Jirí Kolár: reis

kolar, jiri; wikipedia.orgbron beeld: wikipedia.org

Reis

Vertrek / met lege handen / naar een stad / waar je niemand kent / en blijf daar drie dagen / Heb je honger / vraag om brood / heb je dorst / vraag om water / Slaap waar het kan / en vraag iedere dag / negen mensen naar iemand / met jouw naam / met jouw lot

Uit: Denk aan de sneeuw van vorig jaar, Cultura Slavica Rotterdam, 1981; vertaling Jana Breanová

Jirí Kolár (1914-2002, Tsjechië)

Bijna iedere dag muziek: Leos Janácek

Hij schreef opera‘s, piano- en kamermuziek, was koorzanger, richtte een orgelschool op, dirigeerde en was muziekdocent. Maar Leos Janácek (1854-1928, Hukvaldy, Tsjechië) ging vooral de boeken in als de 63-jarige man die als een blok viel voor Kamila Stosslova, 26 jaar oud. Beiden waren getrouwd en leerden elkaar kennen toen hij in retraite was in Luhačovice, waar zij woonde. Janácek was diep onder de indruk van haar en begon aan een reeks liefdesbrieven (ruim 700 zouden het worden). Bovendien was Kamila voor Leos een onuitputtelijke bron van inspiratie. Zijn beste werken schreef hij na zijn ontmoeting met haar. Daarmee was de Tsjech een laatbloeier. Zelf vond hij dat voor Kamila’s komst in zijn leven herinneringen gebruikte als bron voor zijn muzikale ideeën. Daarna was het liefde en het hart.

Janácek was net zoals Smetana en Dvorák liefhebber van de Slavische volksmuziek. Maar de energieke en altijd actieve Janácek ging geheel zijn eigen weg. Dat leidde tot onbegrip en miskenning in zijn eigen tijd, maar tot een tijdloos oeuvre na die periode.

Muze Kamila was ambivalent in haar verhouding met de veel oudere componist. Maar ze zat wel aan zijn sterfbed, waar Leos liet weten:

En ik kuste je, en je zit naast me en ik ben gelukkig en rustig. Zo gaan de dagen voorbij voor de engelen.’

Franz Fühmann en de persoonlijke verantwoordelijkheid in oorlogstijd

fuhmann, franz; welt.debron foto: welt.de

Schrijver Franz Fühmann (1922-1984, Tsjechië) was overtuigd nationaal-socialist, diende in het Duitse leger tijdens de Tweede Wereldoorlog, werd krijgsgevangen gemaakt door de Russen en eindigde als socialist. Na de oorlog vestigde hij zich in Oost-Berlijn en ging schrijven. In dat schrijven ging het veel en vaak over de periode van Nazi-Duitsland en de eigen verantwoordelijkheid in die tijd.

Ik las de verhalenbundel De katachtige wilden wij verbranden. In het verhaal Kameraden gaat het over drie jonge nazi’s in opleiding, die gehard en gestaald worden om tenslotte ten strijde te trekken (tegen de Russen). De drie blinken uit in hun schietvaardigheid en ontvangen daardoor voorrechten. Tijdens een verdiend verlof schieten ze per ongeluk de dochter van de majoor dood. Wat volgt is de persoonlijke worsteling die één van de drie heeft met dit voldongen feit. We leren meer over hoe dat nationaal-socialisme werkte: ijzeren discipline, drilzucht, hardheid, afschuiven van verantwoordelijkheid, scheppen van een vijandbeeld, ontmenselijken van de vijand, groepsdruk enz enz.

Kameraden is een leerzaam voorbeeld van hoe de mechanismen van het nationaal-socialisme werkten. In de paniek rondom de niet-bedoelde dood van een jong en voorbeeldig meisje stapelen allerlei morele kwesties zich op: bekennen-ontkennen; verraad plegen-steun door dik en dun; individueel belang-groepsbelang; vriend-vijand; vluchten-vechten. In dit korte verhaal een passage waarin de worstelende hoofdpersoon zich afvraagt of het niet beter zou zijn over te lopen naar de Russen (=de vijand).

Hij herinnerde zich een boek te hebben gelezen van een zekere Albrecht, die een hoge piet, een commissaris, bij de sovjets was geweest, daarna een zekere Trotzki was gevolgd en die, nadat hij ten slotte naar Duitsland was gegaan, verklaard had dat het ware socoialisme alleen bij de SS en de Gestapo te vinden was. Deze Albrecht had geschreven dat juist moordenaars alle kansen hadden bij de sovjets vooruit te komen. Karl dacht: wat zou er gebeuren als hij nu heenging en zei dat hij een moordenaar was en de dochter van de majoor had doodgeschoten, uit moordlust, uit opstandigheid, en dat hij alleen maar gedaan had alsof hij op de struik en de reiger had gemikt? Ze zouden hem zeker nemen, waarom ook niet? En hij dacht dat het eigenlijk helemaal niet zo vreselijk kon zijn bij de bolsjewieken. De vrouwen waren gemeenschappelijk bezit; wat was daar nou zo erg aan, voor een flinke kerel als hij was? Er werd gezegd dat men daar met de zweep regeerde, maar dat was hij ten slotte gewend, en waarom zou hij ook daar niet tot degenen behoren die de zweep hanteerden? Hij had er toch aanleg voor! Hij zag nu dat de gedachte die zo ineens door zijn hoofd was geschoten, en die hij aanvankelijk als een waanidee had beschouwd, eigenlijk helemaal niet zo krankzinnig was. Maa toen bedacht hij hoe hij daar moest komen en hij bedacht dat er nu oorlog was en dat men hem als hij overliep vast en zeker in Rusland zou vinden, want dat ze Rusland zouden verslaan, dat stond voor hem vast. Hij had de oorlog toegejuicht, maar nu vervloekte hij hem bijna. Waar moet ik nou heen, dacht hij.

Uit: Kameraden; uit: De katachtige wilden we verbranden, Wereldbibliotheek Amsterdam, 1985

Franz Fühmann (1922-1984, Rokytnice, Tsjechië)

Het hol: klein meesterwerk van Kafka

kafka, franz; heyalma.combron illustratie: heyalma.com

Ik beleef het meeste plezier aan lezen als de schrijver een stem opvoert die me meesleept naar een andere tijd en ruimte waarin ik ademloos kan ronddwalen. Een stem die me kennis laat maken met gevoelens en gedachten, die ik herken maar niet eerder had bevroed. Een dergelijke stem kwam ik tegen in het korte verhaal Het hol van Franz Kafka.

U en ik kennen De gedaanteverwisseling van Kafka. Als lezer kruip je in de huid van de man die ‘smorgens wakker wordt en beseft dat hij veranderd is in een kever. Een verhaal dat snel onder je huid kruipt en je meevoert in een benauwende situatie waaraan geen ontsnappen meer mogelijk is.

Die ervaring had ik ook bij Het hol. De hoofdperson leeft onder de grond, heeft daar zijn thuis, verzamelt daar zijn voedsel en deelt ons zijn gedachten. Is het hol een veilige plek? Zijn er indringers? Wat is toch dat gesis dat hij hoort? Zijn hol moet een veilige plek zijn met eten en drinken op zijn tijd. Waarom eigenlijk? Wat is er tegen die ander? Nieuwsgierigheid en angst wisselen elkaar in sneltrein-tempo af in dit verhaal. Als je een veilig thuis hebt, ben je dan vrij? Kun je genieten van de stilte en de leegte? En wat doet de ander ondertussen? Is ie een bedreiging of gewenst gezelschap?

Het hol is een klein meesterwerk in de beschrijving van het piekeren, de behoefte aan de ander, hoewel je het idee krijgt dat dit verhaal over dieren (de mol?) gaat. Het meesterlijke zit wat mij betreft in de suggestie die Kafka biedt. Dit verhaal biedt een heldere kijk op ons denken over angsten als we alleen zijn en de behoefte aan de ander die we dan, als vanzelf, creëren.

Hoe meer ik erover nadenk, des te onwaarschijnlijker lijkt het mij dat het dier mij eigenlijk gehoord heeft, het is mogelijk, hoewel ik mij dat ook niet kan voorstellen, dat het ergens het een of ander over mij te weten is gekomen, maar gehoord heeft het mij toch waarschijnlijk niet. Zoalng ik niets van hem wist, kan het mij helemaal niet gehoord hebben, want toen hield ik mij stil, er bestaat niets stillers dan het weerzien van het hol, naderhand, toen ik de proefgeulen maakte, had het mij wel kunnen horen, hoewel mijn manier van graven heel weinig leven maakt; doch als het mij gehoord had, had ik daar toch ook iets van moeten merken, het had toch op zijn minst zijn werk telkens moeten onderbreken om te luisteren. – Maar alles bleef zoals het was.-

Uit: Franz Kafka Verzameld werk; Querido Amsterdam, 1987

De holbewoner (Kafka) is favoriet personage van Lidy van Marissing

Franz_Kafka_1917; en.wikipedia.orgbron foto: en.wikiquote.org

1923: Franz Kafka publiceert ‘Het hol’, waarin de andere, verborgen zijde van de stad Praag gepresenteerd wordt: het personage is een mol die architectuur en diepte-psychologie probeert te verenigen in het volmaakt ondergrondse bouwwerk. Hij vergenoegt zich in de labyrinthische structuur van zijn huisvesting die het indringers onmogelijk maakt de gangen en pleinen van zijn stad te bereiken. De toerist wordt door een blinde muur op afstand gehouden: ‘van buiten is er eigenlijk een groot gat te zien, maar dat leidt in werkelijkheid nergens heen, na een paar stappen stoot je al op massieve natuursteen.’

Uit: Vooys, tijdschrift, jaargang 10, 1991-1992 door Leon Muilwijk over Tsjechië, Praag en Kafka.

De holbewoner is voor mij ontroerend en angstaanjagend, maar vooral fascinerend en komisch in zijn poging in leven te blijven door de onberekenbaarheid van dat leven te berekenen.

Hoe vreemd het schepsel ook is, het komt mij bekend voor: eindeloos redenerend, aan zich zelf twijfelend, zich verantwoordend terwijl niemand vragen stelt, oplettend, altijd in tweestrijd door de dubbelzinnigheid van de dingen, heen en weer dravend in zijn ondergrondse labyrint, op zijn hoede, in de verdediging. Hij berekent zijn positie volgens een bizarre eigen logica en kan zich slechts in cirkelgang bewegen.

Is de holbewoner van Kafka een mens of een dier? De auteur noemt geen naam en geeft geen omschrijving. Dit personage is bij uitstek een literaire figuur. Hier wordt heel duidelijk wat in veel romans minder scherp te zien is: het personage maakt deel uit van de geschreven werkelijkheid, van de fantasie en van de constructie. Het is niet levensecht maar onbestaanbaar en daarom des te beter, want in die geconcentreerde vorm menselijker dan een gewoon mens.

Ik lees immers niet om ‘reële mensen tegen te komen, mensen van vlees en bloed en met karakter. Ik lees niet om het leven te herhalen of te verdubbelen maar om alles wat mooi of lelijk is binnenstebuiten te keren, te vergroten, te verkleinen, te verkleuren, te verknippen, te versnellen, te verstommen – tot dat menselijke een fantastische vorm aanneemt.

Daarom hou ik van Kafka’s holbewoner.

Uit: Het favoriete personage samengesteld door Carel Peeters en Doeschka Meijsing, Raamgracht Amsterdam, 1983

marissing, lidy van; maarten doorman

bron foto: maartendoorman.nl

Lidy van Marissing (1942, Bussum)

Vitèzslav Nezval: als je ooit

nezval_; magazi.czbron foto: magazinuni.cz

Als je ooit

Als je ooit over twintig of over achttien jaar / (je zult op mij lijken, maar je zult knap zijn, jong), / als er over onze daden zal worden verteld / zoals over de avonturen van de helden uit de Ilias,

als je ooit, Robert, in Parijs komt, / zonder pas, zonder visum, zonder geloofsbrieven, / vrij als de nacht, afgronddiep als liftschachten / (ik zal zeker al lang niet meer in leven zijn),

bezoek dan (Parijs verandert in eeuwen niet) / dat kleine restaurant op de mooie Quai Voltaire / (je zult vast een dichter zijn, je zult vast al kinderen hebben), / drink daar net als ik vandaag de witte wijn Sancerre

en denk aan je vader, die nooit anders was, / die hield van het Louvre, blauw, zijn vaderland / en margrieten.

Vertaling Louis Smit, niet eerder gepubliceerd

Vitèzslav Nezval (1900-1958, Biskoupky, Tsjechië)

Ivan Klíma en de eeuwenoude simpelheid van de profeet

Ik had er nooit aan getwijfeld dat alle profeten een flinke dosis dwaasheid in zich moeten hebben gehad. Alleen al omdat een normaal mens zich op voorwerpen richt en een profeet op visioenen.

Soms gebeurt het echter dat een profeet de massa met zich meekrijgt, waarna die zich dan voor enkele ogenblikken aan zijn visioenen vergaapt. En omdat een normaal mens zich onder andere daardoor van een dwaas onderscheidt dat hij ook iets wil realiseren, begint de massa zo’n visioen te verwezenlijken. Uiteraard eindigt alles weer met een terugkeer naar de wereld van de dingen, en wel met een nog hartstochtelijker idolisering  van die dingen en ten slotte zelfs met steniging van de profeten.

Dat is de eeuwige kringloop, de strijd tussen het stoffelijke en geestelijke, tussen het aards op dingen gericht zijn en dromerige simpelheid, tussen het verlangen om dingen te bezitten en om een verzoening tot stand te brengen met wat bovenmenselijk is.

Mij ligt die eeuwenoude simpelheid van profeten na aan het hart. Ik sta daarachter, ook al weet ik dat profeten veroordeeld zijn tot spot, smaad en steeds hernieuwd gemis aan begrip. Toch waren zij het die al in het verste verleden begrepen hebben wat tegenwoordig ook minder helderzienden beginnen door te krijgen, namelijk dat het waanzinnige verlangen om dingen te bezitten en de wereld te bedwingen, in plaats dat men zichzelf bedwingt, de mens steeds verder afbrengt van de levensbronnen.

Uit: Praagse ochtenden, Wereldbibliotheek Amsterdam, 1990; vertaling Kees Mercks

klima, ivan, irishtimes.combron foto: irishtimes.com

Ivan Klíma (1931, Praag, Tsjechië)

Miroslav Holub: het hoofd

Het hoofd

Er zit een ruimteschip in / en een project / om pianolessen af te schaffen. / En er zit de ark van Noach in, / die zal de eerste zijn.

En ook / een absoluut nieuwe vogel, / een absoluut nieuwe haas, / een absoluut nieuwe hommel.

Er zit een rivier in / die naar boven stroomt.

Er zit een rekentafel in.

Er zit antimaterie in.

En je kunt het niet kappen.

Ik geloof / dat alleen wat je niet kunt kappen / een hoofd is.

Ik vind het veelbelovend / dat zoveel mensen / een hoofd hebben.

Uit: De geboorte van Sisyphus, Bezige Bij Amsterdam, 2008

holub, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Miroslav Holub (1923-1998, Pilsen, Tsjechië)

Bohumil Hrabal kortwiekt en begint opnieuw

‘Waar is je haar?’ sprak Francin en hield zijn redis-pen nr.3 in zijn trillende vingers.

‘Hier,’ zei ik en zette mijn rijwiel tegen de muur, trok de klem van de bagagedrager omhoog en reikte die twee zware vlechten aan. Francin stak de pen achter zijn oor en woog dat dode haar van mij op zijn hand en legde het op het bankje. Daarna wipte hij het handpompje van het frame van mijn fiets.

‘Mijn band is hard genoeg opgepompt,’ zei ik en drukte even professioneel mijn voor- en achterband in.

Maar Francin schroefde het uitstulpsel van het pompje los.

‘Met het pompje is ook niks aan de hand,’ zei ik niet-begrijpend.

En Francin sprong opeens op me af, legde me over zijn knie, trok mijn rok omhoog en ranselde mijn achterwerk met het fietspompje en ik was doodsbenauwd of ik wel schoon ondergoed aanhad en me daar goed had gewassen en of de boel daar wel voldoende afgedicht was. En Francin gaf me ervan langs en de wielrijders knikten voldaan en de drie dames van de stadsverfraaiing keken toe alsof deze wraakoefening door hen besteld was.

En Francin zette me weer op de grond, ik trok mijn rok naar beneden en Francin zag er prachtig uit, zijn neusvleugels trilden net of hij zo-even een span op hol geslagen paarden had getemd.

‘Zo meiske,’ zie hij, ‘en nu beginnen we een nieuw leven.’

Uit: Gekortwiekt, Bright Lights Amsterdam, 2007; vertaling Kees Mercks

Bohumil_Hrabal_foto_Hana_Hamplová, wikipediabron foto: Wikipedia

Bohumil Hrabal (1914 – 1997, Tsjechisch)

Milan Kundera laat de roman vragen stellen

Een roman neemt geen stelling; een roman zoekt en stelt vragen. Ik weet niet of mijn volk ten onder zal gaan en ik weet niet wie van mijn personages gelijk heeft. Ik bedenk verhalen, zet ze tegenover elkaar en op die manier stel ik vragen. De domheid van mensen komt hieruit voort, dat ze overal een antwoord op weten. De wijsheid van de roman komt hieruit voort, dat hij voor alles een vraag heeft. Toen Don Quichot de wereld in trok, veranderde die wereld voor zijn ogen in een mysterie. Dat is de nalatenschap van de eerste Europese roman aan de hele latere geschiedenis van de roman. De romanschrijver leert de lezer de wereld te begrijpen als een vraag. In die houding schuilen wijsheid en verdraagzaamheid. In een wereld die gebouwd is op onaantastbare zekerheden is de roman dood. De totalitaire wereld, of die nu gebaseerd is op Marx, op de islam of wat ook, is een wereld van antwoorden en niet van vragen. Daar is geen plaats voor de roman. In elk geval komt het me voor dat mensen overal ter wereld tegenwoordig liever oordelen dan begrijpen, liever antwoorden dan vragen, zodat de stem van de roman nauwelijks boven de rumoerige dwaasheid van de menselijke zekerheden uit te horen is.

Uit: Over het vak – Philip Roth, Meulenhoff Amsterdam, 2002; vertaling Else Hoog

Philip Roth (rechts,1933 – 2018, USA) en Milan Kundera (1929, Tsjechisch)