laat zich niet meer horen.

ednamillay2cbarehouse.com_

bron foto: barenose.com

Edna St. Vincent Millay (1892 – 1950, USA)

Uit: Collected Poems, New York; vertaling Jan Kal

William Butler Yeats: Leda en de zwaan

Leda en de zwaan

Een slag – en groots boven haar wankelval / klapwiekt hij nog, strelende met de duistre / vliezen haar dij, haar nek omsnaveld al, / haar borsten weerloos aan zijn borst gekluisterd.

Hoe moeten, van haar wijkende dijen, vaag / die angstvingers de veren pracht vandaanslaan? / Wat kan, in die witte stormloop neergevlaagd, / het vlees dan op zich ‘ t vreemd hart voelen aangaan?

Een sidd’ren in de lendenen verwekt / de muur in puin, torens in vlam en rook, / en Agamemnon dood. / Zo zijnde ontrukt, / door ’t woest bloed van de lucht zó overladen, / gewerd haar met zijn macht zijn weten ook / voor haar zijn bek weer achtloos los kon laten!

WBYeats-Lissadellhouse.com

bron foto: lissadellhouse.com

William Butler Yeats (1865 – 1939, Brits)

Uit: the Collected Poems of W.B. Yeats, Macmillan Londen, 1976; vertaling A. Roland Holst

Simon Armitage: die klootzakken in hun villa’s

Die klootzakken in hun villa’s: / als je ze zo hoort gillen, zou je denken / dat ik de honden had vergiftigd en over de greppels was gesprongen, / de gazons met kousenvoeten en versleten broek was overgestoken, / de deur van een van de poorten had geforceerd, en aan de brandende fakkels / de gave van het vuur had ontnomen,

om vervolgens warmte en licht aan de straten en huizen te geven, / de mensen te vertellen hoe zich van hun ketenen te ontdoen, / hen te wapenen met het ijzer van hun polsen en enkels.

Deze heren en dames in hun paleizen en kastelen, / ze zouden me laten opsporen door hun jachthonden, / bepikken door hun roofvogels, neerdrukken, roosteren in de zon.

Ik, ik blijf in de schaduw, met een geweer.

simon-armitagebron foto: interestingliterature.com

Simon Armitage (1963, Brits)

Uit: simonarmitage.typepad.com; vertaling Jelle Nesna

Siegfried Lenz vertelt over het Servisch meisje

Siegfried Lenz werd in 1926 in Lyck, Duitsland geboren. Studeerde in Hamburg waar hij ook woonde tot hij overleed in 2014. Lenz schreef toneelstukken, hoorspelen en romans, maar ook korte verhalen. Hij was bovendien journalist bij Die Welt. Hij was lid van Gruppe 47. Samen met Grass en Böll behoort Lenz tot de Grote Drie van de Duitse na-oorlogse literatuur.

In het korte verhaal Het Servisch meisje volgen we Dobrica, die haar land verlaat en op zoek gaat naar haar vakantieliefde Achim, die in Hamburg woont. Zonder paspoort en met het allernoodzakelijkste gaat het Servische meisje op zoek naar haar minnaar in Duitsland, die een lepel in tweeën brak, haar het lepelblad gaf en een belofte deed. Na enige omzwervingen vindt ze haar Achim.

servische meisje

Toen zij het ogenblik rijp achtte, viste ze uit haar leren tasje de afgebroken lepel, legde hem zwijgend op de tafel en riep door dit gebaar de avond aan het strand op, toen Achim, nadat hij het bestek in de zee had afgewassen, plotseling een aluminiumlepel brak, haar het blad gaf en zelf de steel hield en daarbij iets zei wat ze niet verstond, niet hoefde te verstaan omdat ze allang begrepen had wat hij bedoelde en wat voor eeuwig gold. Hij staarde naar het lepelblad, hij slaagde erin het zich te herinneren en hij stond op en zocht in twee laden, gooide een houten kom leeg, waarin allerlei souvenirs en belangrijke niemendalletjes verzameld waren, hij vloekte, dacht na, keek zelfs in de bestekla in de keuken – de passende lepelsteel vond hij niet. Dobrica hield hem tegen toen hij een andere lepel in tweeën wilde breken. Ze liet hem zijn zelfverwijt, zijn ergernis, en had niets te zeggen toen hij de gedachte uitsprak dat hij de lepelsteel bij de verhuizing was kwijtgeraakt. Een gevoel dat zij nooit tevoren had gekend beheerste haar opeens; ze dacht dat haar ledematen verstijfden en dat zij niet meer gecontroleerd zou kunnen bewegen. Ze zegt dat ze de kus, waarmee hij haar om vergiffenis vroeg, niet heeft gevoeld.

Uit: Het Servische meisje – Siegfried Lenz, vertaling W. Wielek-Berg, 1987

Majakovski: regels over verschil van smaak

Regels over verschil van smaak

Een paard zag / een dromedaris, / en zei: / ‘Wat een enorm / bastaardpaard / ben jij.’ / ‘Ben jij wel / een paard?!’ / riep de dromedaris. / ‘Je bent gewoon / een dromedaris / die niet klaar is.’ / Slechts voor God, grijsgebaard, / was het helder als glas, / Dat het / dieren betrof / van verschillend ras.

1928

majakovski

Vladimir Majakovski (1893 – 1930), zoon van een houtvester in Georgië. Woonde na de dood van zijn vader in Moskou, waar hij vanaf 1911 de kunstacademie bezocht. Kwam in contact met de futuristen, die hij zag als voorvechters van de nieuwe cultuur: direct na de revolutie stelde hij zijn talent in dienst van het communisme.

Hij publiceerde verscheidene dichtbundels; speelde filmrollen; ontwierp affiches; schreef toneelstukken en reisde in binnen- en buitenland om voor te dragen uit eigen werk.

In 1928 brak hij met de futuristen. Vervreemd van zijn omgeving en teleurgesteld in zijn idealen, maakte hij op 14 april 1930 een einde aan zijn leven.

Uit: Bloemlezing van de Russische poëzie – Marja Wiebes en Margriet Berg, Plantage Leiden, 1997

Mies Bouhuys: de zolder

Het landschap komt uit deze poëzie naar voren als wat ik zou willen noemen: het landschap van haar ziel, een landschap waarin bomen, planten, plassen, wolken, regen en mist een van de mens uit bepaalde be-teken-is ontvangen. Kortom, het is op twee manieren ‘werkelijk’min Mies Bouhys’ gedichten; het heeft twee dimensies, een ‘materiële’ en een ‘psychische’. In deze ‘zielslandschappelijke werkelijkheid’ nu is het, dat zich een ander eenzijn heeft geprojecteerd dan de eenheid met de natuur: de gemeenschap van man en vrouw.

Ad den Besten

De zolder

De zolder ruikt naar boeken, / waar niemand meer in leest, / hun kromgetrokken hoeken / zijn eenmaal mooi geweest.

Toen stonden ze beneden: / – ik was nog maar heel klein – / sommige goud op snede / in één in marokijn.

Wie wil ze nu nog hebben, / beschimmeld en besmeurd, / vol stof en spinnenwebben / en ieder blad verkleurd?

Maar als ik er in blader, / hier lees, daar platen kijk, / dan opent zich een ader / naar een verloren rijk.

Remy gaat met zijn hondje / eenzaam de wereld door. / Remy, ach, ik verstond je, / daar is geen uitweg voor.

Om zijn de tachtig dagen, / maar waar blijft Phileas Fogg? / De klok heeft al geslagen, / komt hij niet meer of toch?

Zou kleine Kai nog leven? / Gaat Gerda hem nog na? / Alles is zo gebleven / of wordt weer zo weldra.

Dag dromenman Jules Verne, / dag rare broeders Grimm, / dag zon, dag maan, dag sterren, / dag kleine zeemeermin.

mies bouhuys

Maker foto onbekend, bron: Het Parool.

Maria Albertha (Mies) Bouhuys (1927 – 2008), scenario-, toneel- en kinderboeken-schrijfster. Ook schreef ze gedichten. Ze was woonachtig in Amsterdam.

Bouhuys was gehuwd met de dichter Ed. Hoornik. Ze werd opgeleid tot onderwijzeres maar stond nooit voor de klas. In 1958 trad ze in dienst van de AVRO als regisseuse en scenarioschrijfster van televisie-kinderprogramma’s. Zij was tevens enkele jaren bestuurslid van de Vereniging van Letterkundigen (VvL).

Zij debuteerde in 1948 met de gedichtenbundel Ariadne op Naxos, waarvoor zij de Reina Prinsen Geerligsprijs ontving. Hoewel ze ook daarna nog poëzie publiceerde – zoals Blijven kijken (1971) – werd ze vooral bekend door de vele boeken en versjes voor kinderen. In 1966 werd Kinderverhalen bekroond als Kinderboek van het jaar, de voorloper van de huidige Gouden Griffel. Bekend waren ook haar verhaaltjes in rijmvorm over Pim en Pom, twee poezen die allerlei avonturen beleven en die jarenlang in Het Parool verschenen, geïllustreerd door Fiep Westendorp.

Naast haar literaire werk was Bouhuys ook bekend door haar politieke activisme. Zo zette zij zich jarenlang in voor de Dwaze Moeders in Argentinië, de moeders van onder de dictatuur verdwenen (vermoorde) gevangenen. In 2002 verzette zij zich scherp tegen de mogelijke aanwezigheid van Jorge Zorreguieta bij het huwelijk van zijn dochter Máxima met Prins Willem-Alexander.

Mies Bouhuys overleed op 81-jarige leeftijd.

Tsjechov’s oude man spreekt zich uit

Tsjechov-3

Ik ben een groot liefhebber en bewonderaar van het werk van Anton Tsjechov. Bij de verhalen van de Rus heb ik voortdurend de idee dat hij de mens heeft doorzien. In bijna al zijn basisemoties: zijn angsten, zijn walging, zijn boosheid, zijn verdriet, zijn verbazing en zijn blijheid. Ik heb van geen andere schrijver het gevoel dat hij die emoties in verhalen kan vangen. En het zijn vaak korte verhalen. Dus dan moet je heel precies en heel compact kunnen schrijven.

Tsjechov neemt geen blad voor de mond als hij ons soort beschrijft. Dat leidt tot gêne en schaamte, maar zijn vertellen biedt ook rust en ruimte. Zijn verhalen blijken: leerzaam, spannend, amusant, nieuwsgier opwekkend en uitdagend. En dan te bedenken dat de man in de 19-de eeuw leefde en in Rusland, dat niet echt kon bogen toen het middelpunt van cultuur en beschaving te zijn.

Een fragment om dit te onderstrepen. Het verhaal heet: Een vervelende geschiedenis, met als ondertitel: Uit de aantekeningen van een oude man.

Ik hoor haar aan, stem machinaal in, en waarschijnlijk omdat ik niet geslapen heb maken zich vreemde, nutteloze gedachten van me meester. Verwonderd als een kind kijk ik naar mijn vrouw. Ik vraag me verbaasd af: is die oude, zeer gezette, plompe vrouw met die botte gelaatsuitdrukking van kleine zorgjes en angst om een snee brood, met die blik die dof is van voortdurende gedachten aan schulden en geldgebrek, die alleen maar kan praten over uitgaven en alleen maar kan glimlachen om een koopje – is die vrouw werkelijk eens diezelfde slanke Varja geweest die ik hartstochtelijk lief kreeg om haar goede, heldere verstand, haar zuivere ziel, haar schoonheid en, zoals Othello Desdemona lief kreeg, om haar ‘medeleven’ met mijn wetenschap? Is dit werkelijk mijn vrouw Varja, die mij eens een zoon heeft geschonken?

Ik tuur gespannen naar het gezicht van dat pafferige, plompe oudje, ik probeer mijn Varja in haar te zien, maar van het verleden rest niets dan haar angst om mijn gezondheid, en dan nog haar gewoonte om mijn salaris ‘ons salaris’ te noemen, mijn muts ‘onze muts’. Het doet me pijn naar haar te kijken, en om haar tenminste een beetje te troosten laat ik haar zeggen wat ze maar wil, ik zwijg zelfs wanneer ze onbillijk over mensen oordeelt of me voor de voeten werpt dat ik geen praktijk houd en geen leerboeken uitgeef.

Uit: Een vervelende geschiedenis (en andere verhalen) – Anton Tsjechov, Bright Lights Amsterdam, 2008

 

‘Parijs dat de jeugd minacht’

parijs minacht de jeugd

foto: Pierre-Ange Carlotte, bron: ID-Vice.com

Witold Gombrowicz (1904 – 1969), geboren Pools, vertrok voor de Tweede Wereldoorlog naar Argentinië en kwam begin jaren 60 terug naar Europa. In Argentinië was hij eerst down-and-out, werd bankmedewerker en begon met het publiceren van romans. Zijn bekendste werken: Ferdydurke, De pornografie en Kosmos. Daarnaast schreef Gombro toneel en hield hij dagboeken bij waaruit hij publiceerde.

De terugkeer van de Pool naar Europa was geen succes. Na een teleurstellend Parijs, vertrok hij naar Berlijn waar hij artist-in-residence was op uitnodiging van de Ford Foundation. Gombro kon niet aarden en werd ziek. In het Franse Vence, leefde hij tot aan zijn dood, lijdend aan astma, terug getrokken op het platteland en voldeed moeizaam en met tegenzin aan verzoeken om zijn werk toe te lichten.

Over de thema’s van zijn 3 grote romans zei hij: ‘Ferdydurke gaat over de mens geschapen door de andere mens; De pornografie is de volwassene geschapen door de jeugdige en Kosmos gaat over de mens geschapen door en zelf schepper van de Vorm.’

Voor de Pool Gombrowicz was de jeugd een alles overheersend thema. Het keerde in vele gedaanten in zijn werk terug. Ook in onderstaand fragment waarin hij ingaat op het gevoel dat Parijs hem teleurstelde.

Om welke cultus van de naaktheid is het mij te doen wanneer ik zeg dat Parijs haar naaktheid verloren heeft? Kan ik het nader preciseren? Ik verlang niet van hen dat zij met een simpel hart het lichaam, de natuur en het natuurlijke leven vereren, ik vraag niet dat zij hymnes aanheffen op de nudisten. Maar ik vraag wel van de mens dat in hem (zelfs al was hij een monster) het idee leeft van de schoonheid van het menselijk geslacht, ik zou willen dat hij het volgende niet vergat: ‘Ik behoor tot een ras dat mij verrukt; ik aanbid de schoonheid van de wereld door de menselijke schoonheid.’

Daarom is het belangrijk, dat wij innerlijk nooit met de periode van ons leven breken waarin de schoonheid toegankelijk is, dat wil zeggen: met de jeugd. Want elk later verkregen schoonheid zal altijd onvolledig zijn, misvormd door het gebrek aan jeugd. Daarom is de jonge schoonheid een naakte schoonheid, de enige die zich niet hoeft te schamen.

En wie voortdurend met de jeugd verbonden is, zal nooit van kleren houden. Dat is het fundament van mijn esthetiek. Om deze afkeer van de kleding gaat het mij, daarom zal ik me niet verzoenen met Parijs dat de jeugd minacht.

Uit: Dagboek Parijs-Berlijn – Witold Gombrowicz, Moussault Amsterdam, 1972, vertaling Paul Beers

‘Gombro’ ervaart smartelijke en ontwapende vrijgevigheid

gombrowicz

Gombro? Tja, eigenlijk is het: Witold Gombrowicz, een van origine Poolse schrijver. Werd in 1904 in Polen geboren en stierf in 1969 in Frankrijk. Schreef verhalen, romans, dagboeken, essays en toneelstukken. Samen met Bruno Schulz en Witkiewicz behoorde Gombro tot de Poolse avant-garde; de reden waarschijnlijk dat hij niet zo bekend is.

En toch, hij studeerde rechten, filosofie en economie, vertrok in 1939 vlak voordat de Duitsers Polen binnen vielen, naar Argentinië, waar hij in bittere armoede leefde. Hij bezocht begrafenissen van volslagen vreemden om aan eten te komen.

Wist zich uiteindelijk op te werken bij een Poolse vestiging van een bank in Argentinië. In 1964 keerde hij terug naar Europa en settelde zich in Frankrijk, waar hij ook stierf.

Gombrowicz literaire werk toont hoofdpersonen die slachtoffer zijn van op de spits gedreven, groteske logica, waarop ze geen vat krijgen en waaraan ze hun identiteit verliezen. Een thema dat we ook kennen van Kafka. Gombro wordt dan ook vergeleken met Kafka, maar ook met literaire reuzen als Beckett en Ionesco. De Pool wordt vaak gezien als een vertegenwoordiger van het Franse existentialisme.

Voordat de Pool terugkeerde naar Europa en zijn stek vond in Frankrijk, dwaalde hij nog een poosje door het Europa van de jaren 60, vorige eeuw. Op uitnodiging van de Ford Foundation ging hij naar Berlijn en Parijs. Wat hem in de hoofdsteden overkwam, hield hij bij in dagboeken. Maar eerst het vertrek uit Argentinië.

Ik zal u een amusante geschiedenis vertellen: op een morgen verlaat ik om half acht mijn huis met de bedoeling elf dringende zaken af te handelen, maar op mijn trap zie ik een jong meisje, een schoonheid van achttien jaar, de verloofde van een van mijn studenten, die haar ‘Weekendtas’ had gedoopt, want, zei hij, met haar loop je als met een weekendtas. En ‘Weekendtas’ snikken, de tranen stromen langs haar wangen, en zij verklaart mij haar liefde; ‘niet allen ik,’ voegt ze eraan toe, ‘ook al mijn vriendinnen, Witoldo, waren of zijn verliefd op je, geen een is ervoor gespaard gebleven!’ Zo hoorde ik nauwelijks een week voor mijn vertrek van het bestaan van zoveel maagdelijke liefdes! Amusant? Zeker, maar toch ook weer niet zo amusant; deze belachelijke triomf op het moment van mijn afscheid doorvoer me met een koude huivering: waren deze meisjes ook allemaal bereid geweest om met mij samen te werken in mijn drama? Hoe vaak niet heeft de heftige reactie van de jeugd op mijn lijden – dat op hen betrekking had! – me verwonderd en verbijsterd, het is iets dat ik ervaar als een smartelijke en ontwapende vrijgevigheid, als een vriendschappelijke toegestoken hand, die mij echter niet meer kan bereiken….

Uit: Dagboek Parijs – Berlijn – Witold Gombrowicz, Moussoult Amsterdam, 1972, vertaling Paul Beers

Fernando Arrabal vertelt panische verhalen

Ik heb een luchtbel. Ik voel haar heel goed. Wanneer ik mij verdrietig voel wordt ze zwaarder en soms, wanneer ik huil, lijkt ze een kwikdruppel.

De luchtbel gaat van mijn hersenen naar mijn hart en van mijn hart naar mijn hersenen

++++

Wanneer ik wil schrijven vult de inktpot zich met letters, de pen met woorden en het witte vel met zinnen.

Dan doe ik mijn ogen dicht en zie, terwijl ik het getik van de klok hoor, hoe rondom mijn hersenen heel klein de arme-gek-met-geheugenverlies en de alruinwortel-filosoof die hem achterna zit draaien.

Wanneer ik mijn ogen open zijn de letters, de woorden en de zinnen verdwenen en op het witte blad kan ik dan beginnen te schrijven: ‘Wanneer ik wil schrijven vult de inktpot zich met letters, de pen…’ Etc.

Uit: La pieidra de la locura, 1984

f arrabal

Over Fernando Arrabal (1932) is een modern Spaans auteur die in het buitenland grote bekendheid verwierf. Arrabal woont en werkt in Frankrijk en keert soms terug naar zijn land van herkomst. Zijn werk is in Spanje nooit op de juiste waarde geschat. Onder dictator Franco kreeg het de kans niet vanwege de censuur, maar nu zijn werk integraal gepubliceerd en opgevoerd kan worden, blijkt het publiek weinig interesse te hebben. Arrabals opmerkelijk gedrag de laatste jaren zal hier niet vreemd aan zijn: hij is vaak uiterst ontevreden over de opvoeringen van zijn werk en maakt dit op weinig zachtzinnige wijze duidelijk, hij doet opmerkelijke uitspraken (abortus moet verboden blijven), ziet heilige maagden verschijnen… De driftigheid waarmee hij zich manifesteert, maakt het onmogelijk enige ironie te bespeuren. De briljante auteur die in het buitenland vooral met zijn toneelstukken enorm veel indruk maakte, is in zijn vaderland bekend geworden als een excentriekeling, een clown, waardoor zijn werk zo goed als onschadelijk is gemaakt.

Over La piedra de la locura (panische verhalen): Deze gruwelijke, sober vormgegeven nachtmerries, die doen denken aan de macabere wereld van Jeroen Bosch en van de caprichos van Goya, vormen een hoogtepunt in Arrabals werk.

Uit: Spaans Verhaal – Maarten Steenmeijer, Meulenhoff Amsterdam, 1985