Jan Campert: sonnetten voor Cynara 14

Sonnetten voor Cynara 14

Rebel, mijn hart, gekerkerd en geknecht, / die aan de tralies van den al-dag rukt, / weest om uw tijdlijk lot geenszins bedrukt, / al zijn de kluisters hard, de muren hecht.

Want in den aanvang werd het u voorzegd, / dat het aan enkelen steeds is gelukt / het juk te breken, dat hun schouders drukt, / laat dus niet af maar vecht en vecht en vecht.

Breekt uit en blaast de doove sintels aan, / die zijn verdoken onder ’t rookend puin; / vaart storm-gelijk over den lagen tuin, / die Holland heet; slaat dood’lijk toe en snel / opdat het kwaad schrikk’lijk zal ondergaan, / o hart, mijn hart, o bloedroode rebel.

jan campert, literatuurpleinbron foto: literatuurplein.nl

Jan Campert (1902-1943, Spijkenisse)

Uit: Verzamelde gedichten, Stols Den Haag, 1947

Advertenties

Gajto Gazdanov: je bezighouden met journalistieke activiteiten

Naarmate de tijd verstreek en daarmee mijn leven langzaam voortging, raakte ik gewend aan de ambivalentie van mijn bestaan, laten we zeggen, zoals mensen wennen aan de altijd eendere pijnen die horen bij hun ongeneeslijke ziekte. Maar ik kon me niet volkomen verzoenen met het inzicht dat mijn primitieve en zinnelijke waarneming van de wereld mij van veel geestelijke mogelijkheden beroofde en dat er zaken waren die ik theoretisch begreep maar die voor altijd voor mij ontoegankelijk zouden blijven, zoals de wereld van bijzonder verheven gevoelens, die ik mijn hele leven al kende en liefhad, voor mij ontoegankelijk bleef. Dit inzicht had zijn weerslag op alles wat ik deed en ondernam: iedere keer opnieuw wist ik dat die geestelijke inzet waartoe ik in principe in staat moest zijn en die anderen terecht van me verwachtten mijn krachten te boven zou gaan – en daarom hechtte ik aan veel praktische zaken geen waarde, en daarom droeg mijn leven in het algemeen zo’n toevallig en wanordelijk karakter. Dit bepaalde ook mijn beroepskeuze; in plaats van dat ik mijn tijd besteedde aan het literaire werk waartoe ik me voelde aangetrokken maar dat flink veel tijd en onbaatzuchtige inzet vergde, hield ik me bezig met journalistieke activiteiten, die heel onregelmatig waren en zich kenmerkten door een afmattende diversiteit. Afhankelijk van de vraag moest ik over van alles en nog wat schrijven, van politieke essays tot filmrecensies en verslagen van sportwedstrjden.

Uit: Het fantoom van Alexander Wolf, Cossee, Lebowski Amsterdam, 2013; vertaling Yolanda Bloemen

gajto gazdanov_Fotor

Gajto Gazdanov (1903-1971, Russisch)

Kat Bébert als personage in het werk van Céline

Bébert was de naam van de kat van de omstreden Franse schrijver L.F. Céline (1894-1961). Als in 1944 de schrijver Frankrijk moet ontvluchten vanwege zijn sympathie voor de Duitsers en vooral hun anti-semitische gedachtengoed, vergezelt zijn kat hem. Een barre tocht volgt door de puinhopen van het Derde Rijk. Over die tocht schrijft Céline een trilogie. Bébert krijgt in die boeken een belangrijke rol.

Over Bébert schreef Frédéric Vitoux (1944, Frans) een biografie, die eigenlijk een biografie over Céline is want: ‘De avonturen van Bébert bleken een afspiegeling te zijn, een verheldering te betekenen van die van zijn baas en zijn bazin’. In Bébert, de kat van Céline zien we de schrijver door de ogen van zijn kat en dat biedt verheldering.

bebert, voyages.ideoz.frBébert met links op de foto Céline; bron foto: voyages.ideoz.fr

In het hoofdstuk Portret van de kunstenaar als een straatkat probeert Vitoux antwoord te geven op de vraag: Is Bébert een personage?

Wat meteen opvalt is de veelheid van tegenstrijdige karaktertrekken. Bébert is beurtelings trouw en onberekenbaar, aanhankelijk en knorrig, strijdlustig en gelaten. Het lijkt of Céline de waarachtigheid van het personage, anders gezegd zijn eenheid, opoffert aan het genoegen van een toevallige waarneming. Alsof Bébert alleen maar op een bepaald moment bruikbaar mocht zijn. Om de geloofwaardigheid van het verhaal zeker te stellen of om de coulissen van de handeling te verkennen. Maar ook om het voor de andere personages mogelijk te maken op hem te reageren, zich uit dramatisch en psychologisch oogpunt van hem te onderscheiden.

En toch biedt Bébert al deze confrontaties het hoofd. Hij blijft hoe dan ook aanwezig. Céline zuigt het zeker niet uit zijn duim. Als iets abstracts. Nee hij is niet – of niet alleen maar – een personage dat slechts als voorwendsel dient. En bovendien zijn de tegenstrijdige karaktertrekken die wij zoëven hebben blootgelegd niet echt onverenigbaar. Eén woord is voldoende om alle tegenstellingen op te heffen, en dat woord is grilligheid.

Misschien is Bébert gewoon een grillige kat…

De volgende vraag die Vitoux probeert te beantwoorden is: In hoeverre lijkt het personage Bébert op de schrijver zelf?

Natuurlijk valt het portret van Bébert niet altijd samen met dat van zijn baas (waarbij men ook nog onderscheid dient te maken tussen verteller en held). Maar hoe het ook zij, zelfs de manier waarop het portret van Bébert is bijgewerkt heeft een bedoeling. Het verraadt het ideaalbeeld dat Céline van zichzelf zou willen geven.

Bébert is gelaten, dat wil zeggen scherpzinnig. Céline ook. Natuurlijk ligt de grens van hun gelatenheid iets anders. De kat laat zich, heen en weer slingerend in zijn weitas, van de ene trein naar de andere sjouwen. Céline slooft zich uit om naar het noorden, Denemarken te komen. In zijn vasthoudendheid verzint hij talloze foefjes, overwint hij talloze hindernissen. Maar tegenover gevaar – bombardementen, arrestatie, opsluiting, hongersnood… – vind je bij hem hetzelfde pessimisme, dezelfde afschuwelijke helderheid ten aanzien van de ijdelheid van zijn pogingen. Ook Céline ontkomt niet aan de ellende. En zijn reis krijgt een beetje het aanzien van een lange omzwerving.

Uit: Bébert – Frédéric Vitoux, Arbeiderspers Amsterdam, 1987; vertaling Jan Versteeg

Victor E. van Vriesland: raadsel van den duur

Raadsel van den duur

Toekomst, voorbij, is verleden geworden. / Het nu – een niets, een stip, een overgang – / Is niet te vangen. Wanneer ik het vang / Is ’t al geweest: het bloeit niet, het verdorde.

Mijn leven ging, maar blijft in mij bestaan. / Wat onderscheidt herin’ren van verwachten? / Het felste en diepste dat mijn dagen brachten / Gebeurde ontastbaar, is reeds afgedaan.

En met een heldere verwondering, / Gepaard aan vrees en gruwen, zie ‘k elk uur / -Op komst, voorbij – slechts in mijn geest beklijven.

En als ik mij bezin, voel ‘k tijdloos blijven / Mijn eigen ik, waarin zich alle ding / Uit den tijd loswikkelt tot eeuwigen duur.

Victor_van_Vriesland_(1962), wikipedia.orgbron foto: wikipedia.org

Victor E. van Vriesland (1892 – 1974)

Uit: Drievoudig verweer, Querido Amsterdam, 1949

Bohumil Hrabal kortwiekt en begint opnieuw

‘Waar is je haar?’ sprak Francin en hield zijn redis-pen nr.3 in zijn trillende vingers.

‘Hier,’ zei ik en zette mijn rijwiel tegen de muur, trok de klem van de bagagedrager omhoog en reikte die twee zware vlechten aan. Francin stak de pen achter zijn oor en woog dat dode haar van mij op zijn hand en legde het op het bankje. Daarna wipte hij het handpompje van het frame van mijn fiets.

‘Mijn band is hard genoeg opgepompt,’ zei ik en drukte even professioneel mijn voor- en achterband in.

Maar Francin schroefde het uitstulpsel van het pompje los.

‘Met het pompje is ook niks aan de hand,’ zei ik niet-begrijpend.

En Francin sprong opeens op me af, legde me over zijn knie, trok mijn rok omhoog en ranselde mijn achterwerk met het fietspompje en ik was doodsbenauwd of ik wel schoon ondergoed aanhad en me daar goed had gewassen en of de boel daar wel voldoende afgedicht was. En Francin gaf me ervan langs en de wielrijders knikten voldaan en de drie dames van de stadsverfraaiing keken toe alsof deze wraakoefening door hen besteld was.

En Francin zette me weer op de grond, ik trok mijn rok naar beneden en Francin zag er prachtig uit, zijn neusvleugels trilden net of hij zo-even een span op hol geslagen paarden had getemd.

‘Zo meiske,’ zie hij, ‘en nu beginnen we een nieuw leven.’

Uit: Gekortwiekt, Bright Lights Amsterdam, 2007; vertaling Kees Mercks

Bohumil_Hrabal_foto_Hana_Hamplová, wikipediabron foto: Wikipedia

Bohumil Hrabal (1914 – 1997, Tsjechisch)

Hugo Claus dicht zijn broer’s dood

Broer

‘Het is hard,’ zei hij, ‘godverdomme hard. / En onrechtvaardig, voor het eerst word ik mager.’

Nog de herfst buiten, een maïsveld tot de einder, / het woord valt, einder, eindig. / Dan geen woord meer van hem.

In zijn slokdarm de plastic slang. / Hij hikt uren lang. Kan niet slikken.

Nog beweging in de rechterhand / die de linker draagt als een vette lelie. / De hand steekt zijn duim omhoog. / Hij blijft seinen tot in zijn laatste verval.

Hij heeft wit kindervel gekregen. / Hij knijpt in mijn angstige hand.

Ik zoek naar een gelijkenis, de onze, / de onrust van haar, / het ongeduld van hem (geen tijd voor tijd), / beider wantrouwen en goedgelovigheid / en ik beland in ons eerste verleden, / dat van een wereld als een weide met kikkers, / als een sloot met paling / en later weddenschappen, tafeltennis, / huishoudelijke wetten, de 52 kaarten, / de drie dobbelstenen / en aldoor de tomeloze honger. / (Ik word oud in plaats van jou. / Ik eet fazant en ruik het bos) / Nu is zijn behuizing afgemeten. / De machine ademt voor hem. / Slijm wordt weggezogen. / Een ratel uit zijn middenrif, / en dan zijn laatste beweging, een lome knipoog.

Zielsverhuizing. Een ordening. Een portie afgesneden. / Het lijf nog onverminderend / en dan plots in zijn gezicht dat dood was / een frons en een kramp / en dan een gesperde, woeste blik, / ondraaglijk helder, de woede en schrik / van een tiran. Wat ziet hij? Mij, een man / die zich afwendt, laf verbaasd over zijn tranen? / Dan is het morgen en maakt men de riemen los. / En hij dan voorgoed

hugo claus, youtube

bron foto: youtube; Still uit Hugo Claus leest Jan de Lichte

Hugo Claus (1929 – 2008, Belgisch)

Uit: Gedichten 1948 – 1993, Bezige Bij Amsterdam, 1994

Bohumil Hrabal en het getatoëerde bootje

… elke zandschipper had armen met ankers en juffies erop getatoeëerd en één zandschipper betoverde me helemaal, die had een getatoeëerd bootje op zijn borst, een zeilscheepje, ik keek ernaar en mijn ogen schoten vol tranen, niet door huilen maar door het inzicht en besef dat ik ook zo’n bootje op mijn borst moest laten tatoeëren, dat ik zonder zo’n bootje niet kon leven, dat zo’n bootje je moest verwarmen, dat het een embleem was van je ziel en ik er ook zo een moest hebben. Ik zeg, dat bootje hier, kan je dat eraf wassen? Maar de zandschipper hief met groot gemak de tien kilo zware scheppen en gooide ze in de kruiwagen, nu wierp hij de laatste natte schep erin en reed met een wip de loopplank op, hij had die blinkende lege schep zo handig weggeworpen dat deze keurig  in de zandhoop bleef staan, en zoals hij daar voorovergebogen bij me stond, kon ik bijna dat bootje op zijn borst aanraken, en hij rende vrolijk op zijn blote, uit zijn blauwe werkbroek stekende voeten de loopplank op, hij moest wel even aanzetten omdat het omhoogliep naar het einde van de plank, en daar draaide hij de kruiwagen om en rende weer met een lege terug, hij kwam naast me op de loopplank zitten en stak een sigaret op, hij zoog de rook zo krachtig in zijn longen dat de sigaret haast vlamvatte, zo laaide de koolstof erin op, en ik keek ernaar hoe het bootje op de borstkas van de zandschipper rees, zo lang als hij inhaleerde, bewoog het bootje haast, net of het steeds groter werd, of het met volle zeilen de haven naderde… en daarna blies de zandschipper de rook weer uit en werd het bootje kleiner, steeds kleiner, net of het wegvoer, zeker rees en daalde het almaar zo op de golven omdat zijn hart zo bonsde, omdat zijn bloed door het werk zo wild werd rondgepompt.

hrabal, imdb.com

bron foto: IMDb.com

Bohumil Hrabal (1914 – 1997, Tsjechisch)

Uit: Het stadje waar de tijd stil is blijven staan, Bert Bakker Amsterdam, 1993; vertaling Kees Mercks

Licht: zonder komma’s

Zonder komma’s

Zonder komma’s, de ene regel raakt de andere, / schrijf ik gedichten zoals ik leef, in duisternis, / blind, als een worm zigzaggend op het papier / licht, boeken – de bewakers namen alles af / er komt geen post, alleen mist over de barakken.

radnoti-miklos, riowang

bron foto: riowang.blogspot.com

Miklós Radnóti (1909 – 1945, Hongaars)

Uit: thehypertexts.com/Miklos_Radnoti; vertaling Daan Bronkhorst

Werd in 1944 als jood gedwongen in een arbeidsbataljon bij het Hongaarse leger te gaan. Hij werd doodgeslagen door dronken Hongaarse soldaten.

Dit gedicht komt uit een opschrijfboekje dat anderhalf jaar na zijn dood bij opgraving in zijn jaszak werd gevonden.

Hoe een adamsappel een muis werd

De kat loerde. Mahlke sliep of dat leek maar zo. Naast hem had ik kiespijn. De kat kwam loerend naderbij. Mahlkes adamsappel viel op, doordat hij groot was, aldoor in beweging en een schaduw wierp. De zwarte kat van de administrateur was tussen mij en Mahlke een en al spanning voor de sprong. Wij vormden een driehoek. Mijn kies zweeg, trapte niet meer op de gevoelige plek: want Mahlkes adamsappel werd voor de kat een muis. Zo jong was de kat, zo beweeglijk Mahlkes artikel – in ieder geval sprong ze Mahlke naar de keel; of een van ons pakte de kat en zette haar bij Mahlkes hals; of ik, liet haar wel met als zonder kiespijn, pakte de kat, liet haar Mahlkes hals zien: en Joachim Mahlke schreeuwde, maar kwam er met een paar onbetekenende krabben af.

Maar ik, die jouw muis in het gezichtsveld van een of alle katten bracht, moet nu schrijven. Zelfs al waren wij beiden maar bedacht, dan moest ik dat nog. Wie ons bedacht heeft, beroepshalve, dwingt mij telkens weer jouw adamsappel in de hand te nemen, hem op iedere plaats te brengen die hem zag winnen of verliezen…

gunter grass, the national

bron foto: thenational.ae

Uit: Kat en muis – Günter Grass, Meulenhoff Amsterdam, 1963; vertaling Hermien Manger

Primo Levi: ‘Wat onmenselijk is’

De Italiaanse chemicus Primo Levi (1919 – 1987) was joods. Hij trok als verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog de bergen in. Werd opgepakt en naar Auschwitz gedeporteerd. Door toeval overleefde Levi als één van de weinigen het concentratiekamp. Na de bevrijding besloot hij zijn verhaal aan het papier toe te vertrouwen. In zijn boek Is dit een mens doet hij verslag van zijn dagen in het kamp. Op indrukwekkende en huiveringwekkende wijze. Voor ieder mens verplichte kost om een idee te krijgen van wat oorlog en het concentratiekamp met mensen doet.

In het allerlaatste hoofdstuk en de allerlaatste pagina’s van dit niet al te dikke boek, probeert Levi onder woorden te brengen wat hij nu eigenlijk onder ogen heeft gehad en wat hij heeft meegemaakt. Het is januari 1945; de Duitsers hebben Auschwitz spoorslags verlaten; de Russen staan op het punt het kamp en de laatste overlevenden te bevrijden.

26 januari We lagen neer in een wereld van doden en schimmen. Het laatste spoor van beschaving, om ons en in ons, was verdwenen. Het werk van verdierlijking, door de triomferende Duitsers begonnen, was door de verslagen Duitsers voltooid.

Wie doodt, is een mens, wie onrecht doet of lijdt, is een mens; geen mens is hij die elk gevoel van grenzen verloren heeft en zijn bed deelt met een lijk. Wie heeft afgewacht tot zijn bedgenoot klaar was met sterven om hem een stuk brood af te nemen, is, ook al heeft hij daar geen schuld aan, verder verwijderd van het model van de denkende mens dan de primitiefste pygmee of de gruwelijkste sadist.

Een deel van ons bestaan berust bij wie naast ons leven: dat is de reden waarom de ervaring van wie dagen gekend heeft waarin de mens voor de mens een ding was, onmenselijk is.

Primo-Levi

bron foto: romecentral.com