Magris microcosmi: ‘elk vertrek is verdriet om het afscheid en de terugkeer’

Mali_Losinj;yachtcharter-magazin.de

Losinj, eiland in de Kvarnergolf behorend tot Kroatië; bron beeld: yachtcharter-magazin.de

In de microcosmos van Claudio Magris (1939, It) zijn we aanbeland op de Absyrtiden, de eilanden voor de kust van het huidige Kroatië. Geliefd bij de Italiaanse toerist. In zijn verhalen over dit gebied gaat het over de streek, haar geschiedenis en haar bewoners. Omdat we spreken over eilanden, gaat het zeker over de kust, het land en de zee; vooral de zee.

‘Addio barba’, adieu beste vriend, goede reis, zeggen de mensen op Cres wanneer er een begrafenisstoet door de straten komt. Nino is geen kerkganger, geen sprake van, maar voor wie op zee is geboren en getogen, is elk vertrek niet alleen verdriet om het afscheid, maar doet het ook denken aan terugkeer. Dat wisten de bewoners van Losinj, die de mooiste baai van hun eiland Cikat, in het Italiaans Cigale, hadden genoemd, naar het Kroatische werkwoord cekati, dat wachten betekent, wachten op familieleden die zijn vertrokken met de vissersboot of het zeeschip.

losinj-uvala-cikat; moirecharter.eu

Losinj en Cres gezien vanuit de lucht; bron beeld moirecharter.eu

Cikat is een bocht die een opening naar zee vormt en deze tegelijk omsluit, armen die zich spreiden en zich samentrekken, cirkel van de horizon, muziek van het verdwijnen en weer verschijnen – ‘Strophe, voll von Untergang und voll von Wiederkehr,’ dichtte Gottfried Benn, vergankelijkheid van de individu en voortduren van het zijn, tijdperken en millenia die weer aan het oppervlak komen in de door de zee geslepen woorden en steentjes. De scherven op het strand zijn glad, maar de scherpe punt is pas kortgeleden afgerond, misschien een tiental generaties geleden; megalithische en Liburnische beschavingen zijn verdwenen als het licht dat de zee langzaam opslorpt, het door de branding verplaatste zand kneedt oude botten. Een jonge voet trapt op een schelp, de schelp breekt en de voet bezeert zich aan de scherpe stukjes; het is bloed van het leven, de liefde is als een nootje, als je het niet breekt kun je het niet eten, is de tekst van een liedje op deze eilanden. De schelp ligt op het strand, open en gewond; het water spoelt hem schoon en wist het spoor uit van die voet, de eeuwen verstrijken als getijden, de scherven worden afgerond, geven aangenaam mee onder een andere blote voet. Een boot komt terug in de baai, wordt op het droge getrokken; iemand gaat terug naar huis.

uit: microcosmi – Claudio Magris, Bert Bakker Amsterdam, 1998; vertaald door Anton Haakman

Verdriet is het ding met veren, aldus Max Porter

Max Porter (1981, High Wycombe, UK) was boekverkoper en een goede. Hij won er een prijs mee. Prijzen kreeg hij ook toen hij besloot zelf te gaan schrijven. Hij schreef korte verhalen, poëzie en non-fictie voordat hij aan de roman begon. Verdriet is het ding met veren was zijn eerste in Nederland vertaalde roman. De hoofdpersoon verliest zijn dierbare vrouw en blijft met kinderen achter.

Ik voelde me als de Aarde op die indrukwekkende afbeelding van de planeet omringd door een brede gordel van ruimteschroot. Ik had het idee dat het nog jaren zou duren voor de strak aangesnoerde droom van andermans rouwbeklag over de dood van mijn vrouw me weer speling zou geven om iets van het zwarte heelal te zien, en vanzelfsprekend – overbodig het te zeggen – bezorgde dit soort gedachten me een schuldgevoel. Maar, bedacht ik, te eigener verdediging, alles is anders geworden, en zij is weg en ik mag denken wat ik wil. Zij zou het met me eens zijn, want we waren altijd superkritisch, cynisch, net per se loyaal, trokken altijd alles in twijfel. Na etentjes fileerden we achteraf samen alles en iedereen, goed bedoeld natuurlijk.

Hypocrieten. Vrienden.

De bel ging opnieuw.

Ik liep de beloperde trap af naar het koude halletje en opende de voordeur.

Er waren geen straatlantaarns, vuilnisbakken of stoeptegels. Geen gestalte of licht, geen enkele vorm, alleen een stank.

Er was een knal en een zwiep en ik werd achterovergesmakt, omvergeblazen, op de drempel. De voorhal was aardedonker en ijskoud en ik dacht: wat is dit voor wereld, dat ik nu vanavond in mijn eigen huis word overvallen? En toen dacht ik: wat maakt het ook eigenlijk uit? En ik dacht: maak alsjeblieft de jongens niet wakker, ze hebben hun slaap nodig. Ik geef je mijn laatste cent, als je de jongens maar niet wakker maakt.

Ik deed mijn ogen open en het was nog steeds donker en alles knisperde en ritselde.

Veren.

uit: verdriet is het ding met veren, Bezige Bij Amsterdam, 2016

porter, max, thetimes.co.ukbron beeld: thetimes.co.uk

Max Porter (1981, High Wycombe, UK)

Julian Barnes brengt verdriet en rouw precies onder woorden

barnes, julian; startribune.comJulian Barnes met Pat Kavanagh; bron foto: startribune.com

Een merkwaardig boek is het: Hoogteverschillen. De Brit Julian Barnes (1946, Leicester, UK) schreef het in 2013 nadat zijn vrouw Pat was overleden (in 2008) na een hersentumor. Het niet al te dikke boek bestaat uit drie delen die op het eerste gezicht niet zoveel met elkaar van doen hebben. Nietsvermoedend en onvoorbereid lezend (veelal de beste positie om je al lezend te laten verrassen) overviel me het laatste deel. Het is een autobiografisch verhaal waarin Barnes zijn verdriet en rouw precies onder woorden brengt. Daarvoor hebben we gelezen hoe Felix Nadar fotografie en ballonvaart combineerde. En hoe actrice Sarah Bernhardt en avonturier Fred Burnaby aan elkaar gekoppeld worden.

De overeenkomsten: het gaat over dingen die aan elkaar worden gevoegd, dat nooit eerder waren, en iets nieuws opleveren. Je kunt ook zeggen dat het gaat over naar jezelf kijken en de wereld; over afstand en dichtbij zijn; over letterlijk en figuurlijk en over objectief en subjectief.

Barnes doet dat met weinig woorden maar heel precies. Dat leverde in mijn geval op, dat zijn persoonlijk relaas over het verlies van zijn geliefde me diep raakte. Het lukt Barnes om helder en duidelijk onder woorden te brengen wat verlies en rouw betekent. Dat verdriet en rouw persoonlijk zijn en voor niemand hetzelfde. Zijn woorden zijn herkenbaar en bieden troost.

Ik geloof niet dat ik haar ooit weer zal zien. Nooit meer zien, horen, aanraken, omhelzen, naar haar luisteren, met haar lachen; nooit meer wachten op haar voetstap, glimlachen bij het geluid van een deur die opengaat, haar lichaam in dat van mij opnemen, het mijne in dat van haar. En ik geloof ook niet dat we elkaar weer in een of andere onstoffelijke vorm zullen ontmoeten. Ik geloof dat dood dood is. Sommigen vinden dat verdriet een heftige, zij het gerechtvaardigde, vorm van zelfmedelijden is; sommigen dat het enkel de eigen weerspiegeling is in het oog van de dood; anderen zeggen dat het de achtergeblevene is met wie ze te doen hebben, omdat dat degene is die eronder gebukt gaat, terwijl de verloren geliefde niet meer kan lijden. Dergelijke benaderingen proberen het verdriet te beheersen door het te minimaliseren – en met de dood hetzelfde te doen. Het is waar dat een deel van mijn verdriet zelfgericht is – kijk toch wat ik ben kwijtgeraakt, hoe mijn leven beknot is – maar het gaat meer, veel meer, van meet af aan al, om haar: kijk toch wat zij is kwijtgeraakt nu ze het leven verloren heeft. Haar lichaam, haar geest; haar stralende nieuwsgierigheid naar het leven. Op sommige momenten voelt het alsof het leven zelf de grootste verliezer is, de ware nabestaande, omdat het niet meer aan die stralende nieuwsgierigheid van haar onderworpen is.

Uit: Hoogteverschillen, Atlas Contact Amsterdam, 2013

Julian Barnes (1946, Leicester, UK)

 

Rawie: troost

Troost

Stel dat de avond niet zou vallen / en dat het moeizame gedoe / dat wij bedrijven met ons allen / zou doorgaan tot oneindig toe.

Ach kind, het maakt me nu al moe, / wanneer ik aan de duizendtallen / verdrietjes denk die waar en hoe / ook jou nog zullen overvallen.

Wees maar tevreden dat het komt, / het nu nog zo gevreesde einde / aan al ons nutteloos getob.

Denk je eens in: eenmaal verdwijnt de / ellende; het gelul verstomt; / mijn lief, verheug je er maar op.

Rawie-Prinsentuin, tzumbron foto: tzum.info

J.P. Rawie (1951, Scheveningen)

Uit: Kwade trouw, Bert Bakker Amsterdam, 1986

Rawie: troost

Troost

Stel dat de avond niet zou vallen / en dat het moeizame gedoe / dat wij bedrijven met ons allen / zou doorgaan tot oneindig toe.

Ach kind, het maakt me nu al moe, / wanneer ik aan de duizendtallen / verdrietjes denk die waar en hoe / ook jou nog zullen overvallen.

Wees maar tevreden dat het komt, / het nu nog zo gevreesde einde / aan al ons nutteloos getob.

Denk je eens in: eenmaal verdwijnt de / ellende; het gelul verstomt; / mijn lief, verheug je er maar op.

rawie malou van breevoort, ad.nlfoto: Malou van Breevoort; bron foto: ad.nl

J.P. Rawie (1951)

Uit: Kwade trouw, Bert Bakker Amsterdam, 1986

Gerrit Achterberg: mania religiosa

mania religisosaMania religiosa

De dorpsveldwachters hebben hem besprongen. / Hij gooide melkbussen over het huis, / van veertig liter elk. Het was niet pluis / in deze bovenkamer. Cellen drongen

te veel open. Hij voelde zich gedwongen / de orde te herstellen door de sluis / der kracht open te zetten. Vol gebruis / stroomde de melk omlaag in lange tongen.

Hij had verkering, maar het ging niet door; / zodat zijn leven tot een bus bevroor. / En bijbelteksten lagen op de loer;

de tien talenten en de goede werken. / God heeft ze hedenmiddag kunnen merken. / Daarvoor waren ze dan ook van een boer.

Gerrit Achterberg (1905 – 1962)

Uit: Verzamelde gedichten, Querido Amsterdam, 1988

Dieren: de geit

goat

De geit

Ik heb met een geit gepraat. / Natgeregend en verlaten, / vastgebonden, moegegraasd, / stond ze in een wei te blaten.

Dat toonloze gemekker was verwant / met mijn verdriet. En ik mekkerde terug, / eerst voor de grap en dan omdat verdriet oneindig is, / één stem heeft, onveranderd blijft, altijd. / Die stem hoorde ik klagen / in een godverlaten geit.

In een geit met semitische gelaat / hoorde ik ’t gekerm van ieder ander leven, / ieder ander kwaad.

Umberto Saba (1883 – 1957), Italiaans

Uit: Poëziekrant september-oktober 1990, vertaling Frans Denissen

Giorgio Bassani: ‘De gevangenis is een echte leerschool.’

ferrara

De verhalen van schrijver Giorgio Bassani spelen zich af in het Italiaanse Ferrara

Clelia Trotti is een personage uit de verhalen van de joods-Italiaanse schrijver Giorgio Bassani (1916 – 2000). Ze is socialiste en anti-fasciste. En een typisch voorbeeld van de vele personages die de verhalen van de Italiaan bevolken. Bassani situeerde zijn verhalen meestal (of altijd) in Ferrara. Hij werd de chroniqueur van deze ommuurde stad. Veel van zijn hoofdpersonen hebben dezelfde strijd te voeren: die tegen de rest. Het zijn types die vanwege hun opvattingen, hun religie of hun geaardheid buiten de maatschappij staan. Wat ze doen (of laten) om toch te overleven; daar geen veel verhalen van Bassani over. Ook in De laatste jaren van Clelia Trotti.

‘Het is maar een droom, ik weet het,’ voegde ze er dadelijk aan toe, ‘een vrome wens die nooit zal worden vervuld. Wat heb ik nu bereikt, afgezien van een paar jaar verbanning en nu die gecontroleerde vrijheid, wat heb ik gedaan in het leven om een graf te verdienen tussen de groten van onze stad, ketters of niet. Ik ben niet eens in elkaar geslagen, kunt u nagaan. Mij hebben de fascisten voorzichtiger behandeld. Ze hebben me alleen in ’22 een halve ounce wonderolie laten slikken, voor de deur van de lagere school in de via Bersaglieri del Po, en mijn gezicht volgesmeerd met zwartsel. Ach ach! Het is dat de kinderen erbij stonden te kijken en huilden van angst, anders had ik het niet eens zo erg gevonden, dat verzeker ik u. Ze hadden heus niet met twintig of dertig man hoeven komen, met knuppels, dolken, doodskoppen op hun pet enzovoort, om een vrouw alleen in te maken! Flink, hoor. Terwijl ik de olie inslikte wist ik al  dat iedereen deze actie van de zwarthemden zou afkeuren.’

(..)

‘De gevangenis is een echte leerschool,’ zei ze op een andere avond, terwijl ze een Macedonia aanstak aan de peuk van de vorige (een slechte gewoonte die ze aan de gevangenis had overgehouden, verklaarde ze), ‘mits je niet te lang blijft zitten en er fysiek niet onderdoor gaat. Ik voor mij ben het lot dankbaar dat het mij die beproeving niet heeft bespaard. Eenzaamheid, bezinning, niemand anders hebben dan jezelf, dat word je een beter mens van. En jezelf leren kennen, vechten tegen bepaalde neigingen en ze soms weten te overwinnen, dat kan alleen tussen de vier muren van een cel. Toen ik in 1930 uit de gevangenis kwam deed ik met pijn in het hart afstand van mijn nummer, zesendertig, alsof ik een deel van mezelf achterliet. Iedere muur, elke hoek, alles wat er was droeg sporen van verdriet. De waarheid is dat een mens zich het meest hecht aan die plaatsen waar hij heeft gehuild, waar hij heeft geleden en waar hij in zichzelf de kracht heeft gevonden om te hopen en weerstand te bieden.’

Fragmenten uit: De laatste jaren van Clelia Trotti – Giorgio Bassani, Meulenhoff Amsterdam, 1980, vertaling Tineke van Dijk en Joke Traats

Paul Fleming: ten tijde van zijn uitsluiting

paul_fleming

Paul Fleming is een Duits dichter uit de 17-de eeuw. Hij leefde van 1609 tot 1640 en stierf in Hamburg. Fleming heeft een onsterfelijk gedicht op zijn conto. Hij schreef het in de 17-de eeuw, een eeuw waarin scheepvaart een belangrijke rol speelde. Al het transport-verkeer speelde zich op het water af. Had je veel goederen te vervoeren, dan koos je in die dagen de boot. Andere vervoermiddelen waren te klein (paard en wagen) of te risicovol (struikrovers, roofridders).

In het gedicht ‘Zur Zeit seiner Verstossung’ verwijst hij naar die praktijk. In dit gedicht gaat hij van het algemene naar het bijzondere, van het uiterlijke naar het innerlijke, het persoonlijke.

Ein Kaufmann, der sein Gut nur einem Schiff traut, ist hochgefährlich dran, indem es bald kann kommen, dass ihn auf einem Stoss sein ganzes wird genommen. Der fehlt, der allzuviel auf ein Gelücke traut.

Gedenk ich nun an mich, so schauert mir die Haut: mein Schiff, das ist entzwei, mein Gut ist weggeschwommen. Nichts mehr, das ist mein Rest; das machet kurze Summen, ich habe Müh und Angst, ein andrer meine Braut.

Ich Unglückseliger! mein Herze wird zerrissen, mein Sinn ist ohne sich; mein Geist zeucht von mir aus. Mein Alles wird nun Nichts. Was wird doch endlich draus? War eins doch übrig noch, so wollt ich alles missen. Mein treuerster Verlust, der bin selbselbsten ich. Nun bin ich ohne sie; nun bin ich ohne mich.