Cami: tijd

Tijd: uiteindelijk

Tijd: uiteindelijk / Zijn we er zonder wrevel in gevangen, / Samen in dit kleine huis, verzoend / Met de jaren van blindheid en schuld, / Bevrijd / Van de sintvitusdans / Op het ritme van de angst.

Van buiten de muren komt ons een geruis. / Is het de wind? / Of is het de nacht waarin we, / Tijdloos ver in de ruimte, / Nooit meer blind zijn, / Nooit meer schuldig.

Uit: Ten westen van Eden, Lannoo Antwerpen, 1998

schrijversgewijs.be, camibron foto: schrijversgewijs.be

Ben Cami (1920-2004, Durham UK)

Herman de Coninck: verjaardagsvers

25 september 1971: Op een zaterdagavond, reden Herman De Coninck en zijn vrouw An Somers naar Mechelen (België). zoon Tomas zat op de schoot van zijn moeder. Ze zouden de baby bij hun ouders afzetten en naar een concert gaan. Het was schemerdonker. Op hun rijvak verscheen een tegenligger. De koplampen aan. De auto kwam recht op hen ingereden. Moeder en kind werden uit de auto geslingerd. Ze werden met een ziekenwagen naar het Onze-Lieve-Vrouwgasthuis in Mechelen gebracht. Herman, die slechts lichte verwondingen had, bleef ter plaatse achter. Tomas overleefde het ongeval, maar An zou later die avond overlijden. Herman was daar niet bij.

ansomers

bron foto An Somers: http://www.mechelenblogt.be

Verjaardagsvers

Je zei nooit wat. Ik moest het altijd vragen. / Of je van mij hield. En je zoende. / Of het veilig was die eerste keer. / En je zoende weer. / En even later of ik het goed deed zo, / en je zoende, o.

Je zei nooit wat, je zei het altijd met je ogen. / Je ogen die helemaal alleen / in je gezicht achterbleven als ik je verliet; / je ogen na geween: / je was er niet, / je keek me aan als verten / en ik moest erheen.

En als ik weer tot daar was / de ogen waarmee je het woord ‘lieveling’ zei, / keek of het niet veranderde / op weg naar mij. / En toen je naast de weg lag in de wei, / wat had je niet allemaal gebroken, / je benen, je ribben, je ogen, mij. / Je zei nooit wat, je zei het altijd met je ogen, / zoals je daar lag, te zieltogen, / te zieltogen.

En je ogen die je zoon nu in heeft staan, waarmee hij zegt: niet weggaan – / je zei nooit wat, hij zegt het, en jij kijkt mij aan.

Herman de Coninck (1944 – 1997)

Uit: De gedichten deel 1, Arbeiderspers Amsterdam, 1998 

‘Duvelmakere’ Jeroen Bosch liep vooruit op surrealisme en fantasy

Jeroen Bosch (1450 – 1516) was niet alleen ‘den duvelmakere’ maar ook een satiricus en een moralist, die volgens sommigen duidelijk schatplichtig was aan de kritische pre-reformatorische geschriften van Erasmus. Met zijn vervreemdende landschappen, zijn hoge horizonten en zijn morbide fantasieën veroverde hij de Europese vorstenhoven en beïnvloedde hij schilders als Cranach, Van Leyden, Dalí en Miró. Bosch mag gelden als een voorloper van het surrealisme en de fantasy in literatuur en film.

Bosch nam de religieuze standaardthema’s van zijn tijd – de zondeval, Johannes de Doper in de wildernis, de aanbidding der koningen, de doornenkroning van Christus, de kruisdraging, het Laatste Oordel, de verzoeking van de heilige Antonius – en omkleedde ze in een revolutionair schetsmatige schilderstijl met krankzinnige (angst)visioenen, waarin overal monsters, karikaturen en duivels opduiken. Ruim baan voor ‘het circus Jeroen Bosch‘, zoals dichter Lennaert Nijgh het omschreef in de tekst van Boudewijn de Groot’s Het Land van Maas en Waal.

Uit: Bosch en Bruegel – Pieter Steinz

BOSCH, Jheronimus, Laatste Oordeel

Het laatste Oordeel, Jeroen Bosch

BOSCH, Jheronimus, Tuin der Lusten

De Tuin der Lusten, Jeroen Bosch

Cranach-Bosch

Cranach de Oudere

van leyden, lucas, laatste oordeel

Lucas van Leyden

dali, bosch

Salvador Dalí

joan-miro-bosch

Joan Miró

Uit: Made in Europe – Piter Steinz, Nieuw Amsterdam Amsterdam, 2014

Middellandse Zee: Port-Cros

port-cros

bron foto: mandaley.fr

Port-Cros

Als nergens bestaat, moet het hier zijn. / Zee heeft in het niets een puimsteenhoop / gevonden om in en uit te kunnen, een v, / een haventje. Scheepjes poseren bij hoog en bij laag.

Twintig huizen proberen hoe ver rondom / kan gaan. Twintig daken proberen / het woord ‘onder’. Zee ‘zonder’. / Zo onthoudt ook een prentbriefkaart ons / zonder ons: een rode oleander waarachter,

Haven. Avond. Een gitaar speelt / in het enige café een halfuur lang / drie blues-akkoorden. / Zo hangt melancholie over de wereld / omdat die eigenlijk veel te mooi is. / Zo delen telefoondraden overal / afstand uit. Zo is er altijd / veel meer ginder dan hier.

Herman de Coninck (1944 – 1997), Belgisch-Vlaams

Uit: De Gedichten 1, Arbeiderspers Amsterdam, 1998

Louis Paul Boon herinnert zich de oorlog als kind

Het is zondagmorgen. In de zondagmorgen is er iets dat ik niet zeggen kan: waarom is er niet mėėr zondagmorgen? Daar komt weer een lange sliert mannen met hun petten en hun knapzak. Hier en daar loopt er een soldaat naast, met een geweer tegen de schouder. Ik kijk ernaar, zoals ik naar het snuistergoed van Valentine kijk: naar iets dat in de zondagmorgen gebeurt. Ik kijk ook naar een man die plots wegloopt; hij komt naar mij toegelopen. Ik peins dat er iets is, ik begin ook te lopen. De soldaat zet zich op de knie en richt zijn geweer naar ons. De man valt naast mij neer. Is het een heel klein wolkje stof dat uit zijn rug komt? Hij ligt daar. De bijgang is seffens vol bloed. Heeft Hortence de Vijl mij in haar huis binnengetrokken? Ik sta naast Hortence de Vijl en kijk vanachter het mandje sprot naar de straat. De sprot ruikt heerlijk. Een vrouw komt met emmers water de bijgang schuren.

lp boonLouis Paul Boon (1912 – 1979), Belgisch

Uit: Memoires van een kleine jongen; uit: Reservaat – Louis Paul Boon, Arbeiderspers Amsterdam, 1954

Middellandse Zee: le mistral

wind wasgoed

(foto gevonden op startpagina)

Le mistral

welke naam de wind ook heeft / hij is mannelijk in alle talen / of liever jongensachtig / overal blaast hij jurken bol / rukt hij aan wasgoed / en slaat verwoed en wispelturig / de bladen om van boeken / en van kranten

waar het niet waait / vallen geen bladeren / en maakt niemand bewegingen / zoals jij nu met je hand / door je haar zo sierlijk / en vergeefs

Miriam van Hee (1952), Belgisch

Uit: Achter de bergen, Bezige Bij Amsterdam, 1996

Zoals ik vroeger op een stilstaande fiets

koblet-auf-rad

Hugo Koblet

Ter gelegenheid van het begin van de Tour de France 2017 een passend gedicht van Herman de Coninck.

Zoals ik vroeger op een stilstaande fiets

Zoals ik vroeger op een stilstaande fiets hele / reportages bracht over de Tour de France / van ‘hier komt de alom om zijn élégance / beroemde Hugo Koblet uit de bocht’ – en vele

ritten won: zo versla ik nu mijn impasse / van hier zit de al twee jaar zwijgende / zwoegende, ploeterende dichter / achter zijn schrijfmachine te surplacen.

Soms vind ik grootspraak wel deugen. / Ook het leven was zo bedoeld: groot. Toen. / En als alleen de spraak blijft – als een leugen – / kan hij daar niets aan doen.

1984

Gruwez: oudejaarsbede

luuk_gruwez

Oudejaarsbede

ook als wat komen moet mistroostig stemt / en wij verhuizen naar elkanders dakloosheid, / jaar in jaar uit, van thuis naar nooit meer thuis, / vergaar me, draag me, raak me niet meer kwijt.

zo waakzaam immers konden wij bewaren / wat eens geweest was, en de lijfelijke zwier / waarmee we letterlijk haast stierven van plezier / en vonden dat wij nooit genoeg gestorven waren.

en ook van droefheid droegen wij de elegantste dracht / alsof alleen het dwarrelen van sneeuw ons tooide, / en aan verlangen greep een winterlandschap plaats / dat zich voor ons tot weerloos ledikant ontplooide.

Uit: Een huis om dakloos in te zijn – Luuk Gruwez, Manteau Antwerpen, 1881