Walton Ford geeft dieren de teugels in handen

walton ford, the undead 2walton ford, the undead 4walton ford, the undead 6walton ford, the undead 8

Walton Ford (1960, New York, USA) schildert flora en fauna op een allegorische manier waarbij het duidelijk gaat over het mensdom en het milieu.

Ford studeerde eerst film maar legde zich toe op schilderen; de laatste twee decennia op grootse verhalende werken in een naturalistische stijl. De Amerikaan verwijst in zijn werk naar de 19-de eeuwse boek-illustratoren die het wetenschappelijk naturalisme verbeeldden.

Zijn schilderijen zijn bestiale tableaux waarin grappen en grollen een sinistere ondertoon hebben, verwijzend naar kolonisatie, industrialisatie en menselijk ingrijpen in de natuur.

Onze beschaving wordt in de wereld van Ford een raar geval, waarin rollen worden omgedraaid. Het beest heeft de teugels in handen.

walton ford, the undead 5Walton Ford

Bijna iedere dag muziek: Steve Reich

David Bowie, Brian Eno, Aphex Twin, The Orb, Coldcut, Mantronix en DJ Spooky hebben 1 belangstelling gemeen: modern klassieke componist Steve Reich (1936, New York, USA). De man die sampling, minimalisme, repetitieve beats en cut-up-technieken in zijn composities verwerkte. Daarmee een nieuwe weg insloeg die tot veel hoongelach leidde. Overigens zoals bij zijn grote voorbeeld en inspiratiebron: Stravinsky.

De ouders van Steve Reich zijn van grote invloed geweest op zijn werk. “De muzikale erfenis is van mijn moeders kant. Mijn vaders analystische brein was wezenlijk voor wie ik geworden ben,’ zei hij er zelf over. Na kennismaking met het werk van Stravinsky begon hij in 1965 met zijn eigen composities. Er volgden zo’n 40 grotere werken.

Reich’s werk past in de minimalistische traditie. Volgens eigen zeggen, leende Reich de herhaling van noten uit de jazz. Reich bezocht in de jaren 50 veelvuldig The Birdland Club in New York. Daar zag en hoorde hij John Coltrane, Miles Davis en Charlie Parker. ‘Coltrane was ons ver vooruit. Die speelde nummers van 30 minuten in één toonsoort. Dat was voor mij van extreme invloed,’ stelt Reich.

‘Mijn muziek zijn geen songs en het is ook geen echte vocale muziek,’ vat Reich het samen. Invloedrijk en innovatief is het werk van Reich zeker, ook voor huidige muzikanten die zich op het snijvlak van hiphop, dance en electronic bevinden. Zoals bijgaande voorbeelden duidelijk maken.

 

Bijna iedere dag muziek: Stevie Wonder

Als puber een soul-sensatie in de jaren 60; daarna steeds invloedrijker en belangrijker geworden in de R&B; en nooit te beroerd om nieuwe wegen en paden te proberen. Avontuurlijk, sociaal bewogen en geniaal in zijn muzikale keuzes en ideeën. Ik heb het over Stevie Wonder (1950, Saginaw, USA) die onlangs 70 jaar oud werd.

Zijn loopbaan overziend heb ik een voorkeur voor de periode in de jaren 70, vorige eeuw. Die periode begon met het album Talking Book (1972) en eindigde met Songs in the Key of Life (1976). In die periode liet Wonder zien dat hij tot de allergrootste en invloedrijkste behoorde. Tekstueel omdat hij steeds meer van zichzelf liet zien: wat bewoog de man, waar hield hij zich mee bezig en wat waren zijn zorgen? Muzikaal omdat hij zijn palet enorm uitbreidde: van simpele liefdesliedjes tot nieuwe dancegrooves. Van You are the sunshine of my life tot Superstition; van Sir Duke tot Pasttime Paradise. Veel van die nummers waren raak. Stevie was volop bezig zichzelf te ontdekken en begon daarmee een boeiende muzikale reis waarbij ik me met alle plezier mee liet voeren.

De (on)regelmatige dosis Nabokov: eerste liefde

nabokov-op-vlinderjacht, armadawereldliteratuur.nlNabokov met vangnet voor vlinders; zijn favoriete bezigheid naast schrijven. bron foto: armadawereldliteratuur.nl

Plaats van handeling: het Zuid-Franse Biarritz, badplaats met uitzicht op Baskenland. Nabokov is 10 jaar oud en bezoekt la plage. Daar ontmoet hij de eerste liefde van zijn leven: de eveneens tien jaar oude Colette.

Zij praatte in vogelachtige uitbarstingen van rap getjilp, in een mengelmoes van gouvernante-Engels en Parijs-Frans. Twee jaren geleden had ik mij op datzelfde strand zeer aangetrokken gevoeld tot het mooie, zongebruinde dochtertje van een Servische arts; maar toen ik Colette ontmoette, wist ik onmiddellijk dat dít het was. Colette was in mijn ogen zoveel vreemder dan al mijn andere toevallige speelgenootjes in Biarritz! Op de een of andere manier kreeg ik het gevoel dat zij minder gelukkig was dan ik, minder bemind. Een blauwe plek op haar tere donzige onderarm gaf aanleiding tot afschuwelijke gissingen. ‘Hij knijpt net zo hard als mammie,’ zei zij over een krab. Ik ontwikkelde diverse plannen om haar te redden van haar ouders, die ‘des bourgeois de Paris’ waren, zoals ik iemand met een licht schouderophalen tegen mijn moeder hoorde zeggen. Ik legde de verachting op mijn eigen manier uit, want ik wist dat die mensen het hele eind vanaf Parijs hadden afgelegd in hun blauw-gele limousine (een chic avontuur in die dagen) maar Colette met haar hond en gouvernante saai in een doodgewone trein hadden laten reizen. De hond was een vrouwelijke foxterrier met belletjes aan haar halsband en een allerwiebeligst achterwerk. Van louter geestdrift dronk ze soms zout water uit Colette’s speelgoedemmer. Ik herinner mij het zeil, de zonsondergang en de vuurtoren op die emmer, maar de naam van de hond wil mij niet te binnen schieten, en dit hindert mij.

(..)

Onder de alledaagse souvenirs die ik voor mijn vertrek uit Biarritz verwierf, was niet de kleine zwartstenen stier favoriet noch de suizende schelp maar iets dat nu haast een symbool lijkt – een meerschuimen penhouder met in het bewerkte stuk een klein kristalhelder kijkgaatje. Dat hield je vlak voor je ene oog terwijl je het andere dichtkneep, en als je het glinsteren van je eigen wimpers kwijt was, zag je daar binnen een wonderlijk fotografisch beeld van de baai en de lijn van de klippen die eindigden in een vuurtoren.

En nu gebeurt er iets heerlijks. Het herscheppingsproces van die penhouder en de mikrokosmos in zijn kijkgat stimuleert mijn geheugen tot een laatste inspanning. Ik tracht opnieuw, mij de naam van Colette’s hond te herinneren – en waarachtig, over die verre stranden, over het glanzende avondlijke zand van het verleden, waar elke voetstap langzaam volloopt met zonsondergang-water, daar komt hij, daar komt hij, weerklinkend en vibrerend: Floss, Floss, Floss!

Uit: Lente in Fialta, verhalen, Bezige Bij Amsterdam, 1981; vertaling M. Coutinho

Bijna iedere dag muziek: Lou Reed

Ik heb een haat-liefde-verhouding met Lou Reed (1942-2013, New York city, USA). De man heeft prachtige nummers geschreven, die nog altijd veel indruk maken (denk aan: Perfect Day en Sad Song), maar ook ongelofelijke rotzooi. Wat voor Reed spreekt, is dat hij het experiment niet uit de weg ging. Hij bewandelde een muzikaal pad met hoogte- en dieptepunten maar was invloedrijk.

Reed is tijdgenoot van David Bowie en die twee hebben elkaar bezig gehouden. Mijn kennismaking was het album Transformer. Een plaat die in veel huiskamers te vinden is, in ieder geval van mijn generatie. Via Transformer kwam ik terecht bij opvolger Berlin. Een duister en donker album met prachtige songs, over verloren gegane liefdes en drugsgebruik (‘it’s so cold in Alaska’). Berlin maakte veel indruk op mij omdat het zo beduidend anders was en meer zeggingskracht had dan Transformer.

Automatisch volgde de gang naar The Velvet Underground, de vorige muzikale bezigheid van Reed. De samenwerking met onder andere zangeres Nico en kompaan John Cale leverde in de jaren 60 eenvoudige pop op die toch van enorme invloed bleek. Iedere band die wilde beginnen zag aan VU dat alles mogelijk was. Drang, de wil om zich muzikaal te uiten in een eigen geluid waren belangrijker dan instrumentbeheersing, zoiets.

Reed zelf heeft veel en vaak nummers uit de VU-tijd opnieuw opgenomen en van andere arrangementen voorzien, waarmee hij bevestigde dat die nummers niet feilloos, tijdloos en van eeuwigheidswaarde waren. Eigenzinnig en tijdloos was Lou Reed vandaar deze huldeblijk.

Het bos als huis

whittredge, oude jachtvelden

Afbeelding 1: De oude jachtvelden – Worthington Whittredge

(Albert) Bierstadt en (Worthington) Whittredge schilderden tijdens hun verblijf in Duitsland tussen 1850 en 1860 een aantal landschappen waarin grote bomen (meestal eiken) voorkomen als heroïsche en spirituele acteurs in de natuur. En kort na zijn terugkeer schilderde Whittredge een van zijn succesvolste en imposante landschappen, De oude jachtvelden (zie afbeelding 1). De berken van Whittredge, in de achtergrond belicht in de traditie van Friedrich, rijzen als gecanneleerde zuilen op naar de gebogen, donkere bomen op de voorgrond die de compositie omlijsten, Het effect is zuiver architectonisch, bijna een illustratie van de traditie die de oorsprong van de gotische spitsbogen en -gewelven in de spontane verstrengeling van boomtakken zocht. Maar de titel van Whittredges bosinterieur is geen loze kreet, want het schilderij is vol spirituele associaties die veel gebruikt werden door de schilders uit de Hudson Valley. Een lekke, halfvergane kano ligt in een poel water als een gedenkteken aan de verbannen en verdwenen Indianen, die hier ooit hun ‘jachtvelden’ hadden. De afgebroken stronk en de trillende berkenblaadjes, zinnebeelden van dood en nieuw leven, echoën het canonnieke, hymne-achtige karakter van het schilderij. Naast twee andere, even beroemde Amerikaanse bosinterieurs werd het schilderij van Whittredge de letterlijke visuele expressie van het vrome cliché, het ‘kathedraal-bos’,

bierstadt, redwoodsAfbeelding 2: Redwood reuzebomen van Californië – Albert Bierstadt

In zijn eigen Redwood reuzebomen van Californië verplaatste Bierstadt deze ecclasiastische opvatting van de oerbossen naar een sequoiabos (afbeelding 2). De bomen zien er inderdaad meer uit als  de Sequoia sempervirens van de bossen aan de kust dan als Big Trees, en het rode licht dat van de schors afstraalt, suggereert de lichtende schemering van de veel dichtere, donkerde redwoods in de streek van Mendocino en Humboldt. Maar alle standaardmotieven van de sequoia-iconografie zijn er weer: oudheid, verering en grootsheid. En in plaats van de sentimentele, ongeïnspireerde lofzang op de redwood-roodhuid, beeldt Bierstadt drie Indianen af, een krijger die met zijn zoon bij de poel zit en een squaw die terugkomt met een mand op haar rug, een Amerikaanse versie  van de bucolische idylle. Maar waar het hier om gaat is de wigwam-achtige, driehoekige opening in de zijkant van de voorste boom die blijkbaar het onderkomen van de Indianen voorstelt. Het is de letterlijke vertaling van wat John Muir (die zelf een soort godsverschijning beleefde in Yosemite) bedoelde toen hij terugkeren naar de Amerikaanse wouden omschreef als ‘naar huis gaan’. Bierstadts schilderij toont het bos als huis: de oude woonplaats van de meest inheemse van alle Amerikanen.

Uit: Landschap en herinnering – Simon Schama, Olympus/Contact Amsterdam, 1995; vertaling Karina van Santen en Martine Vosmaer

Albert Bierstadt (1830-1902, Solingen, Dld)

Worthington Whittredge (1820-1910, Springfield, USA)

Bijna iedere dag muziek: Leo Kottke

Aanleiding: een overzicht van wat genoemd wordt: American Primitive Guitar. Een term die van toepassing is op het werk van gitarist John Fahey (1939-2001, Takoma Park, USA). Fahey zong zich los van het traditionele gitaarspel door vooral te fingerpicken en zijn gitaar op andere wijzen te stemmen dan gebruikelijk. Dat leverde nieuwe gitaarmuziek op. Fahey was geworteld in de blues, maar liet zich beïnvloeden door folk, Indiase raga’s, klassiek en avant-garde. En dat allemaal in de jaren 50, vorige eeuw. Fahey’s opvallende gitaarspel kreeg veel volgers.

Mijn held werd Leo Kottke (1945, Athens, USA), die de 6- en 12-snarige gitaar hanteerde alsof de duivel zelf aan het werk was. Wie Kottke hoort spelen denkt aan meerdere personen of overdubs, maar nee, alles uit een persoon! En met een snelheid die buitenaards klinkt. Zijn eerste elpee werd opgenomen in 3 en een half uur tijd en liet composities horen, die mijn oren niet wilden geloven. Wie Kottke live aan het werk gezien heeft, weet dat de man niet alleen prachtig speelt maar tevens enorm humoristisch is. En oh ja, hij zingt ook wel eens. Dat stemgeluid noemt hij zelf: ‘een gans die scheten laat op een benauwde dag.’ Kottke doet zichzelf tekort; het klinkt apart maar niet slecht. Oordeel zelf:

Bijna iedere dag muziek: Miles Davis

Aanleiding is het thema van de Boekenweek: Rebellen en Dwarsdenkers en een verhelderende docu op Netflix. Die docu gaat over Miles Davis (1926-1991, Alton, USA) en laat zien hoe Davis rebelleerde tegen verwachtingen die men van hem had. Dat begon al met de keuze van het instrument dat hij wilde spelen: trompet in plaats van viool, zoals zijn ouders wilden. Op 19-jarige leeftijd leidde hij al een band. Trad op met Dizzy Gillespie en Charlie “Bird” Parker, die bepalend zouden worden voor de jazz. Waarna uittochtjes naar Parijs volgde. In de Lichtstad maakte hij kennis met alles wat toen hip en cultureel bepalend was. Denk aan: Greco, Malle, Moreau en Satre. In Frankrijk leidde dat op enig moment tot de opname van Ascenseur pour l’Échafaud. De soundtrack van de gelijknamige film die Davis improviserend bij de beelden volspeelde. Davis was muzikaal gelijkwaardig aan hoofdrolspeelster Jeanne Moreau en haar lijden. De film werd dankzij de score een enorm succes. Terug in de USA begonnen de voorbereidingen voor wat een mijlpaal in de jazz zou worden: het opnemen van het album Kind of Blue.

Grunberg over Malamud: ‘illusie is onze eerste en belangrijkste ervaring’

In de verzameling essays De troost van de slapstick buigt schrijver Arnon Grunberg zich over de kwaliteiten van de Amerikaanse schrijver Bernard Malamud (1914-1986). Hij bewondert Malamud om zijn romans en korte verhalen. ‘Malamud doorziet de ironie van het lot van zijn personages, maar hij beseft dat je de ironie van je lot kunt doorzien maar dat dat nog niet hoeft te betekenen dat je eraan ontkomt. Het lot van de personages is het lot van de verteller. Malamud zelf heeft gezegd dat in een verhaal personages be;angrijker zijn dan een plot.’

Verderop in zijn betoog heeft Grunberg het over illusies, waarnemingen en herinneringen, die bij de Amerikaanse schrijver zo belangrijk zijn in zijn verhalen.

In een interview zei Malamud: ‘Hoe langer ik leef, hoe meer ik besef dat illusie onze eerste en belangrijkste ervaring is.’ Deze observatie zegt niet alleen veel over Malamud en zijn werk, maar ook veel over ons. Als hij gelijk heeft, en ik denk dat hij dat heeft.

Wat betekent het dat illusie onze eerste en belangrijkste ervaring is?

Wij nemen niet alleen waar, maar interpreteren ook onze waarnemingen. Zonder die interpretatie zouden onze waarnemingen vrij zinloos zijn. Veel (niet alle) interpretatie is arbitrair. Om een simpel voorbeeld te geven: wat wij aanzien voor een knipoog kan een zenuwtrek zijn. Dit lijkt een onschuldig voorbeeld, maar een wereld van verwachtingen kan worden gebouwd op zo’n misverstand. Zoals de assistent van de schoenmaker een wereld bouwt op één opmerking van zijn baas. Een wereld van hoop is een eufemisme. Zijn leven. Als illusies onze belangrijkste ervaring zijn betekent dat ook de onherroepelijke eenzaamheid van ons, van de mens. Want hoe deel je illusies? Hoe deel je een wereld die gebouwd is op een misverstand? Een knipoog die een zenuwtrek was. Een opmerking van de schoenmaker die geheel verkeerd begrepen is. (Over de verradelijkheid van woorden hoef ik het hier niet te hebben.)

In het boek The Queit Room beschrijft Lori Schiller (samen met Amanda Bennett) haar leven als schizofreen. Dat wat haar opjaagt, dat wat haar ziek maakt en haar scheidt van andere mensen zijn stemmen in haar hoofd. Stemmen die niemand anders hoort, en die niemand anders kan horen. Woorden.

Ergens in het boek beschrijft ze een jeugdherinnering. Zo goed en levendig dat een professionele schrijver er jaloers op kan zijn. De herinnering eindigt met deze zin: ‘Maar er is één ding dat deze herinnering problematisch maakt. Zij is niet waar. Het is nooit gebeurd.’

Wat moet je doen met herinneringen die niet waar zijn? Als illusies al vrijwel ondeelbaar zijn, dan geldt dat helemaal voor herinneringen die niet waar zijn.

Toch is er een plaats waar je herinneringen die niet waar zijn met anderen kunt delen: literatuur, romans, verhalen, gedichten, toneelstukken. Er is een plaats waar je (in het gunstigste geval) zelfs beloond wordt voor die herinneringen die niet waar zijn. In ieder geval niet gestraft of uitgestoten. Of Malamud last had van herinneringen die niet waar zijn, weet ik niet. Volgens mij heeft iedere schrijver daar last van. In ieder geval besefte hij dat illusie onze eerste en belangrijkste ervaring is. En van illusie naar herinneringen die nooit gebeurd zijn, is een minder grote stap dan men denkt. Malamuds broer was overigens schizofreen, maar dat zijn autobiografische details die we verder maar zullen laten rusten.

Uit: De troost van de slapstick, essays – Arnon Grunberg, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1998

malamud, bernard, newyorktimesbron foto: nytimes.com

Bernard Malamud (1914-1986, New York, USA)

Bijna iedere dag muziek: John Prine

Singer-songwriter John Prine (1949, Nashville, USA). ‘Ik kan een gitaar stemmen en zingen. Als je daar 50 jaar een baan van kunt maken, dan doe je iets speciaals. Mijn gevoel voor humor is mij altijd goed van pas gekomen. Ik wil geen droevige performer zijn, want er is al genoeg verdriet. Ik ben een optimistische pessimist. Ik zie veel slechte dingen, maar probeer daar toch iets positiefs in te ontdekken.’

Prine is een levendige legende in de kringen van de singer-songwriters. Hij komt uit Nashville, zingt tijdloze, verhalende liedjes op basis van folk, country en pop. Was postbode en werd ontdekt door Kris Kristofferson. Hij zingt over eigen ervaringen of over de ervaringen van anderen, zoals de Vietnam-veteraan die aan de drugs raakt en zijn kinderen radeloos en reddeloos achterlaat.

Bob Dylan is fan en omschrijft Prine als een hedendaagse Proust. Prine’s debuut-album staat op hetzelfde niveau als Dylan’s Blood on the tracks en Neil Young’s Harvest (volgens de samenstellers van de Grammy Hall of Fame). Kijk, luister en huiver.

Bron: John Prine door René Megens, DG, 13 feb 2020