De plek van H.C. ten Berge: ‘omdat de herinnering zich aan plaatsen hecht’

Berge,HCten20130103-3252

H.C. ten Berge (1938, Alkmaar) is dichter, schrijver en essayist. In zijn gedichtenbundel Poolsneeuw (1964) toont hij zijn voorliefde voor het noordelijk landschap en het middeleeuwse vagantenleven. Vanaf 1965 houdt hij zich diepgravend bezig met de etnologie. Dat mondt uiteindelijk uit in een roman drieluik: De dood is de jager, De raaf in de walvis en Siberische vertellingen.

Ten Berge is een periode lang vooral reiziger. De wereld zijn reisdoel. Hij bezoekt onder andere: Oost-Europa, Groenland, Canada, Mexico en de USA. Hij onderzoekt en doceert in Canada en de USA. Ondertussen verschijnen van hem romans en gedichten. In Nederland woont hij kortere en langere tijd in: Bergen, Amsterdam, Noord-Oost Groningen en Zutphen.

Over de plek, de plaats en wat die voor hem betekenen een citaat en een gedicht.

Eerst het citaat:

Het zwerven van plaats naar plaats is Grieks. Odysseus is de grote reiziger. De circumnavigatie. De omzwervingen op zee. Pound, Slauerhoff, Terborgh. Of de romantiek van de vrouwenfiguren bij Slauerhoff met wie hij iets heeft en die dan ineens verdwijnen. De plaats is de plek waar je naar terugkeert omdat je er vandaan komt. Omdat de herinnering zich aan plaatsen hecht. Campert heeft een mooie regel: ‘tijd is niets/plaats is alles’. En dat is ook zo. Je kunt je niet herinneren wanneer iets gebeurd is, als je niet weet dat het dáár en tóen plaatsvond. Je weet het nog omdat je een decor voor je ziet, waarschijnlijk vertekend, visueel. En daaromheen heb je altijd het landschap, de plek, de stad nodig als kader voor je bestaan.

Uit: Dit is de plek, Wam de Moor, Gaillarde, Zutphen, 1992

En dan het gedicht:

Doordrongen van de lichamelijke noodzaak / tegenover destructie en afbraak / een innerlijk landschap gestalte te geven / wetend / dat wij zonder afbraak en ontbinding / niet kunnen leven / werk je in afzondering verder / om zo het landschap te ontluisteren / tot aan de grens van het zichtbare / waar men stapvoets / als tactiele wezens / met voelsprieten voortschrijdt / en soms op zijn schreden terugkeert / om te vereffenen / wat men aan indrukken achterliet.

Uit: Nieuwe gedichten, H.C. ten Berge, Amsterdam, 1981

Miklós Jancsó zocht nadrukkelijk zijn eigen cinematografische weg

Miklós Jancsó was Hongaar (1921-2014), begon in 1958 met filmen en maakte er zo’n kleine 50. Jancsó heeft een geheel eigen filmtaal ontwikkeld. Eén die zich kenmerkt door de lange take. Die lange take was voor mij een indrukwekkende kennismaking met het werk van de Hongaarse cineast. Een cameratruck die nieuwe perspectieven opende die ik daarna nog bij menig filmer terug zou zien.

Jancsó was een kind van zijn tijd. Als Hongaar maakte hij de onderdrukking vanuit de Sovjet Republiek nadrukkelijk mee. In zijn films keren onderdrukking en beklemming van het menselijk fysiek en de geest veel en vaak als thema terug. Hij onderzocht de samenhang tussen mens en omgeving; de mens in zijn tijd en de ruimte waarin hij zich beweegt.

Die zoektocht ondernam hij met filmische middelen. Van belang was de te filmen plek die nauwkeurig bepaald werd. De camera moest ruimte krijgen om te bewegen. Personages bewogen zich door de ruimte zoals een danser zich op het toneel beweegt. De camera dwaalde door de omgeving en nam in een vloeiende beweging de personages op in een onophoudelijke take. En dat was een vreemde gewaarwording, vooral de eerste keer dat het me als kijker overkwam.

De Hongaarse cineast gebruikte breedbeeld en probeerde geometrie in zijn beelden te bereiken. De wijze waarop zijn personages zich bewogen door de ruimte, verliep volgens vastgestelde patronen en lijnen. Jancsó gebruikte die manier van filmen om abstractie te bewerkstelligen. De kijker werd klaargestoomd voor zijn ideologische, politieke, historische of mythologische boodschap. Een boodschap vol symboliek. Een voorbeeld: de kleur rood speelde in de films van Jancsó een belangrijke rol.

Miklós Jancsó was een eigenzinnige filmer die met zijn manier van film maken veel volgers heeft beïnvloed. De lange take is mede dankzij hem een wezenlijk onderdeel van de filmtaal geworden.

Philippe Louis de Gagoue: trots op zijn Afrikaanse roots

Hoe gaat dat tegenwoordig? Je bent kind van een immigrant; een vluchteling of waagde zelf de sprong in het diepe; het ongewisse avontuur tegemoet. Je nieuwe thuishaven biedt mogelijkheden, waarvan jouw omgeving zegt dat die er voorheen niet waren. Je grijpt die nieuwe mogelijkheden met beide handen en stapt daarmee een nieuwe, onzekere, maar spannende wereld binnen.

Zo ongeveer begint het verhaal over Philippe Louis de Gagoue. Inmiddels vermaard mode-blogger, stylist en personal shopper. Termen overigens, die in Ivoorkust, waar zijn roots liggen, niet tot de alledaagse gebruikte frasen behoren. Maar in zijn huidige thuisland Frankrijk minder opzien baren.

De Gagoue gaf zijn omgeving gevraagd en ongevraagd advies op de vraag: wat trek ik aan? Dat leidde tot aangeklede voorbeelden op zijn blog. Die voorbeelden vroegen om voorbereiding en geschikte locaties. Ziedaar een manier om terug te keren naar het land waar zijn familie vandaan kwam. De Gagoue deed het steeds vaker en met steeds opvallender resultaat. Zo opvallend dat hij inmiddels opgepikt is door de serieuze mode-bladen en instanties. Wie zijn werk bekijkt zal in eerste instantie overrompeld zijn door de kleurrijke originaliteit van zijn voorbeelden, die ook verwijzen naar de Afrikaanse kleding-tradities.

lp-de-gagoue-1lp-de-gagoue-2

lp-de-gagoue-3

lp-de-gagoue-4

lp-de-gagoue-5

lp-de-gagoue-6

Hans Warren: elegisch gedicht 6

kano-rieks-in-canada-750x488

Hans Warren hield van kanovaren

Elegisch gedicht, VI

De enige bevrijding biedt het woord, / het geeft soelaas, het breekt de ban / van de begrensde horizon / het breekt de grens ook van mijn denken / zodat alles weer kan.

De goden, die jou wikkelden in hyacinth / en purper, hebben mij misdeeld. / Ik wilde een dag met de spanning van jouw armen / ’t leven omhelzen, een dag bijten / met die felle, blijde mond van jou; / één avond lang, als jij, in andere ogen lezen / dat ik begeerlijk was, en, als het kon, / eenmaal met jou in mezelf vergaan / van lust. / In ruil bezit ik niets. Een droevig lied, / een herfstblad, wegdrijvend op een riviertje, / een vruchteloos graf, waaruit alleen / een andere kniezer / misschien wat stenen graaft en blinkend wrijft.

Zo tussen hybris en vergaan, / tussen gevonden en verloren, / wacht ik de schemering met haar/ erbarmende begoocheling.

Uit: Verzamelde gedichten, Hans Warren, Bert Bakker, Amsterdam, 1972

Valentin Serov bekend vanwege zijn portretten

valentin-serov-1

valentin-serov-2

valentin-serov-3

valentin-serov-4

valentin-serov-5

valentin-serov-6

Valentin Aleksandrovitsj Serov (Sint-Petersburg, 1865 – Moskou, 1911) Russisch kunstschilder die tot de stroming van de Zwervers behoorde.

Serov was de zoon van componist Aleksander Serov. Hij werd vooral beïnvloed door zijn leermeester Ilja Repin, zijn vriend Michail Vroebel en de kring van kunstenaars die in Abramtsevo bijeenkwamen. Serov concentreerde zich op het maken van portretten. Daarbij waren de kunstenaars uit zijn omgeving zijn favoriete modellen; zoals bijvoorbeeld landschapsschilder Isaak Levitan, schrijver Nikolaj Leskov en componist Nikolaj Rimski-Korsakov.

Serov werd populair, en kreeg opdrachten uit de hoogste kringen.

Vanaf 1900 ging Serov over van een impressionistische stijl naar een meer modernistische stijl. Uit deze periode zijn bekend de portretten van schrijver Maksim Gorki, actrice Maria Jermolajeva en de beroemde bas Fjodor Sjaljapin. Uit protest tegen de Bloedige Zondag (9 januari 1905) verliet hij de Academie van Schone Kunsten van Sint-Petersburg. Hij begon daarna vooral historische schilderijen te maken.

Serov was leraar aan de Moskouse School voor Schilderkunst, Beeldhouwkunst en Architectuur van 1897 tot 1909. Hij is in Moskou begraven op de Novodevitsji-begraafplaats, dat bij het Novodevitsji-klooster hoort.

Sor Juana Inés de la Cruz: over liefde…

juana

Juana Inés de la Cruz de Asbaje y Ramírez, ook bekend als Sor Juana, (San Miguel Nepantla, 1648 of 1651 – Mexico-Stad, 1695) Mexicaanse dichteres en slotzuster.

Ze was een buitenechtelijk kind, en al op zeer jonge leeftijd geïnteresseerd in literatuur en wetenschap. Op haar zestiende werd ze ontdekt door Antonio Sebastián de Toledo, de onderkoning van Nieuw-Spanje en naar het hof gebracht.

Ze had familie, noch geld en wilde ook niet trouwen. Daarom zocht ze toevlucht in een klooster en werd moniaal in het klooster van San Jerónimo. Hier kreeg ze de tijd om zich aan haar studies te wijden. In het klooster had ze als beschermelinge van de onderkoning relatief veel vrijheid. Ze had er een ruime bibliotheek tot haar beschikking. Wel kwam ze vaak in botsing met kerkelijke functionarissen omdat die haar gedichten te ‘wereldlijk’ vonden.

Ze streefde naar meer gelijke rechten voor vrouwen, en verdedigde het recht op onderwijs voor vrouwen. Hierdoor wordt ze wel als een voorloopster van het feminisme gezien, maar in haar tijd werden deze meningen minder op prijs gesteld. De aartsbisschop van Mexico sommeerde haar alleen nog religieuze teksten te schrijven.

Over liefde, gegeven aan een in feite onwaardig sujet, kun je beter luid je spijt betuigen

Beschouw ik mijn dolende en jouw snode gangen, / dan, Silvio, zie ik hoe ik mij vergis, / hoe sterk de zonde in haar slechtheid is, / hoe violent de kracht van een verlangen.

Ik denk in mijn geheugen niet te vangen / wat de omvang is van mijn bekommernis, / de ultieme grens van wat verwerpelijk is, / de tijd dat onmacht het gemoed blijft prangen.

Ik zou zo graag, als ik je weer ontmoet, / voorwenden dat ik je heb afgeschreven, / maar dat, zegt mijn verstand me, is niet goed:

er is slechts troost in openlijk beleven, / want voor het vergrijp van jou te houden boet / ik afdoende door het ronduit toe te geven.

Uit: De dichter is een kleine God, vertaald en samengesteld door Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer, Atheneum, Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2010

Connie Palmen over de wetten

1996-connie-palmen-annaleen-louwes2

Connie Palmen in 1996 Foto: Annaleen Louwes

Connie Palmen’s (1955) debuut heet De Wetten. Het is een ideeën-roman, die verslag doet van de ontwikkeling van het hoofdpersonage. Een boek rijk aan ideeën en een zoektocht naar waarheid en geluk. Een boek waarin veel overhoop gehaald wordt en waarin je toch blijft lezen omdat het met vaart, humor, ernst en intelligentie geschreven is.

Het boek doet in 7 hoofdstukken verslag van de ontmoetingen die het hoofdpersonage heeft met: een astroloog, een epilepticus, een filosoof, een priester, een fysicus, een kunstenaar en een psychiater. Het zijn confrontaties waaruit de hoofdpersoon lessen leert en wij met haar. Palmen biedt een open blik op de gedachten en overpeinzingen van haar hoofdpersoon. Op zoek naar de ongeschreven wetten die tussen mensen bestaan. Over die wetten schrijft ze:

Goed luisteren vereist inleving en het achterwege laten van vooroordelen. Dergelijke wetten. Daar ben ik altijd gevoelig voor geweest. Toen ik nog maar weinig boeken gelezen had onthield ik met het grootste gemak de wetten voor iedere vorm van goed gedrag, het correcte optreden, de juiste handelwijze. Zonder wetten wist ik me geen raad. De anderen ook niet, dacht ik nog. De moeilijkheden doken op toen ik meer boeken ging lezen en ontdekte dat er over hetzelfde onderwerp meerdere en verschillende wetten bestonden. Ronduit tragisch werd het toen ik in de gaten kreeg dat de anderen weliswaar wetten in hun hoofd hadden, maar zelden of nooit boeken lazen. Ze hadden ze ergens anders vandaan. Sommige mensen lijken de wetten van nature in zich te hebben. Ze hebben geen boeken gelezen en toch een mening, een overtuiging, een idee over hoe de wereld in elkaar hoort te zitten. Ze zijn overtuigd van hun gelijk en hoeven nergens op te zoeken hoe ze over iets moeten denken.

Ik begreep niet hoe dit mogelijk was. Ik was bang dat ik geen natuur had. In het beste geval had ik er ooit wel een gehad, maar was ik haar kwijtgeraakt, ergens, onderweg.

Luisteren, zoals ik die middag luisterde naar de astroloog, had in ieder geval weinig meer van doen met het me inleven in het verhaal van iemand anders.

Uit: De Wetten, Connie Palmen, Prometheus, 1991

Stadsgezicht: Theo de Feyter

Theo de Feyter (1947) is kunstschilder, archeoloog en reisleider. In zijn schilderijen geeft hij uiting aan die twee liefdes: reizen en het opgegraven verleden. Hij schildert stadsgezichten maar toont zijn beeld van die werkelijkheid. In veel van zijn schilderijen combineert hij heden met verleden. De Feyter maakte een aantal keren portretten van steden in Nederland: Nijmegen en Dordrecht. Ook van reizen doet hij visueel verslag, zoals van zijn trip naar Damascus in Syrië.

Zijn werk toont de moderne stad, die heden en verleden combineert; in zijn fraaiheid maar ook in zijn lelijkheid. Hij kiest daarvoor een eeuwenoud en beproefd middel: het stadsgezicht maar geeft daar een geheel eigen draai aan. Of we over pakweg vier eeuwen zijn werk nog gaan zien in musea, zoals we nu werk bewonderen van bijvoorbeeld Jan Weissenbruch, moet de tijd uitwijzen.

theo_de_feyter_2

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

theo_de_feyter_3

theo_de_feyter_4

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Gilles-Louis Chrétien aan de wieg van roerige ontwikkelingen

Gilles-Louis Chrétien (1754 – 1811) Frans musicus, graveur en uitvinder van een apparaat dat physionotrace werd genoemd.

Chrétien, geboren in Versailles, bedacht in 1787 een apparaat dat daarna ‘physionotrace’ werd genoemd. De werking: de geportretteerde ging en profil achter een scherm zitten met achter zich een lamp. Op het doek verscheen de schaduw van het profiel. Door Chrétien werd de schaduw nagetrokken en vervolgens werden de details er later ingebracht.

Geen al te spectaculaire uitvinding ware het niet dat Chrétien er in slaagde allerlei beroemdheden op die manier te portretteren. Om er maar eens een paar op te noemen: Robespierre, Marat en Mirabeau. Chrétien maakte honderden portretten en schreef daarmee (onbewust) ook een geschiedenis van de Franse Revolutie en haar hoofdrolspelers. Een revolutie die ook grote gevolgen zou hebben voor de graveur en de grafische kunsten. De Franse Revolutie betekende de ondergang van een maatschappelijke klasse (adel) en daarmee het verdwijnen van veel opdrachtgevers voor de Franse grafische kunstenaar. Na deze roerige periode stond er in Frankrijk een nieuw publiek op voor een nieuwe grafische kunst: de politieke spotprent.

De plek van H.H. ter Balkt

ter-balkt

Arme, arme grond! / Geen dak om onder te liggen / dan in het blauwe lekkende dak, / het naaldenregend plafond / Beuk en linde in ’t houtvuur.

Ik en de aarde. Marsman zei ‘ik en het universum’. Dat is misschien een beetje overtrokken, maar de grond, de aarde, daarin moet het toch gebeuren, dat is de plek. In mijn bundel Hemellichten beschrijf ik de grond als een dakloos personage, dat nergens meer terecht kan. We zorgen er heel slecht voor. We spelen de baas, maar we zijn de baas niet (..). We zouden veel meer respect moeten hebben voor de natuur. De natuur is ook niet alleen maar aangepaste natuur, ook de natuur van onszelf, iets meer hartelijkheid zou goed zijn.

Aldus dichter en schrijver Herman Hendrik ter Balkt (1938 – 2015), geboren in Usselo, gestorven in Nijmegen. In zijn jeugd bracht hij veel tijd door op de boerderij van zijn tantes in Boekelo. Was leerling-journalist bij Tubantia maar werd ontslagen vanwege zijn lange haren. Begon door Europa te zwerven en wist toen zeker dat hij schrijver wilde worden. Het werd onderwijzer tot hij in 1983 besloot dichter te worden en te blijven.

In al zijn werk klinkt de verbondenheid met het aardse door. Zijn eerste bundel heette Boerengedichten (1969). Daarna volgden bundels met de titels: Uier van ’t Oosten en De gloeilampen en de varkens.

Over zijn dichten zei Ter Balkt (ooit ook nog eens bekend als Habakuk 2 de Balker):

Het is begaandheid. De Kadt zegt dat poëzie uitgaat van geloof en bezieling, dus in ieder geval van inhoud. Favery heeft over de poëzie gezegd: ‘Woorden betekenen niets meer’. Maar dan zou alle poëzie weg zijn, dan houdt het schrijven op. Het is voor mij het gevoel dat voorop staat. Daar komt de bezieling vandaan, van wat je voelt en denkt. Soms, heel zelden, ook wel van wat je wilt, maar de wil heeft er in het algemeen heel weinig mee te maken. Ik kan me niet voorstellen, dat ik zeg ‘Ik wil hier een gedicht over maken’ en dat ik dat dan doe. De boerderij in Boekelo is heel belangrijk geweest, maar om dat nu in poëzie precies te duiden, dat is heel moeilijk.

Ik wil de lezer wel laten voelen zoals ik dacht dat het voor mij als negenjarige was. Maar je kiest je onderwerp niet, je onderwerp kiest jou. Het vliegt je hoofd in, op een of andere manier. ‘Een dichter is een lege plek’, zegt Seferis, en daar is wel iets van waar. Niet te verwarren met een leeghoofd, natuurlijk. Antennes, daar hadden ze het vroeger wel eens over.

Tenslotte, nog een gedicht van Ter Balkt over de periode Boekelo:

De stallen hinnikten en schudden / hun luiheid af. Mijn grasgroen oor / ving het suizen op van de luidheid, / van de vliegende melk, de wind / in de sleutelgaten en alles.

Uit: Dit is de Plek, Wam de Moor, Gaillarde, Zutphen, 1992