
In de bundel verhalen De geest van lavendel van Graa Boomsma (1953) gaat het over mensen op een kruispunt in hun leven, die worstelen met een verdrongen gebeurtenis. Zoals in De Atjeh-knoop (1995) waarin een zoon op weg is naar zijn overleden vader. Onderweg spelen bepalende herinneringen op die te maken hebben met het Nederlands-Indische verleden van vader.
Mijn moeder zit in de lege kantine aan een tafeltje bij de houten bar. Ze springt op als ze me ziet. Ik omhels haar. Ze is heel klein, haar rug kromt zich, haar schouders schokken. Waarom waakt ze niet bij haar man? Ik klop op haar rug, kan niet met haar meehuilen.
Kan ik hem zien?
Ze schudt mer haar hoofd.
Hij is weggehaald, zegt de kantinebaas vanachter de bar. Dat vond de dokter beter. Gecondoleerd met het verlies. Wilt u koffie? Hij houdt een zware thermoskan omhoog.
Nee, ik kan niet beleefd tegen de man zijn. De dood, hij wordt weggemoffeld nog voor hij zijn komst aankondigt.
Ik loop met mijn moeder naar de caravan. Wat afschuwelijk klein is dat hok op wielen, benauwder dan het schuurtje waar mijn moeder elke maandag de was doet; de boet, zoals mijn moeder het nog steeds noemt.
Het bed is weer in twee bankjes en een tafeltje veranderd. Elk spoor van de dood is weggewerkt.
Heb jij dat gedaan?
Ze staat achter me.
Nee. Zo’n dunne stem, zo ver weg. Maar ik draai me niet om. Ik stel me voor dat ik hem zie liggen, dat zijn adem stokt, dat ze hem roept, tot drie keer toe, dat hij blijft zwijgen en dat ze zijn voeten, kuiten en knieën langzaam koud voelt worden.
Wie heeft het dan gedaan, wie heeft dit op zijn geweten?
De dokter en een assistent.
Waarom moest dat zo nodig? Kon je ze niet tegenhouden?
Niet aan gedacht, helemaal niet bij stilgestaan. Is het erg?
Ik kan haar niet zien maar ik weet dat ze haar schouders ophaalt.
Ja. Ruik je hem nog?
Doe niet zo gek, jongen.
Ik ruik hem wel. De geur van zijn kleren. Hier ruikt de dood naar lavendel, naar de hei.
Ik draai me om. Ze is de caravan uitgelopen. Bij het aluminium aanrechtje staan zijn plompe winterschoenen.
Waar ben je?
Buiten, op het gras. Kom hier, daar is niets te zien.
Ik wil hém zien.
Hij is er niet meer, jongen.
Ik wil hem zien zoals hij in de vrieskist ligt. Nu is hij nog boven de grond. Lichaam en ziel, moeder, zegt jou dat niets? Straks verdwijnt alles, zijn lijf, zijn geest, de laatste gedachte aan hem.
uit: de Atjeh-knoop; uit: de geest van lavendel, Prometheus Amsterdam, 1995
Graa Boomsma (1953, Nieuwe Niedorp)









