Richard Minne: verweer tegen den winter

Verweer tegen den winter

Gij land van sneeuw en snerpend ijs, / wat heb ik van u te verwachten? / Boven het bosch begint de reis / der witte maan door al de nachten / en ’t is alsof de stilte kraakt. / In uwen grond, onder de zoden, / liggen huivrend mijn goede dooden, / terwijl mijn zieke ziele haakt / aan iedren droom, o Abisag! / gij die daar rust onder de tente, / in ’t roze gloren van den dag. / Waarom, gij land van snerpend ijs, / brengt gij uw zoon zoo van de wijs / en zucht ik altijd naar de Lente?

Uit: Wolfijzers en schietgeweren, Manteau Brussel, 1947

Minne, schrijfsgewijs.bebron foto: schrijfsgewijs.be

Richard Minne (1891-1965, Belgisch-Vlaams)

Wiel Kusters: journey of the magi

Journey of the magi

waren deze heren op weg / in de wintersneeuw? / ik zag hoe de wind hun voeten / wegblies, hun sporen dichtwierp, / hoe zonder gevolg dit driemanschap / een wit doorwaadde waaronder / blauwe letters lagen

lezend viel ik in slaap / zodat het minder woei

als schoenen stonden toen / hun voeten in de sneeuw. / ombeurten pasten zij / er een en liepen over de tekens / heen, van twijfel geen spoor

gedicht of niet, hun tocht ging door

Uit: Een oor aan de grond, Querido Amsterdam, 1978

wiel-kusters-, foto marcel van den berghfoto: Marcel van den Bergh

Wiel Kusters (1947)

Bohumil Hrabal kortwiekt en begint opnieuw

‘Waar is je haar?’ sprak Francin en hield zijn redis-pen nr.3 in zijn trillende vingers.

‘Hier,’ zei ik en zette mijn rijwiel tegen de muur, trok de klem van de bagagedrager omhoog en reikte die twee zware vlechten aan. Francin stak de pen achter zijn oor en woog dat dode haar van mij op zijn hand en legde het op het bankje. Daarna wipte hij het handpompje van het frame van mijn fiets.

‘Mijn band is hard genoeg opgepompt,’ zei ik en drukte even professioneel mijn voor- en achterband in.

Maar Francin schroefde het uitstulpsel van het pompje los.

‘Met het pompje is ook niks aan de hand,’ zei ik niet-begrijpend.

En Francin sprong opeens op me af, legde me over zijn knie, trok mijn rok omhoog en ranselde mijn achterwerk met het fietspompje en ik was doodsbenauwd of ik wel schoon ondergoed aanhad en me daar goed had gewassen en of de boel daar wel voldoende afgedicht was. En Francin gaf me ervan langs en de wielrijders knikten voldaan en de drie dames van de stadsverfraaiing keken toe alsof deze wraakoefening door hen besteld was.

En Francin zette me weer op de grond, ik trok mijn rok naar beneden en Francin zag er prachtig uit, zijn neusvleugels trilden net of hij zo-even een span op hol geslagen paarden had getemd.

‘Zo meiske,’ zie hij, ‘en nu beginnen we een nieuw leven.’

Uit: Gekortwiekt, Bright Lights Amsterdam, 2007; vertaling Kees Mercks

Bohumil_Hrabal_foto_Hana_Hamplová, wikipediabron foto: Wikipedia

Bohumil Hrabal (1914 – 1997, Tsjechisch)

Pieter Boskma: ongeluk

Ongeluk

ik ontwaakte naakt, nog half beneveld / leek de kamer een kooi van berehuiden / en knetterde in stekkerdozen / geen breakfast-tv maar de quest naar het vuur.

ik tastte naast me. het vochtige laken / zoog mijn hand. tegen zachtboard wanden / ving de spiegel niets dan weer. / ergens boven arabië huilde je jet-lag.

ik at de gebakken eieren in een keuken / zonder ramen. op de radio al dagen lang / zweefde de leugen van de ramp. ik geloofde geen barst / van door nomaden meegevoerde merken

uit je kokerrok. alsof ikzelf in de woestijn / stond. gillend met een dode mond / en zocht naar de zwarte doos van je iris / langs de kringen in het plafond.

aui_boskma_bezigebij

bron foto: bezige bij

Pieter Boskma (1956)

Uit: Quest, In de Knipscheer Haarlem, 1987

E.L. Doctorow: die reiger, dat ben ik

Een vreemde waarneming op de pier: een grote blauwe reiger die de ene kant op keek, bijna rug aan rug met een sneeuwwitte zilverreiger die in de tegengestelde richting tuurde. Omwille van dit soort dingen hoort iedereen nu en dan de stad uit te gaan.

Omdat ze op hetzelfde voedsel aangewezen zijn, zou ik gedacht hebben dat ze elkaar niet verdroegen, maar daar staan ze, elkaar wederzijds negerend. Ik kijk niet, maar ik weet heus dat je er bent. De zilverreiger verheft zich als eerste, met zijn nek gestrekt, de gele snavel als een bajonet vooruit, een prachtige vogel in de vlucht, gestroomlijnd als een prerafaëlitisch watervliegtuig, maar met een genadeloos oog… en de blauwe reiger, die er wat frommelig uitziet met zijn ronde zwarte schoudervlek, een verenpak dat eerder grijs dan blauw is, het zwart van zijn lange poten, voeten, snavel. Het is een minder sierlijke vogel, een minder strakke vogel, dan de zilverreiger, hoewel hij met de enorme spanwijdte waarmee hij laag over het water opstijgt wel de statigheid  aanneemt van een jumbo. Maar er ligt een zekere droefheid in zijn blik, en het is duidelijk een eenling, een vrijgezelle vogel die wel wat vrouwelijke aandacht zou kunnen gebruiken, wat fatsoenering, net als ik.

el-doctorow, vanityfair.comfoto: Getty Imgages; bron foto: vanityfair.com

E.L. Doctorow (1931 – 2015, USA)

Uit: De stad Gods, Bezige Bij Amsterdam, 2002

Michael Zeeman: afscheid

Afscheid

Afscheid gaat abrupter dan je dacht / op een zondag tegen het einde van de morgen / als achteloos een boot vertrekt / zonder hoorn of omhaal van vlaggen.

Niet dat ik wuivend op een kade stond / zelfs dat niet, men verneemt het telefonisch / ‘nu ga ik weg’ en gaat dan ook / de toon rekt zich te veel aan ruimte.

De volgende dagen is er een spoor / dat ik eerst nog nauwkeurig volgen kan / maar vager wordt. Mijn zolderbed is klam: / als kind heb ik dat nooit geweten.

Afscheid is een misverstand dat fomkelt / bij gebrek aan tijd en uren nog nadien / de stilte onherbergzaam, het uitzicht groezelig / de deuren van mijn kamers zwaarder maakt.

michael zeeman, cuttingedge.nlbron foto: cuttingedge.nl

Michael Zeeman (1958 – 2009)

Uit: Beeldenstorm, Bezige Bij Amsterdam, 1991

Nachoem Wijnberg: opnieuw

Opnieuw

Dit gebeurt steeds weer. Zon komt op, / een visser vaart in een kleine boot. Wie / herhaling niets duidelijker maakt / wordt bang en wil opnieuw kunnen beginnen. / Door een bos rennen, over ijs rennen, / alles nieuw invullen, wind, lucht, adem, / lage tonen van botsende wolken, met zachte / kleuren die niemand in de rede valt. / Ook mogelijk: naar een punt op de muur / kijken, naar een punt op de huid, het kijken / heen en weer bewegen, tegelijk met het ademen, / tegen jezelf spreken, herhalen, luisteren. / Niets gebeurt, klokken slaan uren die er niet zijn, / je mag opnieuw beginnen, overtuig jezelf.

wijnberg, trouwfoto: Martijn Gijsbertsen, bron foto: trouw.nl

Nachoem Wijnberg (1961)

Uit: De expeditie naar Cathay, Bezige Bij Amsterdam, 1991

Redbad Fokkema: elke dag is de eerste

Elke dag is de eerste

Het openen van de zandbak is elke ochtend / de chaos binnen gaan en ordenen beginnen. / De kikvorsen, de torren zien hun einde aan / en hollen naar het donker, de border in. / Zonen roepen nu de rust over de wateren / die ik ze breng en misbaksels ontstaan, / die een watervloed vernielt. Het moet opnieuw. / Zij happen zand, het staat hun tot de lippen, / gehoor neemt af en spinnen dalen in het oog. / Nu is de dag wel om, het eten kan beginnen.

Redbad Fokkema (1938 – 2000)

Uit: Elke dag is de eerste, Querido Amsterdam, 1980

Generaties: grootmoeder

Antwerpen

Ik was dertien / toen ik dit droomde, / in het begin van de herfst, / bij mijn grootmoeder in Aleksandrovo.

Ik bevond mij in een onbekende straat. / De huizen stonden zij aan zij, / als om zich aan elkaar te warmen. / De daken staken in de hoogte / als hoeden van middeleeuwse dames. / De mat-gekleurde vensterruiten, / gevat in loden raampjes, trilden. / In de lage grijze nevels smolt / de suikeren toren van een kathedraal. / Het gelui der klokken vulde, mèt de regen, / de smalle straten en pleintjes. / Mannen met gezichten als van Albrecht Dürer / liepen voorbij; hun baarden hielden / de druppels vast als struikgewas. / Boven bloemen en groenten en vogels / schreeuwden handelaars met rode wangen / rauwe tweeklanken en schurende g’s. / Toen kwam ik bij een kerkhof. / Tussen de stenen engelen las ik / op één van de verweerde zerken / mijn eigen naam.

Zo ver van ons huis in Aleksandrovo.

Toen was ik voor het eerst in Antwerpen.

Maja Panajotova (foto Bert Bevers)

(foto: Bert Bevers)

Maja Panajotova (1951), Bulgaars

Uit: Verzwegen alibi, 1983

Elisabeth Eybers: die hoof spreek

Die hoof spreek

Die hart, onklaar en koppig, bly ’n kind / wat al die eensgevondene wil hervind.

Gaan maar, gaan maar, gebied ek hom, en keer / gelouter tuis sodra jy wysheid leer.

Later, as hy ontredderd voor my staan / ná leegtes van woestyn en oseaan

en ek dan uitvors: bring jy nog iets terug / behalwe ’n handvol woorde en ’n sug,

kan hy my vierkant in die oë kyk / en smalend elk kruisverhoor ontwyk.

Ek word al meer geslepe. As hy weer / kom groet, souffleer ek vriendelik: hierdie keer

voel jy wel sat van sorge en verlies / en wil ’n burgerlike loopbaan kies?

Het ek konsent of seën gevra? tart hy – / Tot siens, ons sal mekaar weer nodig kry.

elisabeth eybersElisabeth Eybers (1915 – 2007), Zuid-Afrikaans

Uit: Versamelde gedigte, Querido Amsterdam, 1990