Suze Robertson: Pietje lezend op boerenstoel

Pietje lezend op boerenstoel, 1898, olieverf op paneel(versie), bron: ad.nl via kunstmuseum.nl

Een jonge vrouw met op haar schoot een boek, dat zij even tevoren nog aan het lezen was, is frontaal en van dichtbij weergegeven. Het is Pietje, het kindermeisje van Suze Robertsons dochter. Het goud, waarmee de verder expressief geschilderde achtergrond is gedecoreerd, biedt een opmerkelijk contrast met de sombere kleuren van de ingetogen voorstelling. De eenvoudige boerenstoel lijkt verheven tot troon, het kindermeisje tot dame.

Suze Roberston (1855-1922) zocht de grenzen op van de door mannen beheerste kunstwereld. Ze was werkzaam als tekenlerares en volgde lessen aan de academies van Den Haag, Rotterdam en Amsterdam. Als eerste vrouw werd ze toegelaten tot de ‘naaktklasse‘ om te tekenen naar naaktmodel, wat opschudding veroorzaakte.

In de damesklas van de Amsterdamse Rijksacademie ontmoette ze gelijkgestemden, zoals Thérèse Schwartze.

Pietje was vaker onderwerp van Robertsons tekeningen en schilderijen. Ze past in de reeks van (werkende) vrouwen uit de lagere sociale klassen, die Robertson, naast landschappen en dorpsgezichten, met forse penseelstreken schilderde. Donkere kleuren overheersen in haar werk, soms afgewisseld door het helder wit van gevels of mutsjes. Haar thematiek sluit aan bij de Haagse School, maar door de persoonlijke zienswijze en gevoelswereld die uit haar werk spreken, wordt ze ook wel gezien als een voorloper van het Expressionisme. Charley Toorop noemde haar de belangrijkste kunstenares van de negentiende eeuw.

uit: Nederlandse kunstboek, WBooks Zwolle, samenstelling Din Pieters, 2016

Suze Robertson (1855-1922, Den Haag)

Indra Sinha: Ieder in zijn eigen oerwoud

bron: norstedts.se

Over de in VK wonende Indiase schrijver Indra Sinha (1950) is niet veel bekend. Wel schreef hij Vogelwiek over een echtpaar dat ieder zijn/haar eigen oerwoud kent. Zij houdt er thuis een gefingeerd oerwoud op na, hij trekt het oerwoud in om de vogelwiek te vangen. Het volgende fragment verduidelijkt de achtergrond van hun keuze:

Ze was nooit zwanger geworden. Het was de tragedie van hun huwelijk – Arno was zo dol op kinderen en Sara hunkerde wanhopig naar een baby voordat ze te oud zou zijn. Ze hadden erg hun best gedaan, maar omdat het bedrijven van de liefde met een zuiver biologisch oogmerk ophoudt een bron van vreugde te zijn, werd het bij hen een beleefd ritueel – ritueel gerommel gevolgd door een rituele reiniging – vooropgezet en zonder enige hartstocht. Sara hield haar ogen dicht. Misschien waren deze paringen te bloedeloos om een kind te verwekken. Vereist bij het scheppen van nieuw leven is misschien een hartstocht die als een storm door het lichaam trekt, zich bonkend langs de ruggengraat op en neer beweegt, fijnzinniger gevoelens aam flarden scheurt, ogen wijd openspert en haartjes overeind laat komen. Het was echter lang geleden sinds ze iets dergelijks voor het laatst hadden meegemaakt.

Rechts liep een strook asfalt vol gaten en ter breedte van een auto het oerwoud in. In een opwelling sloeg Arno rechtsaf. De oliepalmen en rubberbomen lagen algauw achter hem en maakten plaats voor groepen teak en bamboe. Hij merkte dat hij langs een kreek reed, waar mangrove en kokospalmen over het water stonden gebogen, dat zich als groene zijde splitste toen er een boot vanuit zee de rivier op kwam. Arno stopte en bleef een tijdje zitten. Hij snoot zijn neus in een grote witte zakdoek.

Sara en hij waren iets kwijtgeraakt, iets wat van hen was weggevlucht, alsof het gewond was geraakt. Deze – hoe zou je het kunnen noemen? – geest van voorbije affectie, schim van liefde, had zich in een wildernis voor hen verstopt. Misschien was het dat wel wat ze ieder voor zich zochten, zij in haar oerwoud, hij in het zijne. Het was iets schuws, iets broos, wat weer in het zonlicht moest worden gelokt, zoals de brookiana op zijn open plek in het bos.

Alsjeblieft, laat je zien!

Een kreet, niet tegen zijn favoriete vlinder, maar tegen zijn vrouw.

uit: vogelwiek; uit: een goed verhaal, samenstelling Lidewijde Paris; Arbeiderspers Amsterdam, 2006; vertaling Paul Syrier

Indra Sinha (1950, Mumbai, India)

Gerda Taljaard: Ounooi naar de zee gebracht

bron: goodreads.com

Gerda Taljaard (1971) is Zuid-Afrikaanse en schreef het korte verhaal Naar de zee over een oude vrouw op het platteland, die faalt als moeder. Zij verliest het contact met haar enige dochter. De teloorgang van de ounooi (oude vrouw) wordt onder woorden gebracht door haar personeel.

De dag daarop hebben we haar voor het eerst in de droge rivierbedding gevonden. De zusters van Jenkins zaten nog op de veranda. Miss Jenkins zei dat ze thee ging zetten, maar ze kwam niet terug. De twee zusters gaven ons later met verknepen mond de opdracht voor thee te zorgen.

Twee uur later was ze nog niet terug. De schrik sloeg toe. Ik zag haar al hangen aan een hardekoolboom met haar jarretels om de nek. En ik zag dat Jenkins ook die richting uit dacht.

Het werd een heel gezoek. Stefana ging in de garage zoeken en achter de veekralen. Mary ging zoeken in de sinaasappelboomgaard, Bets bij de windpomp. Ik ging achter het cementen waterreservoir kijken. Ook erin, alleen voor het geval dat. Niets.

Jenkins stuurde de plukkers het veld in. Liesbet en Johannes naar het westen, richting Skuinsdrif. Andries en Exter naar het noorden, de kant van Bekkers uit. Jakobus en Fanie zuidwaarts, richting Spooklig. Filemon en Saar richting oost, naar de berg toe.

Pas tegen vier uur kwamen Andries en Exter met haar terug. Hadden haar spoor en dat van de honden gevolgd tot in de rivierbedding, waar ze haar liggend als een dier hadden gevonden.

Daarna verdween ze regelmatig, maar we wisten waar we haar moesten halen. Ze werd echter sluw, kroop achter struiken en stenen weg. Later trok ze ook haar kleren uit. We schaamden ons dood dat oude witte lichaam zo te moeten zien.

Ach nee, toch, Nooi, waarom lig je zo bloot in het rivierzand? Alleen Mary mocht zo met haar praten.

Daar kan niks goeds van komen, Nooi. Je zult kou vatten en misschien kruipen er wel beestjes en slangen en dingen rond. Dan mompelde de oude vrouw iets over de wateren die haar met zoveel gemak zullen meenemen. Of ze liep helemaal langs de beek half te zingen naar de zee, naar de zee! Ogen alweer star, zagen niemand staan. Sommige werkmensen waren al bang voor haar. Dachten dat ze betoverd was.

Jenkins stond al in de achterdeur toen we aankwamen. Hij pakte haar om haar middel, liet haar voor de haard zitten en haalde haar haren uit de war. Trok haar schoenen uit, maakte haar schort los. Praatte zacht met haar, als met een kind. Hij bracht haar naar de badkamer en achter de halfgesloten deur hoorden we het water in het bad lopen.

Door de kier zagen we hoe hij haar knokige rug afsponsde, zachtjes op de plekken waar de doorns van de knobbelboom haar gekrabd hadden. En een verdriet drong zich in mij op, schoot toe, als melk in een moederborst.

Engelsman, breng me naar de zee. Ze keek hem aan met haar zwart glanzende ogen, haar in slierten over haar dunne schouders.

Maar mijn meidje, het zou ons alleen al een week kosten om daar te komen. En hoe moet het dan met de boerderij?

Breng me naar de zee.

De mensen van de coöperatie hebben het over regen hogerop in het district.

Engelsman…

Goed, mijn meidje, op een goeie dag doe ik dat, je zult het zien. Hij drukte zijn gezicht in haar hals, hield haar vast tot er eindelijk weer leven in haar lichaam kwam.

uit: naar de zee; uit: een goed verhaal, Arbeiderspers Amsterdam, 2006, samenstelling Lidewijde Paris; vertaling Riet de Jong-Goossens

Gerda Taljaard (1971, Pretoria, Zuid-Afrika)

‘Texel verwoesten door ervan te genieten’

bron: texelsecourant.nl

In 1993 concludeerde schrijver Koos van Zomeren (1946) dat het opkomende toerisme ook schaduwkanten had. Bijvoorbeeld in het geval van waddeneiland Texel.

De eetzaal

De vier bij de deur zijn vertrokken. De enige indruk die ze hebben achtergelaten is dat ze bij de deur zaten en met z’n vieren waren. Nu zitten er twee meisjes van veertig. In de hoek bij het raam weer de beide dikkerdjes. Aan de schoenen kun je zien dat de ene een man is. Dan de sportieve vrouw, die wat weg heeft van Dorothy uit Golden Girls. Ze kauwt haar eten vóór in haar mond, alsof ze in elke hap een botje zoekt. Haar moeder wordt aan het gezicht onttrokken door een houten kolom. Aan een middentafeltje: vier oudere zonaanbidders, nog bruiner dan gisteren. De vrouwen bedelen met knikjes en hallootjes om de aandacht van twee witharige jongetjes – het gezin aan de muur. Bij de soep zal de jongste door de zaal draven, bij de aardappelen gaat hij zitten huilen. In beide gevallen kijkt de oudste met weifelende afgunst toe, nu al te groot voor die dingen. En daar komen de meisjes van zeventien! Na de tweede nacht al werden ze om halfzes bij hun appartement afgezet door gezonde jongens met fietsen, maar het zag er niet naar uit dat ze hen zouden binnenlaten. (Hoe weet je dat? Ik ging om die tijd naar de duinen om velduilen te zien.) Ze lopen door naar achteren en worden meteen bediend. Tomatensoep. Met ons veertigen zijn we. Ieder op zijn eigen manier bezig met hetzelfde. Texel verwoesten door ervan te genieten.

Morgen ben ik weg.

uit: zomer, Arbeiderspers Amsterdam, 1993

Koos van Zomeren (1946, Velp)

bron: trouw.nl

Philip Huff: Ben is bijna thuis

bron: trouw.nl

“Dagen van gras” van Philip Huff (1984) vertelt het verhaal van Ben, die opgroeit op landgoed Weldra en na de scheiding van zijn ouders een hechte vriendschap opbouwt met de nieuwe buurjongen Tom, met wie hij muziek maakt en steeds vaker wiet rookt. Na het roken van wiet met Tom verandert Bens gedrag en raakt hij in de problemen, zoals zwartrijden. Een brand in de boomhut zet zijn leven op zijn kop, waardoor Ben in het ziekenhuis en later in een jeugdkliniek belandt vanwege vermoedens van psychose door drugsgebruik. In de kliniek droomt Ben dat Tom is overleden, wat later blijkt te kloppen. Ben komt weer op het goede spoor en keert terug naar Weldra.

De verharde weg waar je op loopt, de Oude IJssel, voert je langs akkers en velden, tot aan een kruising met een zandweg, de Brede Koeweg. Het zand ervan is droog, en stuift op in de wind. Hier en daar ligt een scherf blauw aardewerk, of een stuk rode baksteen. Deze zandweg, en het zonlicht dat doelloos door het stof naar beneden valt: het straalt een leegte uit, een stilte, die niet te beschrijven is.

Je begint de zandweg af te lopen. Hier staan ook bomen, maar kleinere exemplaren, met meer tussenruimte. Aan de rechterkant ligt een drooggevallen sloot. Daarachter een weiland. Je kijkt het weiland over, over het hoge gras met de paardebloemen erin, tot aan de donkere rand van de struiken en bomen aan de overkant. Achter die bomen, enkele kilometers verderop, ligt de rivier, de IJssel. De rivier die ’s nachts donker is, zwart haast, ondoorzichtig. De rivier die statig stroomt. De rivier waar je ooit bijna in verdronken bent. Je oom kwam je redden.

Twee nieuwsgierige koeien komen naar de rand van het weiland gelopen. Hun kaken herkauwen het voedsel van de morgen. In de hoge, lichtblauwe hemel boven ze schiet een groep vogels hen en weer; zwaluwen die vliegjes vangen.

(..) Dit is het land van je jeugd, denk je. Van je ziel. Het land van omgeploegde akkers, van velden vol paardebloemen en koeien en schapen en de zware geur van paarden in de lucht. Dit is het rijk van populieren, van eiken en van knotwilgen, van verdroogde sloten en stille zandwegen. Dit is waar je thuishoort, in een wereld van gras. Met een hoge hemel vol ganzen boven je.

Want hier begint alles elk seizoen opnieuw.

Je draait je om en loopt verder. Aan het einde van het zandpad, achter een grote groep bomen, komt het dak van een groot huis tevoorschijn.

Het leven is niets meer dan een wandeling naar huis, een tocht door de zomerzon.

Maar je bent er bijna.

Je bent bijna thuis.

Weldra.

uit: dagen van gras, Bezige Bij Amsterdam, 2013

Philip Huff (1984, Naarden)

Jan Veth schilderde een jonge Albert Verwey

Dichter en schrijver Albert Verwey geschilderd door Jan Veth; bron: wikipedia.org

Tegen een donkere achtergrond staat een jongeman met warrig haar in een groengrijs pak. Met een hand in zijn broekzak kijkt hij de toeschouwer eigengereid en vastberaden aan.

Jan Veth (1864-1925) schilderde en etste voornamelijk portretten, waarin hij zich een goede observant toonde. Niet alleen gaf hij het uiterlijk nauwkeurig en gelijkend weer, vooral de manier waarop hij blikken en karaktertrekken vastlegde werd in zijn tijd uitzonderlijk gevonden. Hij portretteerde kunstenaars, schrijvers, professoren en zakenlieden. Veth was bevriend met de letterkundigen uit de kring van de Tachtigers, onder wie dichter en schrijver Albert Verwey. Hij schilderde dit portret in het jaar dat Verwey met Willem Kloos, Frederik van Eeden en anderen De Nieuwe Gids oprichtte. Met hun vernieuwende opvattingen over literatuur en kunst, waaronder het principe van kunst om de kunst, zetten zij zich af tegen de in hun ogen conservatieve oudere generatie.

De Tachtigers zagen een sterke verwantschap tussen de literatuur en de beeldende kunst. Wat wij beweren, dat de dichter doen moet met woorden: zuiver voelen en nauwkeurig uitdrukken, dat moet de schilder doen met verf, aldus Verwey. De stemming die een kunstenaar in zijn werk tot uiting bracht, moest een criticus op zijn beurt in woorden kunnen overbrengen. Veth werd medewerker van het tijdschrift en publiceerde kunstkritieken over werk van tijdgenoten zoals George Hendrik Breitner, Isaac Israëls en Jan Toorop. Later werd hij hoogleraar kunstgeschiedenis en was hij medeoprichter van het Rembrandthuis in Amsterdam.

uit: het Nederlands kunstboek, Wbooks Zwolle, 2016

Jan Veth (1864-1925, Dordrecht)

22 augustus 1733: de paalworm

De dreiging van de paalworm geïllustreerd in de 18-de eeuw; bron: oudstedebroec.eu

22 augustus 1733 is de dag waarop de scherpe en ervaren ogen van Jacob Goudsblom, in dienst als schouwer van het hoogheemraadschap nabij Schardam (West-Friesland), zien dat de houten palen die de dijk om de polder dienen te beschermen tegen de Zuiderzee zijn aangetast. Bij nadere inspectie blijkt dat de palissade niet gesleten is door water en wind, zoals gewoonlijk. De houten wallenkant is aangevreten door merkwaardige, onbekende diertjes, die natuurlijk paalworm gaan heten. Dijkgraaf en heemraden staan voor een raadsel.

Pas later wordt duidelijk dat het wurmpje vanuit de Indische Oceaan aan de romp van VOC-schepen onder de waterspiegel in verwoestende aantallen is meegelift als verstekeling. Wereldomvattende neringzucht heeft zo zijn nadelen.

Dat de kleine exotische onderkruipers wel pap lusten van houten paalwanden die Hollandse dijken samen met een beschermende laag van zeewier bij elkaar houden, wordt verontrustend snel duidelijker. Voor de zoveelste keer moet noordwestelijk Nederland, de helft van de Republiek, na vandaag andermaal op de schop. De dijklichamen worden voortaan niet meer tegen afkalving beschermd dor hout en wier, maar door anorganisch materiaal: steen, basalt, arduin.

uit: geen heden zonder verleden, BNR Amsterdam, 2006; samenstelling Willem Dijkhuis

Willem Dijkhuis (1942, Haaksbergen)

Ingmar Heytze: Herbouw

Foto: Gert Jan Pos; bron: poetry international.com

Herbouw

In deze stad valt niets te slopen;

alles groeit vanzelf weer aan.

Denk aan uw einde maar

doe het niet hier,

\

hier valt het doek nooit

voor altijd. Gedempte singels

lopen weer vol. Een ingestorte

kerk herrijst.

\

Oude kloostermoppen breken

als vanzelf door het beton

van een parkeergarage

naar het licht.

\

Wie hier ooit was, die is er nog.

Vannacht zag ik verbaasde

schimmen in de buurt

van het Domplein.

\

Speren, helmen, schilden. Romeinen.

uit: van licht en steen, Utrechts Monumenten Fonds, 2013 ter gelegenheid van het 70-jarig bestaan van UMF

Ingmar Heytze (1970, Utrecht)

20 augustus 1940: zoeklichten

Brits diplomaat Harold Nicolson; bron: npg.org.uk

Winston (Churchill) zegt: in een verwijzing naar de luchtmacht: Never in the field of human conflict has so much been owed by so many so few. Het was een gematigde, evenwichtige speech en hij probeerde geen geestdrift op te wekken, maar houvast te geven. Hij maakte een intrigerende verwijzing naar de mogelijke aanval van Rusland op Duitsland, sprak over hoe we ‘verknoopt zijn met de Verenigde Staten en eindigde met een fraaie recapitulatie over de Angle-Amerikaanse samenwerking die voortrolt als de Mississippi.

26 augustus

Een prachtige ochtend. Gisteren bombardeerden ze Londen en wij bombardeerden Berlijn. Ik werk aan mijn radiovoordracht. Om 12 uur hoor ik vliegtuigen en even later huilt de sirene. We beginnen er al behoorlijk aan gewend te raken, volgens mij door een soort tijdelijke uitschakeling van de verbeelding. Voor mij houdt het gedreun in de lucht niet in dat elk moment talrijke doden zullen vallen.

Diner in de Beefsteak. Het luchtalarm klinkt. Ik wacht tot kwart voor elf en wandel dan terug. Londen is zo donker als het toneel in Vicenza met alle lichten uit. Vaag glimmende gebouwen. Het is warm, sterren glanzen als rijstkorrels. Groepjes in de hoeken van zoeklichten, die eindigden in een plukje mistige watten. In de voorstad bonkt geschut, in het centrum is geen geschut, alleen de dreunende vliegtuigen, die al of niet vijandelijk kunnen zijn. Eenzame voetstappen reppen zich over de Strand. Een kleine nerveuze man haalt me in en begint een gesprek. Ik breng hem in verlegenheid door hem een sigaret aan te bieden en flink de tijd te nemen om hem aan te steken. Zijn hand trilt. De mijne niet. Ik loop door naar de Temple en ontmoet niemand.

Als ik thuis kom, doe ik het licht uit en pak een stoel bij het raam. Nog steeds klinkt het gedreun van vliegtuigen, af en toe een dof gebonk in de verte. Ik doe het licht aan en schrijf dit op, maar ik hoor dat er meer vliegtuigen aankomen, moet alles verduisteren en luister.

Ik voel in het geheel geen angst. Is dit fatalisme? Het is prachtig. Ik wacht en luister. Nog meer gedreun, dan gaan de zoeklichten uit en het alles-veilig klinkt. Ik sluit de jaloezieën, doe het licht aan en maak deze notities af. De klokken van Londen slaan middernacht. Ik ga naar bed.

Harold Nicolson

uit: dagboek, 365 schrijvers over de wereld en zichzelf, Balans Amsterdam, 2004; samenstelling Erik van den Berg

Harold Nicolson (1886-1968, Brits diplomaat en schrijver)

‘Nederlanders: eten vaak, veel en vet’

Hollands Welvaren in de Gouden Eeuw geschilderd door Gilles van Tilborgh; bron: thecollector.com

Eten en drinken is in het verleden op talloze manieren door kunstenaars verbeeld. De schilderijen geven een goed beeld van de eet- en drinkgewoonten uit het verleden. In het boek Hoorn des Overvloeds (2002) geven Ronald Buitenhuis en Anne Scheepmaker een overzicht van zeven eeuwen eten en drinken in de kunst van ons land. Anne vult de beschrijvingen van kunstwerken aan met recepten uit de tijd van het kunstwerk. Ter lering ende vermaak een blik op eten en drinken in de Gouden Eeuw:

In het jaar 1668 verscheen bij boekverkoper Marcus Willemsz Doornick in Amsterdam een kookboek met de titel De Verstandige Kock, of Sorgvuldige Huys-houdster. In die tijd werd er in de keuken op een open vuur gekookt en gebraden. Gevogelte werd aan het spit geregen en boven het vuur gehangen. Dat was zelfs zo vanzelfsprekend, dat in het kookboek geen recept voor kip aan het spit te vinden is. Wel bewerkingen van de reeds gebraden kip.

De eetgewoonten van Nederlanders in de Gouden Eeuw kennen overigens opmerkelijke overeenkomsten met die van tegenwoordig. Net als nu waren er drie eetmomenten, maar met één groot verschil: de belangrijkste maaltijd (noenmaaltijd) werd rond het middaguur genuttigd en niet zoals nu meestal ’s avonds. De ochtend begon net als tegenwoordig met brood, boter en kaas. Destijds was het volstrekt normaal om bier bij het ontbijt te gebruiken. Er bestond zelfs speciaal ontbijtbier (susenol). De noenmaaltijd begon met een potagie: een stevige soep met peulvruchten, vleesnat en stukjes spek of vlees. De hoofddis bestond vervolgens uit vlees of vis. De groente werd in een aparte gang daarna gegeten. Uiteraard aten de minder bedeelden soberder. Nederlanders waren echte groente-eters, al was het gezonde daarvan toen nog grotendeels onbekend. Het middagmaal werd afgesloten met zoetigheid. In de loop van de middag ‘snackte’ men nog wat en ’s avonds werden de restanten van de noenmaaltijd gegeten. Volgens buitenlanders aten Nederlanders in die tijd: ‘vaak, veel en vet’.

uit: Hoorn des overvloeds, zeven eeuwen eten en drinken in de kunst, Waanders Zwolle, 2002, onder redactie van Ton Geerts