Poëzie is definiëren: water van Rutger Kopland

Heel in de diepte is alle poëzie een poging tot definitie. De woorden van het gedicht zijn de defintie van het thema van het gedicht. Soms wordt dat thema genoemd, is het aanwezig als lemma in een lexicon. Maar vaker groeit het pas uit de verzen zelf: het gedicht is de defintie van een begrip waarvoor geen ander woord bestaat dan de defintie zelf…

Uit: De dichter is een koe – Hugo Brems, Arbeiderspers Amsterdam, 1991

Voorbeeld: Water van Rutger Kopland

water, generationm.be

bron foto: generationm.be

Water

I

Als met water zelf, met de gedachte / spelen dat je ooit en eindelijk / zult weten wat het is.

Het is regen geweest, een rivier, een zee, / hier was het, hier heb ik het gezien

en zie ik water en weet niet wat het is.

II

Zoals het kwam, uit het oneindige, / neerdaalde uit de hemel,

het in de bergen ging ruisen, en begon / te dansen van beek naar beek

het zich wiegend een weg zocht in / de rivier door de vallei / zoals het oud werd en traag en eindelijk / de zee vond en verdween

in wat daar lag, in zichzelf.

III

Is dit water? Misschien is het dit, / maar onzichtbaar, geluidloos, stil,

en niet de ruisende regen, de wiegende / rivier, de eenzelvige zee, niet dit,

maar wat dit is geweest, weer wil zijn, / nog niet is.

IV

Het is er, maar alleen zoals water / er is, even –

ik maakte bergen, een rivier, een zee, / ik liet het regenen, stromen / door de rivier, eindigen / in de zee,

wat ik als kind maakte in het zand / met water – even was het er.

V

Je weet dat het er is, maar wat is het.

Het heeft in de regen gelegen, het is / meegenomen door de rivier, aangespoeld / door de zee, het is verdroogd, gerimpeld.

Is het ooit geschreven geweest en nu / water, of nooit.

Uit: Dankzij de dingen – Rutger Kopland, Van Oorschot Amsterdam, 1989

De torenvalkenteller vertelt over uilen

https://youtu.be/0y-ku6nKhzI

Er kwam iemand voor een voorjaarspraatje en ik vertelde hem dat ik de laatste week een paar keer had gedacht een uil te horen. ‘Zijn hier wel eens uilen gezien?’ wilde ik weten. Nou nee, dat niet, maar het was ooit gebeurd dat de bruggewachter steeds merkwaardige geluiden hoorde die duidelijk onder de brug vandaan kwamen. Enge geluiden waren het, zo eng dat de bruggewachter niet zelf durfde gaan kijken en de veldwachter had gewaarschuwd. Die was in een bootje gestapt en had de boosdoeners gevonden: een nest jonge uilen. En ieder keer als de brug openging, gingen die uilen mee omhoog. Dat was lang geleden allemaal, maar wie weet waren de uilen terug?

Uit: De torenvalkenteller – Guus Luijters; uit: Ongepubliceerd, Uitgeverij 521 Amsterdam, 2001

Elspeth Diederix biedt bijzondere blik op de natuur

elspeth_diederix__miracle__3

elspeth_diederix__miracle__7

Elspeth Diederix (1971, Nairobi) is fotograaf, hovenier, duiker en kunstenaar die het experiment niet schuwt. Ze maakt stillevens van planten, boven en onder water. In haar werk gaat het om de schoonheid van de natuur maar ook om de kwestbaarheid.

Wat haar experimentele kant betreft: ze kweekt nieuwe bloemsoorten met bijzondere strepen en patronen. Tijdens de expositie van haar werk in Schiedam (tot 30 september 2018 in het Stedelijk museum) laat ze buiten op het plein en in de beeldentuin, bloemen bloeien.

elspeth_diederix__miracle__1_en__2

elspeth_diederix__miracle__4

elspeth_diederix__miracle__6

Cees Nooteboom: ander Ibizener gedicht

ibiza

…alleen vallen af en toe zilveren splinters omlaag… Bron foto: marislife.nl

Ander Ibizener gedicht

het regent treurig vannacht, / het water sluipt over de heuvel, / naar de duistere graven van de goden / gaat het water

zij keren zich machteloos om in hun slaap / gekweld door onduldbare heimwee / naar vroegere verering, / naar de voedzame gebeden van mensen, / nachtenlang, nachtenlang

maar de wind rijdt voorbij op schichtige paarden / de maan kiest een angstige weg in de wolken / alleen af en toe vallen zilveren splinters omlaag

de goden liggen en luisteren wachtend, / niemand zet een schotel offers neer.

Cees Nooteboom (1933)

Uit: Koude gedichten, Querido Amsterdam, 1959

Albert Verwey: Cadiz

cadiz

Cadiz

Staat haar krijtwitte en sierlijke façade / Niet gastvrij op het water? zijn de kleuren / Die ’t wit en ‘ t groen van haar balkons verfleuren, / Is ’t pronktapijt dat afhangt van de estrade / Die om den raadhuistoren loopt – in fade / Goude-appelrand borduursel op azuren / Ruit, geel en bruin, Leeuw en Kasteel, de keur en / Roem van Spaanse standaarden, – een parade / Van stad in zon voor één, een féést-dag, gauw te / Gaan met dien dag? – Wie aan kwam zeilen over \ De blauwe zee en aanstonds  zal verlaten / Dit Cadiz, weet het niet, maar zal de flauwte / Van verre erinring vroolken met getover / Van zulk gevlag en vaandling op de straten.

Albert Verwey (1865 – 1937)

Uit: Oorspronkelijk dichtwerk, Querido Amsterdam, 1938

‘Het water is de tijd’, aldus Hans Maarten van den Brink

hans maarten van den brink

Het gaat over de rivier de Rijn, het strand van Katwijk aan Zee (waar de Rijn ons land verlaat en in zee stroomt); een jeugdherinnering; een oma die uit Duitsland komt en via de Rijn ons land binnen reist; het Duitse landschap waar de Rijn doorheen stroomt. Bergen, een dal, spoorlijnen en de rivier.

Zonder dat ik mij ervan bewust was, ontdekte ik tijdens die uren in het zolderraam een van de belangrijkste en merkwaardigste eigenschappen van het water. Water, dat zelf tijdelijk is en zich voortdurend wil verplaatsen, bepaalt het karakter van een landschap veel meer dan een berg, een bos, een vlakte of een dal. Zo’n berg is niet meer dan een berg, die blijft wel staan, en een vlakte, aan zich zelf overgelaten, strekt zich altijd uit over het precieze aantal meters dat haar is toebedeeld. Behalve wanneer het water zich ermee bemoeit. Het water legt zijn wil op en is tegelijk ongrijpbaar, het lijkt of het zich aanpast aan de omstandigheden maar uiteindelijk schikken de omstandigheden zich altijd naar het water. Het water heeft de tijd; het is er en het is er niet want door een rivier stroomt nooit hetzelfde water; het water is de tijd en krijgt daarom altijd gelijk.

fragment uit het korte verhaal Altijd naar zee – H.M. van den Brink, uit Langs het water – Marga Kool, Atlas Amsterdam, 2002

 

Huub Beurskens verbeeldt het ouder worden

aalsbeek

De Aalsbeek ligt vlakbij Tegelen en mondt uit in de Maas. De beek heeft een vistrap.

Wie langs het water woont of in de buurt van, weet wat het magnetisme van dat water is. Het trekt aan en stoot af naar gelang tijd, ruimte en behoefte. Water in de vorm van beek, stroom, rivier, meer en de zee geeft voeding aan leven en verbeelding. Zoals in het verhaal Wilde flora van Huub Beurskens, een verhaal waarin het water (in dit geval de Aalsbeek die uitmondt in de Maas) een belangrijke rol speelt. Als achtergrond en illustratie bij een jeugdherinnering aan zijn vader en van een ingrijpende gebeurtenis.

Zijdelings (dit is geen waardeoordeel!) gaat het ook over ouder worden. Daarover schrijft Beurskens:

Ouder worden, oud: wat een verrijking van de verbeelding! Hoe heb ik kunnen vrezen dat de perspectieven krimpen en verschrompelen naarmate je voortschrijdt op het pad des levens, zoals het misleidend wordt genoemd? Het is vertederend een kind met stelligheid te horen beweren dat het weet wat het zal gaan worden. Bisschop! Wereldkampioen! Ramenwasser in Manhattan! Maar het kind is allerminst benijdenswaardig in vergelijking met een man die de vijftig is gepasseerd en beseft dat de kans uitgesloten is dat hij zijn beroep van reiziger in zoetwaren inruilt voor dat van paleontoloog in Hadar of van verzekeringsbankdirecteur voor dat van parelduiker. Is de verbeelding van een kind uiteraard kinderlijk, de op de toekomst gerichte verbeelding van de adolescent of de volwassene is ronduit kinderachtig in vergelijking met de op het verleden gerichte verbeelding van de oudere. De verbeelding van de man die Abraham of de vrouw die Sarah heeft gezien is er niet alleen een zonder valse verwachting, maar kan vrijelijk en eindeloos putten uit wat zich voorgeeft als zelf opgedane ervaringen van tactiele, visuele, auditieve aard, ervaringen van de eigen smaak- en reukzin.

Wat men niet allemaal lijkt te hebben meegemaakt!

Uit: Wilde flora – Huub Beurskens, uit de bundel Langs het water – samenstelling Marga Kool, Atlas Amsterdam, 2002

beurskens

Schrijver Huub Beurskens, buiten en in de buurt van water.

Huub Beurskens (1950, Tegelen)