W.S. Merwin: goede mensen

Young-WSMerwin, newyorker.combron foto: newyorker.com

Goede mensen

Van de goedheid van mijn ouders / heb ik denk ik dat idee / van het lijden overgehouden

het geloof dat als het maar / onder de aandacht zou komen / van wie dan ook met normale / gevoelens zeker een geletterd / iemand misschien met universitaire

opleiding dat zulke mensen / pijn zouden begrijpen als die / hun onder de ogen kwam en / er dan iets aan zouden doen / in de tijd van pijn van het heden / zouden ze bijvoorbeeld het / bloeden eigenhandig stelpen

maar het ontsnapt aan hun aandacht / of er zijn misschien andere redenen voor / de slachtoffers onder de dekens / de vleeswarenuitstalling de verminkte kinderen / de dieren de dieren / die van het eind van de wereld staren

Uit: poetryfoundation.org/archive; vertaling Daan Bronkhorst

W.S. Merwin (1927-2019, New York, USA)

Publiceerde 15 dichtbundels en veel vertalingen waaronder Dante. Kreeg jong erkenning en zette zich in voor jonge dichters.

Philip Roth over gevoelens bij grafbezoek

roth, philip, groene.nlbron foto: groene.nl

Het is mijn ervaring dat de gedachten die je bij een bezoek aan een graf koestert min of meer dezelfde zijn die iedereen heeft en dat ze, het verschil in welsprekendheid daargelaten, niet zo anders zijn dan Hamlets mijmeringen bij het zien van de schedel van Yorick. Er valt schijnbaar weinig te denken of te zeggen dat geen variant is van ‘hij heeft mij duizenden malen op zijn rug gedragen’. Op een begraafplaats wordt je er meestal aan herinnerd hoe verschrikkelijk beperkt en banaal je gedachten over dit onderwerp zijn. Ja, je kunt proberen tegen de doden te praten als je denkt dat dat zal helpen; je kunt, zoals ik die ochtend deed, beginnen met te zeggen: ‘Nou mam…’ maar het is moeilijk om niet te beseffen – als je al voorbij de eerste zin komt – dat je net zo goed kunt converseren met de wervelkolom die in de spreekkamer van de orthopedist hangt. Je kunt ze dingen beloven, ze op de hoogte brengen van de laatste nieuwtjes, om begrip, om vergiffenis, om liefde vragen – of je kunt de andere, de actieve benadering kiezen, onkruid uittrekken, het grind aanharken, de letters die in de grafsteen gegrift staan betatsen; je kunt zelfs neerknielen en je handen vlak boven hun stoffelijke resten leggen – de grond aanraken, hún grond, je kunt je ogen dichtdoen en je herinneren hoe ze waren toen ze nog bij je waren. Maar die herinneringen veranderen niets, behalve dat de doden nog verder weg en nog onbereikbaarder lijken dan tien minueten geleden, toen je in de auto zat. Als er niemand op de begraafplaats is die je kan zien, kun je behoorlijk idiote dingen doen om de doden iets anders dan dood te laten lijken. Maar zelfs als je daarin slaagt en je jezelf genoeg weet op te peppen om hun aanwezigheid te voelen, ga je toch zonder hen weg. Wat begraafplaatsen bewijzen, althans aan mensen zoals ik, is niet dat de doden aanwezig zijn maar dat ze weg zijn. Zij zijn weg en wij voorlopig nog niet. Dat is fundamenteel en hoe onaanvaardbaar ook, eenvoudig te begrijpen.

Uit: Patrimonium, een waar verhaal, Meulenhoff Amsterdam, 1991; vertaling Else Hoog

Philip Roth (1933-2018, Newark, USA)

Bijna iedere dag muziek: James Brown

Ik zeg: Sex Machine en U: James Brown! Want wie kent hem niet? En zij die onder een steen liggen: als ie gaat trillen, goede kans dat ie trilt omdat een nummer van JB  gedraaid wordt.

JB overleed in 2006 na een lange en invloedrijke loopbaan in de Amerikaanse muziek. Hij noemde zichzelf de hardst werkende artiest. Feit was dat ie tot op hoge leeftijd optrad en het publiek aan het dansen kreeg.

JB was bijzonder omdat hij de funk handen en voeten gaf. Zijn nummers uit de jaren 60, 70 en 80 waren van enorme invloed op popmuziek. En dat gold wereldwijd: van Afrika tot Europa, iedere muzikant en vele stromingen noemen JB als belangrijke inspirator of invloed. JB zelf werd beïnvloed door de opkomst van het zwarte bewustzijn in de jaren 60 (I’m black and i’m proud).

JB was toch vooral een invloedrijk entertainer met weergaloze (dans)nummers. Muziek die nog altijd in de vele hoeken en gaten van de pop (hiphop) terug te vinden zijn.

Voor meer info, James Brown

Anastasia Samoylova fotografeert de sluipende, stijgende waterspiegel

Als u de laatste jaren niet onder een steen geleefd heeft, komt de term klimaatverandering u bekend voor. Klimaatverandering, in één adem genoemd met stijgende waterspiegel. In het zuiden van de VS weten ze daar alles van. Regelmatige overstromingen, al dan niet veroorzaakt door orkanen.

Florida is wat klimaatverandering betreft een interessante plek. Miami, Florida geldt als een soort paradijs. Je vindt er luxe in alle soorten en maten. En juist dat wordt bedreigd door: meer hitte, meer vochtigheid en een sluipende stijging van de waterspiegel. Er ligt een tijdbom onder de luxe van Florida.

De van origine Russische fotografe Anastasia Samylova (1984) woont in Miami en ziet het allemaal rond haar gebeuren. Ze plaatste de lens tussen haar en haar omgeving en dit was het resultaat: Floodzone. Een fotoboek dat de signalen in beeld brengt van deze sluipende, maar immer stijgende waterspiegel en de klimaatverandering die daarvoor verantwoordelijk is.

anastaia samylova, floodzone7anastaia samylova, floodzone8

anastaia samylova, floodzone4

anastaia samylova, floodzoneanastaia samylova, floodzone3anastaia samylova, floodzone5

Richard Ford: Rock Springs

Richard-Ford-brittanicabron foto: brittanica.com

Edna en ik waren vanuit Kalispell op weg naar Tampa-St. Pete, waar ik nog een paar vrienden uit de goeie ouwe tijd had die me niet zouden aangeven bij de politie. Ik had mezelf in Kalispell in de nesten weten te werken met een paar ongedekte cheques – iets waarvoor je in Montana naar de gevangenis gaat. En ik wist dat Edna al aan het wikken en wegen was of ze bij me weg zou gaan, want het was niet de eerste keer in mijn leven dat ik in aanvaring was gekomen met de wet. Zij had zo haar eigen moeilijkheden gehad, toen ze haar kinderen kwijt was geraakt en ervoor moest zorgen dat haar ex-echtgenoot, Danny, niet bij haar inbrak en haar spullen stal als zij naar haar werk was. Eigenlijk was ik daarom bij haar ingetrokken, maar ook omdat ik mijn dochterje Cheryl een betere kans wilde geven.

Bam, dit is pas een inleiding op een kort verhaal. Zo lees ik the American Novel het liefst: kort, puntig, zonder poespas. Je weet onmiddellijk waar je aan toe bent. Kansloze hoofdpersonen, zwanger van de heftige gebeurtenissen die zouden kunnen gaan volgen. Geen prachtige volzinnen, geneuzel over de natuur en de tijd van het jaar. Geen tijd verdoen, door naar de actie. In dit geval de innerlijke actie: hoe overdenkt en ervaart de kruimeldief zijn leven, zijn situatie, de omstandigheden. Ik word niet teleurgesteld:

De taxi was er al toen ik aan kwam lopen. Ik zag de rood-en-groene lichten op het dak al vanaf de overkant van de droge bedding en ik begon me zorgen te maken dat Edna iets zou zeggen waarmee we problemen zouden krijgen, iets over de auto (gestolen) of waar we vandaan kwamen, iets wat ons verdacht zou maken. Ik bedacht op dat moment dat ik dingen nooit goed genoeg voorbereidde. Er was altijd een kloof tussen mijn plan en wat er gebeurde en ik reageerde pas op dingen als ze zich voordeden en hoopte maar dat ik niet in moeilijkheden zou komen. In de ogen van de wet was ik een misdadiger. Maar ik dacht er altijd anders over, alsof ik geen misdadiger was en ook niet van zins was er een te zijn, en dat was waar. Maar zoals ik ooit op een servetje las, ligt er een heel koninkrijk tussen de gedachte en de daad. En ik had het moeilijk met mijn daden, die vaak misdadig waren, en mijn gedachten, die zo eerlijk waren als het goud dat ze daar bij die fel brandende lichten wonnen.

Het is een kruimeldief uit gelegenheid: auto’s stelen, ongedekte cheques uitgeven en voortdurend op de vlucht. Ondertussen relaties hebben en kinderen opvoeden. Iemand die moet dealen met het leven waarin hij gegooid is. Have en Have-nots, de beste Amerikaanse korte verhalen zijn er bezaaid mee. Deze van Richard Ford is er een mooi voorbeeld van. Ondertussen kruip ik in het hoofd van de hoofdpersoon. En hij verzucht:

Zolang ze bij me was, heb ik altijd voor Cheryl gezorgd. Geen van de vrouwen heeft dat ooit gedaan. De meesten leken haar niet eens aardig te vinden, hoewel ze voor me zorgden op een manier waardoor ik weer voor haar kon zorgen. En ik wist dat dat allemaal moeilijker zou worden als Edna eenmaal vertrokken was. Hoewel ik er het liefst nog een poosje niet aan wilde denken, wilde proberen mijn gedachten uit te schakelen om ze te sterken voor wat er verder komen ging. Ik bedacht dat het verschil tussen een geslaagd en mislukt leven, tussen mij op dat moment en al die mensen van wie de auto’s waren die naast elkaar op hun juiste plekje op het parkeerterrein stonden, misschien tussen mij en die vrouw in de caravan bij de goudmijn, lag in hoe goed je dit soort dingen uit je hoofd kon zetten en je er niet door van slag liet brengen, en misschien ook in hoeveel tegenslagen zoals deze je in een leven te incasseren kreeg. Door toeval of handigheid hadden ze allemaal minder tegenslagen gehad, en vanwege hun karakter vergaten ze die sneller. En dat wilde ik ook. Minder tegenslagen, minder herinneringen aan tegenslagen.

Uit: Vuurwerk, Contact Amsterdam, 1990; vertaling Tineke Funhoff en Frans van der Wiel.

Richard Ford (1944, Jackson, USA)

Denise Levertov: de klacht van Adam

levertov, denise; azme

bron foto: azmemory.azlibrary.gov

De klacht van Adam

Sommige mensen, / ongeacht wat je ze geeft, / willen nog steeds de maan.

Het brood, / het zout / wit vlees en donker. / nog steeds hongerig.

Het huwelijksbed / en de wieg, / nog steeds lege armen.

Je geeft ze land, / hun eigen grond onder de voeten, / nog steeds trekken ze weg.

En water: graaf voor hen de diepste put, / die is nog steeds niet diep genoeg / om er de maan uit te drinken.

Uit: Selected poems, Bloodaxe Newcastle upon Tyne UK, 1986

Denise Levertov (1923-1998, Essex, UK)

Tim O’Brien: spooksoldaten

tim o'brien, nytimes.combron foto: nytimes.com

Terwijl Marlon Brando als Colonel Kurtz (in Coppola’s Apocalypse Now) zijn laatste adem uitblaast en nog: ‘the horror, the horror’ uitbrengt, moet ik aan De Spooksoldaten van schrijver Tim O’Brien denken. O’Brien (1946, Austin, USA) staat bekend als vertolker van de ervaringen en gevoelens van oud-Vietnamstrijders in de VS. Van 1968 tot 1970 diende hij in Vietnam. Hij was sergeant en kreeg er een Purple Heart voor. Zijn werk (veelal korte verhalen en een aantal romans) gaan over de ervaringen in die wrede oorlog en de nasleep in de VS zelf. Zijn bekendste verzameling verhalen: The things they carried.

In De Spooksoldaten gaat het om een soldaat die twee keer gewond raakt. De eerste keer wordt hij goed geholpen door de dienstdoende hospik, de tweede keer niet. Dat leidt tot wraakgevoelens die worden uitgeleefd.

Neergeschoten worden is voor een soldaat een vernederende ervaring. Hij schaamt zich ervoor, zo lezen we in dit verhaal. Maar de hoofdpersoon wil graag terug naar het strijdtoneel:

‘ik miste het avontuur, de kameraadschappelijkheid, zelfs het gevaar. Dat is moeilijk uit te leggen aan iemand die het niet ervaren heeft. Gevaar maakt de dingen intens. Als je bang bent, echt bang, proef je je eigen spuug, zie je dingen die je nog nooit eerder gezien hebt, je let op.

In het korte verhaal gaat het ook over de tegenstander/vijand, de spooksoldaat:

‘Spoken’ – zo noemden we de vijand. ‘Een klotenacht,’ mopperden we tegen elkaar als ‘de spoken op pad waren’. In dat jargon betekende ‘spoken zien’ niet alleen bang zijn, maar ook gedood worden. ‘Zie geen spoken,’ zeiden we tegen elkaar. ‘Blijf kalm. Blijf in leven.’ We opereerden in een spookachtig land: sluipschutters, tunnels, voorouderverering, stokoude papa-sans, wierook. Een land vol geesten. We vochten tegen machten die zich niets van de 20-ste eeuwse wetenschap aantrokken. Als je diep in de nacht op wacht stond, leek heel Vietnam te glinsteren en te bewegen: vreemde gestalten die rondwervelden in het donker, fantomen, verschijningen, geesten in de verlaten pagodes, kwelduivels op sandalen. Toen in februari een vent die Olson heette, sneuvelde, zei ineens iedereen dat ‘de Heilige Geest hem had meegenomen.’ En toen Ron Ingo in april op een mijn was getrapt, zei iemand dat hij een duivelsei geworden was: geen armen meer, geen benen, alleen nog maar een beklagenswaardig duivelsei.

Een land van spoken en de vijand was het ergste spook. De manier waarop hij ’s nachts plotseling opdook. Je zag hem nooit maar je dacht dat je hem zag. Tovernarij, bijna, hij was er maar hij was er niet. Hij zweefde. Hij gleed door prikkeldraadversperringen heen. Hij was onzichtbaar, hij ging op in het landschap, hij veranderde van vorm. Hij kon vliegen. Als ijs kon hij wegsmelten. Hij kon je besluipen zonder dat je hem hoorde aankomen. Hij was angstaanjagend.

Best mogelijk dat je overdag in al die onzin niet geloofde. Dan lachte je en maakte er grappen over. Maar ’s nachts geloofde je er wel in: in een schuttersputje is geen ruimte voor scepsis.

Uit: De Spooksoldaten: uit: De beste Amerikaanse verhalen uit Esquire, Meulenhoff Amsterdam, 1990; vertaling Ernst Ris

Tim O’Brien (1946, Austin, USA)

Raymond Carver: buren

carver, raymond; trouw.nlbron foto: trouw.nl

Het zijn buren. Het ene koppel is jaloers op het succes van het andere. Als het succesvolle koppel weer eens een tiental dagen weg is, past het andere koppel op huis en haard. Bedoeling is poes Kitty en de planten te verzorgen.

Buurman neemt als eerste de taak op zich. Hij blijft steeds langer weg.

Hij maakte de kleerkast open en koos een hawaï-shirt uit. Hij vond na enig zoeken een bermuda, die keurig geperst over een bruine, gekeperde zomerbroek hing. Hij liet zijn eigen kleren op de grond glijden en schoot de korte broek en het hemd aan. Hij keek weer in de spiegel. Hij liep naar de kamer en schonk zich een glas in en nipte er terug naar de slaapkamer aan. Hij trok een blauw overhemd aan, een donker pak, zwarte wing-tipschoenen, deed een blauwe met witte stropdas om. Het glas was leeg en hij haalde er nog een.

Terug in de slaapkamer ging hij op een stoel zitten, sloeg zijn benen over elkaar en glimlachte, zich onderwijl observerend in de spiegel. De telefoon rinkelde twee keer en hield toen op. Hij dronk zijn glas leeg en trok het pak uit. Hij haalde de bovenste twee laden overhoop tot hij een slipje en een beha vond. Hij stapte in de slip en maakte de beha vast en zocht toen in de kast naar een bij elkaar passend geheel. Hij deed een zwart met wit geblokte rok aan en probeerde die dicht te ritsen. Hij trok een wijnrode blouse aan die van voren sloot. Hij liet een oog over haar schoenen gaan maar begreep dat die niet zouden passen. Van achter het gordijn keek hij lange tijd door het raam in de kamer naar buiten. Toen liep hij terug naar de slaapkamer en borg alles op.

Ook buurvrouw geeft toe aan haar jaloerse nieuwsgierigheid en gaat naar het huis van de buren. Als ook buurvrouw lang wegblijft, besluit buurman haar op te zoeken.

De deur was op slot.

‘Ik ben het. Ben je daar nog, schat?, riep hij.

Even later draaide het slot open en Arlene stapte naar buiten en deed de deur dicht. ‘Ben ik dan al zo lang weg?’, zei ze.

‘Eh ja,’ zei hij.

‘Oh ja?’, zei ze. ‘Zeker met Kitty gespeeld.’

Hij keek haar aan, en zij wendde haar blik af, met haar hand nog aan de deurknop.

‘Raar hè?’, zei ze. ‘Ik bedoel zo bij een ander binnenlopen.’

Hij knikte, nam haar hand van de knop en leidde haar naar haar eigen voordeur. Hij ging met haar hun flat binnen.

‘Het is ook raar,’ zei hij.

Hij bemerkte wit pluis op de rug van haar trui en ze had een kleur op haar wangen. Hij begon haar nek en haren te kussen en ze draaide zich om en kuste hem terug.

‘Ach, wat stom,’ zei ze. ‘Stom, stom,’ riep ze uit, zichzelf met meisjesachtig handgeklap begeleidend. ‘Daar denk ik nu pas aan. Ik heb helemaal niet gedaan wat ik zou gaan doen. Ik ben finaal vergeten Kitty te voeren en de planten water te geven.’

Ze keek hem aan. ‘Dom, hè?’

‘Vind ik niet,’ zei hij. ‘Moment. Ik pak even mijn sigaretten dan loop ik met je mee.’

Ze wachtte tot hij hun voordeur dicht had getrokken en op slot gedaan, pakte toen zijn arm bij de biceps en zei: ‘Laat ik het je maar vertellen. Ik heb een paar foto’s gevonden.’

Hij bleef halverwege het portaal staan. ‘Wat voor foto’s?’

‘Kijk zelf maar,’ zei ze en sloeg hem gade.

‘Serieus?’ Hij grijnsde. ‘Waar?’

‘In een la,’ zei ze.

‘Serieus?’ zei hij.

En toen zei ze: ‘Misschien komen ze wel niet terug,’ en ze stond op hetzelfde moment versteld van haar eigen woorden.

‘Het zou kunnen,’ zei hij. ‘Alles kan.’

Uit: Buren; uit: Waarover wij praten als wij over liefde praten, Arbeiderspers Amsterdam, 1985; vertaling Sjaak Commandeur

Raymond Carver (1938-1988, Clatskanie, USA)

Carver beschreef het anonieme Amerika van de noordwestkust en vooral de wanhopige levens van vertegenwoordigers, barmeisjes en honderden andere kleine luiden die geen raad weten met hun emoties. 

Uit: Steinz, gids voor de wereldliteratuur, Jet en Pieter Steinz, Nieuw Amsterdam uitgevers, Amsterdam, 2015

 

Flannery O’Connor: Parkers rug

flannery o'connor; nytimes.combron foto: nytimes.com

Het is altijd prettig als een verhaal begint met een inleiding die meteen veel vragen oproept.

Parkers vrouw zat op de vloer van de veranda aan de voorkant van het huis sperziebonen te breken. Parker zat een eindje van haar vandaan op het trapje en bekeek haar knorrig. Ze was lelijk, lelijk. De huid van haar gezicht was dun en strak als een uieschil en haar ogen waren grijs en scherp als de punten van twee ijspriemen. Parker begreep wel waarom hij met haar getrouwd was – dat was de enige manier geweest waarop hij haar kon krijgen -, maar hij begreep niet waarom hij nog bij haar bleef. Ze was zwanger en hij had het niet op zwangere vrouwen. Toch bleef hij, alsof ze hem behekst had. Hij snapte het niet en schaamde zich over zichzelf.

Het wordt een ingewikkeld verhaal om er achter te komen wat precies de chemie tussen Parker en zijn vrouw is. Het is een kort verhaal van moedwil en misverstand. Een belangrijke rol is weggelegd voor tatoeages. Het lijf van Parker is ermee behangen. Dat zit zo:

Parker was veertien toen hij op een kermis een man zag die van top tot teen bedekt was met tatoeëringen. Afgezien van zijn lendenen, die omgord waren met een pantervel, was het hele lichaam van de man bedekt met wat op die afstand – Parker stond bijna achter in de tent op een bank – een doorlopend, gecompliceerd en in stralende kleuren uitgevoerd patroon was. De man, die klein en stevig was, liep heen en weer over het podium en spande zijn spieren, zodat de arabesk van mensen en dieren en bloemen op zijn vel geheimzinnig en spontaan leek te bewegen. Parkers gemoed schoot vol, hij voelde de verheven ontroering die sommige mensen bevangt bij het zien van de vlag. Hij was een jongen met een mond die altijd openhing. Hij was grof gebouwd en ernstig, even alledaags als brood. Na afloop van de voorstelling was hij op de bank blijven staan staren naar de plaats waar de getatoeëerde man had gestaan, totdat de tent bijna leeg was.

Parker had nog nooit de geringste verwondering over iets gekoesterd. Tot op het moment dat hij de man op de kermis zag, was het niet in zijn hoofd opgekomen dat er iets bijzonders was aan het feit dat hij leefde. Dat kwam ook toen niet bij hem op, maar er nestelde zich een merkwaardige onrust in zijn binnenste. Het was alsof een blind kind zo voorzichtig met zijn gezicht naar een andere kant was gedraaid dat het niet wist dat zijn bestemming gewijzigd was.

Als Parker besluit om ook zijn rug van tatoes te voorzien als eerbetoon aan vrouw en het kind dat er aan zit te komen, volgt er een onvoorzien eind aan dit adembenemende korte verhaal.

Flannery O’Connor (1925-1964, Savannah, USA) schreef romans en korte verhalen, die zich afspelen in het zuiden van de VS. Ze had een voorliefde voor karakters met een twijfelachttge moraal. Ook Parker is zo’n type. School niet afgemaakt, het leger in, oneervol ontslagen, vechtpartijen, de bajes in, daarna allerlei klusjes om van rond te komen.  Ook Sarah Ruth, de vrouwelijke hoofdpersoon, is geen vrouw die met zich laat sollen. Dochter van een predikant, die geen blad voor de mond neemt. Maar het mysterie van de relatie tussen twee rafelrand-types blijft mijn aandacht vasthouden. Sfeer en typeringen zijn raak. Handelingen en motieven blijven boeien. O’Connor schreef filmisch en grotesk over het leven in het zuiden. Als ware het een combinatie van meedogenloze, brutale komedie en gewelddadige tragedie. Kortom, met gevoel voor spanning en met een duidelijk beeld van wat er anders is aan deze ruwe, nietsontziende wereld, die ik nog niet ken(de). Bij het zien van haar foto bedacht ik me dat deze wereld waarschijnlijk ver van de hare afstond. Het moet haar gefascineerd hebben. Ze schreef er prachtig over!

Uit: Alle dingen die opwaarts gaan komen ergens samen, Bert Bakker Amsterdam, 1988; vertaling Else Hoog

Flannery O’Connor (1925-1964, Savannah, USA)