Wim Oepts: kleurrijk en abstract zijn de landschappen

wim oepts; landschap2wim oepts; landschap4wim oepts; landschap6Wim Oepts (1904-1988, Amsterdam) zou bekend worden als kunstenaar door zijn geschilderde landschappen. Landschappen die kleurrijk zijn en abstract aandoen. Die schilderijen kwamen vooral in Frankrijk tot stand. Oepts was getrouwd met een française en werkte afwisselend in Zuid-Frankrijk en Parijs.

Wim Oepts was autodidact. Na de ambachtsschool, volgde hij een opleiding tot bouwkundig tekenaar. Als tekenaar werkte hij in de Amsterdamse haven bij de firma Schippers Werktuigen.

Begin jaren 20 begon hij met vrij werk: tekeningen, hout- en linoleumsnedes. In 1924 ontdektte Charley Toorop zijn werk, nam hem onder haar hoede, introduceerde de Amsterdammer in haar kunstenaarskring en moedigde hem aan te gaan werken met olieverf. Tot 1935 maakte Oepts stad- en straatgezichten van Amsterdam en deed dat in donkere kleuren.

Als Oepts Frankrijk en met name Parijs gaat bezoeken, ontdekt hij de lichtere schilderstijl die daar bon ton is. Hij neemt lessen bij Othon Friesz, die hem het samenspel van kleuren bijbrengt. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vlucht hij met zijn Franse vrouw naar Engeland. Daar is hij eerst war artist, maar in 1944 besluit hij mee te doen als militair aan de invasie in Frankrijk. Daar raakt hij gewond. Voor zijn werk in de oorlog krijgt hij in 1958 de Prijs van de Stichting Kunstenaarsverzet.

Na de oorlog keert Oepts terug naar Frankrijk. Hij leeft teruggetrokken, mijdt publiciteit en heeft nauwelijks contacten met andere kunstenaars en de kunsthandel.

wim oepts; landschapwim oepts; landschap3wim oepts; landschap5

De Franse landschappen van de ‘volwassen’ Oepts zijn meestal direct herkenbaar door de – aan de vroegere houtsnijder herinnerende – opbouw van de compositie in contrasterende vlakken en door het eigenzinnig kleurgebruik. Zo kan Oepts het felle zuidelijke licht weergeven door de hemel groen te kleuren en gebruikt hij in later werk vaak ook zwart als kleur. Het zijn schilderijen met een heel eigen karakter.

bron: nl.wikipedia.org

Paustovski bevond zich in een spagaat

Konstantin Paustovski (1892-1968, Kiev) is om meerdere redenen een schrijver die de moeite van het lezen waard is. Allereerst zijn levensloop: als student moest hij zijn studie onderbreken voor de Eerste Wereldoorlog. Paustovski was ziekenbroeder aan het front in Pruisen en maakte van dichtbij de gruwelen van deze oorlog mee. Tijdens die oorlog verloor hij zijn twee broers.

In 1917 maakte Konstantin de Russische Revolutie mee. Hij werd journalist onder andere in Odessa. In 1930 keerde hij terug naar Moskou waar in 1940 de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Tijdens deze oorlog was hij oorlogscorrespondent aan het zuidelijk front. Na de oorlog werd hij docent aan het Gorki Instituut in Moskou. In 1965 werd Paustovski genomineerd voor de Nobelprijs. Hij won hem niet omdat hij niet Sovjet-getrouw genoeg was.

De Rus begon al in 1911 met schrijven. Van grote invloed op zijn werk waren schrijvers als Babel en Boenin. Paustovski meesterwerk is zijn 6-delige autobiografie:

“Geschiedenis van een leven is meer een lang, lyrisch en melancholisch verhaal, dan een strikte historische biografie. De nadruk ligt vooral op de innerlijke percepties en dichterlijke ontwikkeling van de schrijver zelf. Door vertaler Charles B. Timmer werd het ook wel een “biografie van de ziel” genoemd, meer dan een “biografie van gebeurtenissen”. Niettemin vormen de memoires van Paustovski een uniek tijdsdocument over het Russische leven in de turbulente eerste decennia van de 20e eeuw.” bron: wikipedia

Wie Paustovski leest vallen een aantal dingen op: zijn nauwkeurige beschrijvingen van de omringende natuur, zijn poëtische stijl, zijn kennis van en belangstelling voor die natuur, de romantiek, de nauwgezette beschrijvingen van gebeurtenissen en de vele anekdotes. Omdat Paustovski Rusland nooit heeft verlaten en zijn band met het Rusland van die tijd vooral een band was met de natuur, zou je hem een typische Russische schrijver kunnen noemen. Over zijn band met de levende natuur het volgende:

Zijn haast encyclopedische kennis van bloemen en planten en hun angstvallig nauwkeurige beschrijving bezorgen zijn vertalers heel wat hoofdbrekens, verzucht een Engels-Russisch tolkenpaar in het voorwoord bij een verhalen bundel. Als lezer struin je geregeld knie- of heupdiep door de bedauwde grassen en kruiden. En wanneer de bosbouwkundige Masja Klimova wilde rozen gaat plukken aan de Wolga, laat Paustovski haar jurk volklitten met struikheide, krabbenscheer, waterweegbree, fonteinkruid, wilde malve, weideklaver, bosbes en walstro.

Het zal niet verwonderen dat Ivan Boenin zijn favoriete auteur is, de Nobelprijslaureaat die de Russische traditie van landschaps- en natuurschrijverij in de twintigste eeuw voortzette, zij het vanuit ballingschap in Parijs. Boenin wist bosschages te tooien met menselijke gedachten en stemmingen, zo sprak Paustovski zijn bewondering uit. Zelf is hij zo verknocht aan de Russische taal en de immense Russische wouden dat zelfs de gedachte aan emigreren nooit in zijn hoofd is opgekomen. Bij een opsomming van noodzakelijke voorwaarden voor een goed schrijverschap noemt hij (naast lyrische kracht en inlevinsgvermogen) een levende band met de natuur. Niks geen klassenbewustzijn of andersoortig maatschappeklijk engagement. Nee, de natuur dient door aandachtige bestudering een tweede universum in het hart van de schrijver te worden. Toen ik dat las besefte ik ineens in wat voor spanningsveld Paustovski als beginnend Sovjet-schrijver moet zijn beland. De vijfjaren-planen, dat waren verklaarde aanvallen op de onontgonnen wildernis. Gorki zelf verkondigde dat, zodra de klassenstrijd gestreden was, de Sovjet-mens zijn handen vrij had om het gevecht aan te gaan met zijn laatste vijand: de natuur.

uit: botanicus in de woestijn; uit: Ingenieurs van de ziel – Frank Westerman; Olympus Amsterdam, 2005

paustovski; groene.nlbron beeld: groene.nl

Konstantin Paustovski (1892-1968, Moskou)

De informele kunst ontwikkelt zich in het na-oorlogse Europa

In het na-oorlogse Europa dreunt de verwoesting van de Tweede Wereldoorlog door. Menselijke waardigheid en joods-christelijke normen hebben meer dan een knauw gekregen. Datzelfde gold voor opvattingen over wat kunst vermag. De traditionele schilderkunst kreeg kritiek. Maar juist de kunst leende zich voor het herwinnen van vrijheid. In de kunst mag je onafhankelijkheid verwachten. En zijn emoties zonder remmingen uitdrukken niet bij uitstek de grondslagen van kunst?

Emilio-Vedova; artbrutEmilio-Vedova; artbrut3

Schilderijen van de Italiaan Emilio Vedova (1919-2006)

In Europa is er onder kunstenaars een groeiende belangstelling voor uitingen van kinderen, waanzinnigen en niet-westerse culturen. Kunstenaars probeerden van dwingende regels voor penseelvoering, kleurgebruik, compositie en voorstelling af te komen. Het moest gaan over spontaniteit. Kunstenaars kozen voor het direct schilderen: direct op het doek, zonder voorstudie en zonder correctie. De andere kunst ontstond: un art autre. Die ging niet over schoonheid of goede smaak. Art Brut, Art Informel, Tachisme of lyrische abstractie noemen we deze periode ook wel.

hans hartung; artbrutOLYMPUS DIGITAL CAMERA

Werk van de Duitser Hans Hartung (1904-1989)

In Europa werd Jean Dubuffet (1901-1985, Fr) het meest spraakmakende voorbeeld van deze stroming. Kunst die zich slechts richtte op het oog en niet tot de geest, wees hij af. Dubuffet was voor de democratisering van de kunst. Als gewone man maakte hij gewone kunst voor gewone mensen. Dubuffet raakte in de ban van tekeningen en schilderijen die geestesziekten maakten. Kunst die waarachtigheid bood, vond de Fransman.

henri michaux, artbruthenri michaux, artbrut4

De vlekkerige kunst van de Fransman Henri Michaux (1899-1984)

‘Het wezenlijke gebaar van de schilder is strijken en smeren. De toevallige klodders, onhandige missers, vormen die duidelijk niet kloppen en tegen de werkelijkheid ingaan, ik accepteer ze, omdat men zich daardoor bewust blijft van de hand van de schilder in het werk’, zei Dubuffet over de bedoeling van zijn oeuvre, dat uit meer dan 5000 werken zou bestaan.

bron: de Tweede Helft – Ad Visser, SUN Nijmegen, 1998

saura; art brut5

saura; art brut2

De portretten van de Spanjaard Antonio Saura (1930-1998)

wols, artinformelwols, artinformel3

Onder de artiestennaam Wols schilderde de Duitser Wolfgang Schulze (1913-1951) zijn informele werken.

 

Henry Moore’s beeldhouwwerk biedt troost

henry moore, shelterscenesPink and Green Sleepers 1941 by Henry Moore OM, CH 1898-1986henry moore, shelterscenes3henry moore, shelterscenes4

Om over het beeldhouwwerk van de Brit Henry Moore (1898-1986) te kunnen beginnen is het van belang om de Tweede Wereldoorlog erbij te halen. In die periode maakte Moore vrij toegankelijk werk: zijn madonna’s waren niet robuust, eerder sentimenteel. Moore wilde in die tijd troost bieden. Dat deed hij als officieel oorlogskunstenaar door aandacht te besteden aan het lijden van de Londense bevolking, die veel en vaak ondergedoken zat in schuilkelders. Daar ontstonden zijn monumentale Shelter drawings. Het bleken voorstudies te zijn op wat later kwam. Beelden die geïnspireerd waren op delen van het menselijk lichaam; botten, dieren, schelpen, stenen en rotsformaties. Afwisselend hol en bol.

Moore was van het ambachtelijke; werken met eerlijk materiaal dat organische eigenschappen bezat. Hij werkte vanuit het materiaal. Landschapsgodinnen en moederbeelden van enorme omvang moesten ‘vanuit de natuur’ verrijzen. Zijn beelden stonden bij voorkeur in de openlucht. Vaak zijn het twee vormen tegenover elkaar (moeder en kind). De beelden zijn abstracte verbeeldingen van geborgenheid, veiligheid. Op de plekken waar de beelden staan, bieden ze bescherming, al was het maar tegen slecht weer.

Moore wilde met zijn beeldhouwkunst de mens verzoenen met zijn ongewisse bestaan door zijn lot te verzachten. Daarbij liet de Brit zich inspireren door de oude Griekse en Mexicaanse beelden. Maar ook Rodin (het romantisch-sensitieve) en Brancusi (het abstracte) waren bronnen waar uit hij laafde.

bron: de tweede helft, Ad de Visser, SUN Nijmegen, 1998

henry moore, sculpturehenry moore, sculpture2henry moore, sculpture3henry moore, sculpture4henry moore, sculpture5

Giacometti beeldhouwde de leegte

giacometti; sculptuurgiacometti; sculptuur2giacometti; sculptuur3giacometti; sculptuur4

De Zwitserse beeldhouwer en kunstenaar Alberto Giacometti (1901-1966) begon met surrealistische werken. Beroemd werd hij met de langgerekte mensfiguren. Iets voor de Tweede Wereldoorlog liet Giacometti het Surealisme voor wat het was. Hij wilde naar model werken. ‘Kon ik maar een kop maken zoals die is, maar dat zou betekenen dat je de werkelijkheid zou kunnen beheersen. Het zou totale kennis zijn. Daar houdt het leven op. Ik kan niet weergevn wat ik zie. Wie daartoe in staat is, zou eraan sterven’, zei hij er zelf over.

Voor de Zwiterse beeldhouwer reden om te gaan werken vanuit het geheugen. ‘Mijn beelden worden zo miniem dat ze in stof veranderen zodra ik ze met mijn mes aanraak.’

Van zijn streven te werken naar de werkelijkheid, later vanuit het geheugen is de volgende stap werken naar de schijn der dingen. Hij ontmoet Jean-Paul Satre, raakt bevriend en bekend met diens ideeën. Lijden, wanhoop, angst en eenzaamheid worden de thema’s waarmee Giacometti aan de slag gaat. Het isolement van de mens maakt dat we de mens op afstand zien, dus klein. Het is de onmogelijkheid om te bepalen op welke maat de mens moet worden weergegeven. Giacometti maakt minieme mensfiguurtjes en bracht ze mee in luciferdoosjes.

Vanaf dat moment worden de beelden langer en langer en verliezen volume. Wat overblijft: het minste waaruit de mens kan bestaan, de kleinst denkbare aanwezigheid. De ruimte is niet in de mens, maar om hem heen. Dat maakt Giacometti de beeldhouwer van de leegte.

bron: de tweede helft, beeldende kunst na 1945 – Ad de Visser, Sun Nijmegen, 1998

giacometti; tekeninggiacometti; tekening2giacometti; tekening3giacometti; tekening4

Böll: ‘Ieren, emigranten in eigen land’

Mit Heinrich Böll durch Kölnbron beeld: mz.de

Heinrich Böll speelde een periode in mijn leven een belangrijke rol. Ik ben een katholiek opgevoede jongen. Kerkkoor en Beatmis heb ik gered, daarna volgde de teleurstelling. Qua persoonlijke ontwikkeling was ik op Duitsland gericht, dicht wonend aan de grens. Het Duitsland van de jaren 70 en 80. Het Duitsland van Heinrich Böll, Gunther Grass en Wolf Biermann. Het Duitsland ook van de Rote Armee Fraktion en de Baader-Meinhof Gruppe. Böll won in die periode de Nobelprijs (1972) en was een vooraanstaand en invloedrijk schrijver. Zijn belangrijkste bijdrage was wellicht zijn kritiek op de katholieke kerk, het instituut, dat hij medeverantwoordelijk achtte voor de wandaden begaan tijdens de Tweede Wereldoorlog. Die kritiek en hoe de kerk daarmee omging (nog voordat allerlei misbruik-schandalen bekend werden), zorgden voor mijn teleurstelling.

Terug naar Böll. Ik lees zijn Iers dagboek. Het Ierland van toen was super-katholiek. Böll voelde zich er thuis en had er zelfs een zomerhuis. In dit Iers dagboek geeft hij een persoonlijk gekleurd beeld van het land en zijn bewoners. Het Ierland van de turf, het keel-Keltisch, de overal tastbare armoede en de veiligheidsspeld. Het land van de duizenden priesters en het veelvuldige bioscoopbezoek; de minimale zelfmoordcijfers en de thee en whiskey. Dat land is een eiland en de beste manier om er te komen is per boot.

Ik had vergeten mij van een plaats voor de nacht te verzekeren, ik klom over benen, kisten en koffers; in het donker gloeiden sigaretten, ik ving brokstukken van gefluisterde gesprekken op: ‘Connemara… geen kans… serveuse in Londen.’ Ik zocht een plaats tussen de reddingsboten en zwemgordels, maar de westenwind was scherp en vochtig; ik stond op, zwierf weer over het schip, dat meer op een emigrantenschip leek dan op een schip met thuisvarenden: benen, gloeiende sigaretten, stukken van gefluisterde gesprekken – tot een priester mij vasthield aan de zoom van mijn jas en mij met een glimlach vroeg naast hem te komen zitten; ik leunde wat achterover om te slapen, maar rechts van de priester, van onder een groengrauw geruite reisdeken, sprak een zachte, heldere stem:

‘Nee, vader, nee, nee… het is bitter om aan Ierland te denken. Eens in het jaar moet ik er wel heen om mijn ouders weer te zien, en mijn grootmoeder leeft ook nog.

Kent u County Galway?

‘Nee,’ antwoordde de priester met zachte stem.

‘Connemara?’

‘Nee.’

‘Dan moest u er eens heengaan, en vergeet u niet als u weer naar Engeland terugvaart, in de haven van Dublin goed te kijken naar wat er uit Ierland geëxporteerd wordt: kinderen en priesters, nonnen en biscuit; whiskey en paarden, bier en honden…’

‘Mijn dochter,’ zei de priester zacht, ‘u moogt die dingen niet in een adem noemen.’

Een lucifer flikkerde onder de groengrauwe reisdeken, een scherp profiel was enkele seconden zichtbaar.

‘Ik geloof niet aan God,’ zei de zachte, heldere stem; ‘nee, ik geloof niet aan God – waarom mag ik dan niet priesters en whiskey, nonnen en biscuit in een adem noemen; ik geloof ook niet aan Kathleen ni Houlihan, aan het eiland uit de sprookjeswereld… Ik ben servuese geweest in Londen geweest, twee jaar lang, ik heb gezien hoeveel lichte meisjes…’

‘Mijn kind,’ zei de priester zacht.

‘… hoeveel lichte meisjes Kathleen ni Houlihan aan Londen geleverd heeft; dit eiland der heiligen…’

‘Mijn kind!’

‘Zo noemde de pastoor thuis mij ook: mijn kind… Hij kwam op de fiets, een lange weg, om ons zondags de mis te lezen, maar hij kon er niets aan doen dat Kathleen ni Houlihan haar kostbaarst bezit exporteerde, haar kinderen. Gaat u naar Connemara, vader – zoveel schoon land met zo weinig mensen erin heeft u vast en zeker nog nooit gezien; misschien leest u dan nog eens de mis bij ons, en dan ziet u mij die zondag vroom knielen in de kerk.’

uit: iers dagboek, Elsevier Amsterdam, 1973

Heinrich Böll (1917-1985, Keulen, Dld)

 

Anna Swirszczynska: op spoorwegstations

Op spoorwegstations

Je hebt mesjokke oude vrouwtjes / die in een bundeltje op de rug / hun hele hebben en houden meezeulen.

Zwervers die ineengedoken / nachtenlang op spoorwegstations zitten. / Zieken die in het ziekenhuis wachten / op hun laatste operatie.

En ik heb zoveel tijd verspild/ met jou.

Uit: De meisjes van Zanzibar, Plantage Leiden, 1999

swir, anna; voguepolenbron foto: vogue.pl

Anna Swirszczcynska (1909-1984, Warschau, Polen)

Herzberg: dozen

Dozen

Omdat je in de oorlog altijd hoorde / van vóór de oorlog, hoe argeloos / ze waren, ben ik nu heel voorzichtig. / Gooi ik iets weg, bijvoorbeeld / een kartonnen doos, dan hoop ik / dat die doos mij nooit meer zal / heroveren in vorm van zelfverwijt; / weet je nog wel, hoe zorgeloos, / we gooiden gewoon dozen weg! / Als we er één hadden bewaard, / één hadden bewaard!

Uit: Zoals, Harmonie Amsterdam, 1992

herzberg, judith; harmonie.nl

bron foto: deharmonie.nl

Judith Herzberg (1934, Amsterdam)

Hugo Pos: is dit een trauma?

Bedenk mijn zoon, dat alles wat gebeurt
de keur van vroeger draagt en wij op onze beurt
het snoer van morgen rijgen. Niets is waar,
en wat eens waar was is niet waar gebeurd.

Een citaat van schrijver/jurist Hugo Pos (1913-2000). Deze in Suriname geboren schrijver kreeg bekendheid met Het doosje van Toeti, waarin hij over zijn jongenstijd in Paramaribo vertelt. Ooit, lang geleden (begin jaren 80), was ik in dat prachtige land dat barstte van de mogelijkheden. Een maand lang trok ik van west naar oost en van noord naar zuid. Indrukwekkend groot, bizar groen, weinig mensen en veel mogelijkheden. Op de fiets, in de bus, met de trein en in de auto doorkruiste ik dit tragische tropische paradijs, waar ik indianen, javanen, bosnegers, creolen en hindoestanen sprak. Dat er een avondklok gold en er ’s avonds schoten gelost werden in de buurt waar ik bivakkeerde, geeft al aan dat het een roerige tijd was.

Suriname maakte diepe indruk maar dat het land verkwanseld zou worden, daarvan pikte ik de eerste signalen op. Het indrukwekkende aan Suriname was de veelheid aan kleuren, geuren en indrukken. Dit verwachtte ik terug te vinden in De ziekte van Anna Printemps, de tweede bundel verhalen die Pos schreef over wat hem in zijn leven was overkomen. Maar Suriname speelt een minder prominente rol in deze bundel. Een beetje spijtig was dat wel. Vandaar bovenstaand citaat.

Terug naar de bundel. Indrukwekkend was het verhaal over een gezin dat in Leipzig woonde, op de vlucht sloeg voor Hitler en Leiden als tussenstation koos. Daar ontmoette Pos het gezin en gebruikte hij deze ontmoeting in een kort verhaal.

De dokter en zijn vrouw hebben de ontwikkelingen niet afgewacht, ze zijn naar Holland gekomen, gevlucht, op doorreis naar Amerika. De rooskleurige loopbaan is afgebroken, de onzekerheid van het bestaan laat zich gelden en zal zijn sporen nalaten, ook op hun zoon, enig kind, even oud als ik, een literair begaafde jongen, wiens essays in de maandbladen over Kafka en Melville al een zekere aandacht hebben getrokken.

Sedert hij in Holland is schrijft hij niet meer, leest hij niet meer, gaat hij nauwelijks meer uit, films, toneel en concerten trekken hem niet. Hij zit na het avondeten in zijn kamer en draait aan een kleine roulette. Naarstig schrijft hij telkens de nummers op die uitkomen. Aan het eind van de avond heeft hij bladen vol genoteerde nummers , de ene avond zijn er meer hoge nummers uitgekomen dan lage, of meer rood dan zwart, of meer even dan oneven. Hij draait aan de tol en noteert, het lijkt wel of de wereld voor hem is teruggebracht tot een volmaakt willekeurig gebeuren waarvan of waarin hij toch een zekere wetmatigheid ontdekken wil. Wat hij daarmee beoogt weet ik niet. Het is absoluut niet zijn bedoeling om een systeem uit te denken, waarmee hij de bank van Monte Carlo kan laten springen, hij heeft me zelfs verteld dat hij nog nooit een voet in een casino heeft gezet. Met een niet aflatende, blinde halsstarrigheid gaat hij ermee door, avond aan avond. Hij toont me de uitkomsten, gerangschikt naar dagen, weken en maanden. Ze zeggen me niets. Als rechtenstudent ken ik de definitie van hazardspel en ik weet dat roulette daaronder valt. Ik vergelijk zijn gedrevenheid met die van een alchemist, al is zijn instrumentarium beperkt tot een klein wit balletje en de tol met de cijfers van 1 tot en met 36, benevens een nul, die zero wordt genoemd. Bij het tijdsein van twaalf uur, na het Wilhelmus, hult hij de tol liefderijk in een linnen zak en maakt aanstalten om naar bed te gaan.

Uit: Een zak vol vijgen; uit De ziekte van Anna Printemps, In de Knipscheer Haarlem, 1987

pos, hugo; writersunlimited.nlHugo Pos (1913-2000, Paramaribo, Suriname)

 

Franz Fühmann en de persoonlijke verantwoordelijkheid in oorlogstijd

fuhmann, franz; welt.debron foto: welt.de

Schrijver Franz Fühmann (1922-1984, Tsjechië) was overtuigd nationaal-socialist, diende in het Duitse leger tijdens de Tweede Wereldoorlog, werd krijgsgevangen gemaakt door de Russen en eindigde als socialist. Na de oorlog vestigde hij zich in Oost-Berlijn en ging schrijven. In dat schrijven ging het veel en vaak over de periode van Nazi-Duitsland en de eigen verantwoordelijkheid in die tijd.

Ik las de verhalenbundel De katachtige wilden wij verbranden. In het verhaal Kameraden gaat het over drie jonge nazi’s in opleiding, die gehard en gestaald worden om tenslotte ten strijde te trekken (tegen de Russen). De drie blinken uit in hun schietvaardigheid en ontvangen daardoor voorrechten. Tijdens een verdiend verlof schieten ze per ongeluk de dochter van de majoor dood. Wat volgt is de persoonlijke worsteling die één van de drie heeft met dit voldongen feit. We leren meer over hoe dat nationaal-socialisme werkte: ijzeren discipline, drilzucht, hardheid, afschuiven van verantwoordelijkheid, scheppen van een vijandbeeld, ontmenselijken van de vijand, groepsdruk enz enz.

Kameraden is een leerzaam voorbeeld van hoe de mechanismen van het nationaal-socialisme werkten. In de paniek rondom de niet-bedoelde dood van een jong en voorbeeldig meisje stapelen allerlei morele kwesties zich op: bekennen-ontkennen; verraad plegen-steun door dik en dun; individueel belang-groepsbelang; vriend-vijand; vluchten-vechten. In dit korte verhaal een passage waarin de worstelende hoofdpersoon zich afvraagt of het niet beter zou zijn over te lopen naar de Russen (=de vijand).

Hij herinnerde zich een boek te hebben gelezen van een zekere Albrecht, die een hoge piet, een commissaris, bij de sovjets was geweest, daarna een zekere Trotzki was gevolgd en die, nadat hij ten slotte naar Duitsland was gegaan, verklaard had dat het ware socoialisme alleen bij de SS en de Gestapo te vinden was. Deze Albrecht had geschreven dat juist moordenaars alle kansen hadden bij de sovjets vooruit te komen. Karl dacht: wat zou er gebeuren als hij nu heenging en zei dat hij een moordenaar was en de dochter van de majoor had doodgeschoten, uit moordlust, uit opstandigheid, en dat hij alleen maar gedaan had alsof hij op de struik en de reiger had gemikt? Ze zouden hem zeker nemen, waarom ook niet? En hij dacht dat het eigenlijk helemaal niet zo vreselijk kon zijn bij de bolsjewieken. De vrouwen waren gemeenschappelijk bezit; wat was daar nou zo erg aan, voor een flinke kerel als hij was? Er werd gezegd dat men daar met de zweep regeerde, maar dat was hij ten slotte gewend, en waarom zou hij ook daar niet tot degenen behoren die de zweep hanteerden? Hij had er toch aanleg voor! Hij zag nu dat de gedachte die zo ineens door zijn hoofd was geschoten, en die hij aanvankelijk als een waanidee had beschouwd, eigenlijk helemaal niet zo krankzinnig was. Maa toen bedacht hij hoe hij daar moest komen en hij bedacht dat er nu oorlog was en dat men hem als hij overliep vast en zeker in Rusland zou vinden, want dat ze Rusland zouden verslaan, dat stond voor hem vast. Hij had de oorlog toegejuicht, maar nu vervloekte hij hem bijna. Waar moet ik nou heen, dacht hij.

Uit: Kameraden; uit: De katachtige wilden we verbranden, Wereldbibliotheek Amsterdam, 1985

Franz Fühmann (1922-1984, Rokytnice, Tsjechië)