Günter Grass: plötzliche Angst

Günter Grass veröffentlicht "Grimms Wörter"

bron foto: spiegel.de

Plötzliche Angst

Wenn sich im Sommer bei östlichem Wind / Septemberstaub rüht und in verspäteter Zeitung / die Kommentare Mystisches streifen,

wenn sich die Mächte umbetten wollen / und zur Kontrolle neue Geräte / öffentlich zeugen dürfen,

wenn um den Fussball Urlauber zelten / und der Nation verspielter Blick / grosse Entscheidungen spiegelt,

wenn Zahlenkolonnen den Schlaf erzwingen / und durch die Träume getarnter Feind / atmet, auf Ellbogen robbt,

wenn in Gesprächen immer das gleiche Wort / aufgespart in der Hinterhand bleibt / und ein Zündhölzlein Mittel zum Schreck wird,

wenn sich beim Schwimmen in Rückenlage / himmelwärts nur der Himmel türmt, / suchen die Ängstlichen rasch das Ufer,

liegt plötzlich Angst in der Luft.

Plotselinge angst

Als ’s zomers bij oostenwind / septemberstof loskomt en in de verlate krant / de commentaren mystieke zaken aanroeren,

als de machten zich willen verbedden / en ter controle  nieuwe apparaten / publiekelijk mogen verwekken,

en als om de voetbal vakantiegangers kamperen / en de speelse blik der naties / grote beslissingen weerspiegelt,

als getallencolonnes de slaap afdwingen / en door de dromen de gecamoufleerde vijand / ademt, op ellebogen kruipt,

als in gesprekken steeds hetzelfde woord / achter de hand wordt gehouden / en met een lucifertje schrik wordt aangejaagd,

als bij het zwemmen op de rug / hemelwaarts alleen de hemel torent, /zoeken de bangeriken snel de oever op,

hangt er plotseling angst in de lucht.

Uit: Ausgefragt, Luchterhand Neuwied und Berlin, 1967

Günter Grass (1927 – 2015)

Advertenties

Dood: ‘wie zal me helpen?…’

man uit de muur

…zoveel weet ik nu, hier staat een muur… Bron foto: Flatcoat, zoom.nl

‘Wie zal me helpen?…’

‘Wie zal me helpen? De plaats waar ik ben / kan niemand bereiken. Je houdt mijn hand / in jouw hand maar het beven houdt niet op, / je brengt een scherm voor mijn ogen, maar ik blijf zien, / dag en nacht blijf je bij mij als een mantel, / maar je kan niets tegen deze hitte, deze kou. / Zoveel weet ik nu, hier staat een muur: / geen kracht kan hem tot wankelen brengen. / Ik verwacht niets meer dan eeuwigheid, / en het ergste.’

Is dit wat hij fluistert in de krimpende nacht?

Philippe Jacottet (1925), Zwitser

ongepubliceerd, vertaling Ban Cami

Bij Jan Wolkers vergaat de lust

Uit: De achtste plaag

wolkers henk bleeker

foto: Henk Bleeker

Je moet hem maar altijd zijn zin geven, zei mijn vader. Door de damp die van zijn volle bord afkwam keek hij met een sombere blik naar mij. Ik boog mij voorover en probeerde met het botte mes het biefstukje te snijden.

Het was toch zijn konijn, zei mijn moeder. Ik kan me dat wel indenken.

Hield hij maar altijd zoveel rekening met ons, zei mijn vader. Hij moet maar eens leren te eten wat de pot schaft. Je maakt er zo onmogelijke kinderen van. Ik begrijp niet waarom hij in de keuken moet eten. Hij hoeft toch niet op onze borden te kijken.

De koning moet altijd apart eten, zei mijn broer.

Nu kunnen we maandag tenminste dat stinkhok aan de vuilnisman meegeven, riep mijn zuster. Je rook dat beest al als je de voordeur binnenkwam.

Hou daarover op onder het eten, zei mijn vader. Jullie hebben nog steeds niet geleerd dat er een tijd van spreken is en een tijd van zwijgen.

Zo nu en dan hoorde ik met een holle klank een bot op het tinnen bord neerkomen. Mijn ogen vulden zich met tranen. Het vlees dat ik in mijn mond had zat als kauwgom tussen mijn tanden.

Die nek is verrukkelijk, zei mijn vader smakkend en zuigend. Je kan er het vlees bijna afzuigen.

Ik keek naar binnen. Hij trok de wervels met zijn vingers uit elkaar. Als hij er een had afgekloven legde hij  hem op de rand van zijn bord als een damschijf.

Er zou vuur uit de hemel moeten komen, dacht ik. Als God bestond zou Hij mijn konijn weer levend kunnen maken. Maar mijn broer bleef gewoon lange draden roodbruin vlees met zijn tanden  van een achterpoot trekken.

God bestaat niet, zei ik ineens.

Wat zeg jij daar, zei mijn vader. Hij legde de rest van de nek op zijn bord en veegde zijn vingers aan het servet af.

Hij zit te huilen om dat beest, zei mijn moeder. Hij weet zelf niet goed wat hij zegt.

Maar ik weet het des te beter, zei mijn vader. Ik maak me nu niet kwaad op je, ik laat me dit heerlijke paasmaal niet door jou bederven. Jij eet binnen vijf minuten je bord leeg en dan ga je op staande voet naar boven en op je knieën. En dan bid je net zo lang tot God wel bestaat!

Jan Wolkers (1925 – 2007)

Uit: De hond met de blauwe tong, Meulenhoff Amsterdam, 1964

Jan Kuijper: genesis 38:22

Genesis 38:22

En zij zeiden: hier is geen hoer geweest. / Toch had ik haar daar duidelijk zien staan, / ik was zelfs even tot haar ingegaan / en weer uit haar vandaan, als keurig beest / met geld op tafel en met kleren aan. / Voor wie, als ik, over haar leven leest / maakt het niets uit: ze heeft voor niets gepeesd / en haar bestaan is daarmee van de baan.

Op weerzinwekkende wijze bracht hij / haar door een laffe lustmoord om het leven. / Ik loop in de gaten met haar aankleve: / de volksmond zegt genoeg voor angst en beven. / Moet ik voor schut gaan? Ik ga mij aangeven / voordat het afgelopen is met mij.

jan kuijper

Jan Kuijper (1947)

Uit: Wendingen, Querido Amsterdam, 1991

Elma van Haren: Barcelona, 22 juli (eurosex snackbar)

ciudad-barcelona

bron foto: enforex.com

Barcelona, 22 juli (eurosex snackbar)

Een neger hoest. De stad is veel te koud. Dreun de Disco is op de / achtergrond aanwezig. Iedereen die je vaag kende is langsgelopen, / maar je hebt niets gezegd. Een zachte spijt, dat je het leven hier / niet bent aangegaan een jaar geleden, maar in plaats daarvan terug- / keerde naar het gewone land, in de overtuiging dat iets je nu / eindelijk de hand zou reiken en / niets is toen gebeurd. Rode

scooters en rugzaktoeristen. Arm en arm paren. / Onbedaarlijk lachen.

Luister je

naar jezelf?

Genoeglijk

kust een hoertje haar pooier / op de wang. Eergisteren hing er een tijdens een ruzie uit het raam. / Twee reusachtige armen zogen haar weer naar binnen. Zes hoog was het. / Je keek geschokt toe. In een oogwenk trok hij haar op, haar snikken / dadelijk overstemd door een zeer luide radio.

Elma van Haren (1954)

Uit: het schuinvallend oog, De Harmonie Amsterdam, 1991

Friedrich Rückert: afscheid

friedrich rückert

Afscheid

Ik ben voor deze wereld wel verloren, / waarmee ik zoveel tijd reeds heb verdaan. / Ik heb zo lang niets van mij laten horen, / zij zal wel denken, ik ben heengegaan.

Er is mij ook niet veel meer aan gelegen / of zij mij werkelijk voor gestorven houdt. / Ik kan ook weinig inbrengen ertegen, / sinds ik mijn eigen wereld heb gebouwd.

Ik ben gestorven voor het aards gewemel / en rust in een onaangerand gebied. / Ik leef verloren in een verre hemel, / alleen in mijne liefde, in mijn lied.

Friedrich Rückert (1788 – 1866)

vertaling: Jan Vermeulen

Uit: Aan een droom vol weelde ontstegen – Gerrit Komrij, Meulenhoff Amsterdam, 1982

Hans Magnus Enzensberger: ins lesebuch für die oberstufe

ins lesebuch für die oberstufe

lies keine oden, mein sohn, lies die fahrpläne: / sie sind genauer. roll die seekarten auf, / eh es zu spät ist. sei wachsam, sing nicht. / der tag kommt, wo sie wieder listen ans tor / schlagen und malen den neinsagern auf die brust / zinken. lern unerkannt gehn, lern mehr als ich: / das viertel wechseln, den pass, das gesicht. / versteh dich auf den kleinen verrat, / die tägliche schmutzige rettung, nützlich / sind die enzykliken zum feueranzünden, / die manifeste: butter einzuwickeln und salz / für die wehrlosen, wut und geduld sind nötig, / in die lungen der macht zu blasen / den feinen tödlichen staub, gemahlen / von denen, die viel gelernt haben, / die genau sind, von dir.

voor in het leesboek voor de bovenbouw

lees geen oden, mijn zoon, lees de dienstregelingen: / ze zijn nauwkeuriger. rol de zeekaarten open / voor het te laat is. / wees waakzaam, zing niet. / de dag komt waarop we weer lijsten aan de poort / spijkeren en tekens maken op de borst van de / nee-zeggers. leer onherkenbaar rond te lopen, leer meer dan ik: van wijk te veranderen, van paspoort, van gezicht. / wees geoefend in het kleine verraad, / de dagelijkse smerige redding. nuttig / zijn de encyclieken om het vuur aan te maken, / de manifesten: om boter in te pakken en zout / voor de weerlozen. woede en geduld zijn nodig / om in de longen van de macht te blazen / het fijne dodelijke stof, gemalen / door degenen die veel geleerd hebben, / die nauwkeurig zijn, door jou.

Hans-Magnus-Enzensberger

Hans Magnus Enzensberger (1929)

Uit: verteidigung der wölfe, Suhrkamp Frankfurt am Main, 1960

Bernardo Bellotto schilderde stadsgezichten in navolging van oom Canaletto

Bellotto, Bernardo, 1722-1780; The Tower of Malghera

Bernardo Bellotto of Canaletto II (1720 – 1780) Italiaans kunstschilder en etser.

Hij noemde zich naar zijn leraar en oom Canaletto, maar was een minder goed schilder. Hij schilderde vooral vedute, dat wil zeggen stadsgezichten.

Na zijn leertijd bezocht hij omstreeks 1740 de stad Rome, daarna Turijn, Verona, Milaan en omstreeks 1745 München. In 1746 werd hij hofschilder bij August III van Saksen in Dresden, waar hij twintig jaar bleef. In 1766 ging hij naar Sint Petersburg, in 1767 naar Warschau waar hij in 1770 hofschilder werd van Stanislaus August Poniatowski.

Zijn schilderijen zijn gebruikt om de stad na de Tweede Wereldoorlog weer op te bouwen.

De stijl van Bellotto is iets killer dan die van zijn oom, maar toont dezelfde precisie. Vooral in Dresden kan men veel van zijn werk vinden.

Bernardo Bellotto 6

Dood: zolang er water in het water zit

vogels in een boom

Zolang er water in het water zit

zoals wanneer je moe bent / en onder de hoge boom / op je rug gaat liggen / met je wapens in het stof

en ziet hoe de avond / de vogels naar de boom trekt / zodat de sterren in zwermen / op de takken zitten

en hoe de maan geel / op haar rug met haar haar / als stralen om haar / in de nacht verdrinkt

tot jij door tranen en de ochtendzon / verblind niet ziet / hoe de vogels opvliegen / om het lijk op te eten

zo ligt jouw dood: / wacht in jou: / een beierende stilte: / een wonder

Breyten Breytenbach (1939), Zuid-Afrikaans

Uit: De dichter is het hart van de wereld, Poetry International 1974, Rotterdamse Kunststichting, 1975; vertaling Adriaan van Dis