Les Murray: machineportretten met zwevende astronaut (fragment)

Olie-platform

De buitengaatse stalen muggen die neerstrijken op de zee

Machineportretten met zwevende astronaut

Aan de enorme oliepompende ladders die uit het landschap opschieten / en aan de buitengaatse stalen muggen die neerstrijken op zee / gaat waarzeggerij vooraf met op de in kaart gebrachte bodem aangesloten telefoons, / de dompe dynamietschok die vrachtwagens doet schudden en het reeksen uitschrijvend papier / als mannen er het nummer draaien van een onderaards geplooid koraalrif / of luisteren naar zwarte freudiaanse stranden; ze zoeken een immense puistige / rotskoepel van reine Ruwe, een St.Paul’s in profundus. Er zijn talloze / verkeerde nummers op de geofoon, maar hij bracht ons een heel eind, en met de auto. / Elke machine is liefde en een waarachtig antwoord geweest.

Les Murray (1938), Australisch

Vertaling Maarten Elzinga

Schilder Pieter Gerardus van Os schilderde vee en trok ten strijde

van os 6

pg van os 1

Pieter Gerardus van Os (1776 – 1839) kunstschilder. Hij schilderde vooral landschappen, vaak ook met vee.

Pieter van Os was een zoon en leerling van Jan van Os en Susanna de la Croix en een broer van Georgius van Os en Maria Margaretha van Os. Kortom, het schilderen en tekenen zat in het DNA bij de familie Van Os.

Na zijn opleiding werd hij tekenleraar in Amsterdam, waar hij ook miniatuurportretten vervaardigde. Rond 1805 begon hij zich toe te leggen op het schilderen van landschappen met vee en ontwikkelde hij zich tot een echte dierenschilder. Hij volgde hierbij het voorbeeld van de 17e-eeuwse meesters, zoals de vermaarde dierenschilder Paulus Potter.

In de jaren 1813-1814 nam Van Os als kapitein van een vrijwilligerskorps deel aan het beleg van Naarden dat bezet was door Franse troepen. Deze ervaringen leidden tot een aantal schilderijen met militaire onderwerpen. Na deze periode richtte hij zich wederom op zijn specialisme, landschappen met vee.

Pieter van Os was de vader en leermeester van de kunstschilder Pieter Frederik van Os.

Mandelstam: ik kreeg een lichaam…

Ik kreeg een lichaam…

Ik kreeg een lichaam, wat ermee gedaan? / Zozeer van mij, waarvan geen twee bestaan.

Te ademen, te leven, vreugde zoet, / Zeg mij wie ik daarvoor bedanken moet!

Ik ben de tuinman en de bloem in één, / In ’s werelds kerker ben ik niet alleen.

Reeds hebben op het glas der eeuwigheid / Mijn adem en mijn warmte zich gespreid,

Waardoor er langzaam een patroon ontstaat / Dat zich sinds kort niet meer herkennen laat.

Al druipt het waas van het moment van ’t glas, / Het dierbare patroon blijft wat het was.

1909

Neerslachtigheid der vlakten

Wat moeten wij met de neerslachtigheid der vlakten aan, / Met die gesperde honger van het wonderbare? / Dat, wat wij als hun openheid verstaan, / Zien we toch immers zelf bij ’t slapen gaan. / Steeds rijst de vraag waarheen zij gaan en waar zij waren, / En kruipt niet langzaam over hen diegene aan / Door wie wij in de slaap aan ’t schreeuwen slaan, – / De Judas van nog ongeboren mensenscharen?

1937

osip mandelstam

Osip Mandelstam (1891 – 1938), geboren in Warschau in een koopmansgezin, maar beschouwde Petersburg, waarheen het gezin kort na zijn geboorte verhuisde, als zijn geboortestad. Sloot zich aan bij de akmeïsten. In 1913 verscheen zijn eerste dichtbundel: Steen. 

Trouwt in 1922 met Nadezjda, in dat jaar verschijnt ook zijn tweede bundel Tristia. Zijn weigeringen om de door de censuur gewenste veranderingen aan te brengen, brachten hem steeds meer in conflict met de overheid. In 1934 werd hij gearresteerd en voor drie jaar verbannen. In 1937 keerde hij naar Moskou terug. In mei 1938 volgde een tweede arrestatie. Tijdens het transport in Siberië vond hij eind 1938 de dood. Veel van zijn werk is dankzij zijn vrouw bewaard gebleven.

Jelle Brandt Corstius rijdt over ijs

zimniki 1

Het ijs was niet meer sterk genoeg voor ons busje, dus zouden wij te paard moeten oversteken. Een hele onderneming, maar in ieder geval hadden we iets achter de hand – in het geval wij geen (ruimte)afval aan onze kant van de rivier konden vinden. Er daarbij van uitgaande dat het ijs wel sterk genoeg was voor de paarden en dat ik een rastalent bleek te hebben voor het berijden van paarden. Ik had ernstige twijfels bij beide voorwaarden.

Als we een maand eerder waren gekomen had het busje zonder problemen over het ijs kunnen rijden. In Rusland is dit zo normaal dat sommige rivieren in de winter dienst doen als autosnelwegen, inclusief borden en afslagen, de zogenaamde zimniki.

zimniki

Uit: Rusland voor gevorderden, berichten van een overlever – Jelle Brandt Corstius, Prometheus Amsterdam, 2010

finland-zimniki

Giorgio Bassani beschrijft de gewilde en gewenste vader

De laatste (voorlopig want je weet nooit wat er nog allemaal op mijn pad komt of zich kruist) in de vaderdagen. Voor een kind is een vader gewenst. Voor de moeder en vrouw een man gewild. Maar er zijn kinderen die opgroeien zonder hun vader te kennen. Dat kan allerlei redenen en oorzaken hebben: overleden, weggelopen of verdwenen met de noorderzon.

Bassani en Ferrara

De Italiaanse schrijver van joodse komaf Giorgio Bassani met zijn geliefde stad Ferrara. Bron foto: RAI Uno

In de reeks Binnen de muren van de Italiaanse schrijver Giorgoi Bassani, verhaalt de joodse schrijver over het leven in de Noord-Italiaanse stad Ferrara, die ommuurd is. Bassani maakte de tijd mee dat het Italiaans fascisme zich diep wortelde in de gemeenschap. Ook in die van Ferrara. Er werden rassenwetten afgekondigd en Bassani werd in 1943 opgepakt en gevangen gezet vanwege vermeende anti-fascistische activiteiten.

In zijn romans speelt zijn geboortestad (hij woonde ook in Florence en Rome) Ferrara een belangrijke rol. De stad is voortdurend aanwezig in zijn talloze verhalen. Verhalen die vaak gaan over de schemering in het mensenleven en hoe het is om anders te zijn dan de rest.

In Binnen de muren volgen we moeder Maria en haar dochter Lida. Moeder kreeg haar dochter van David, maar die toonde niet veel belangstelling voor haar en het kind, en verdwijnt. Als blijkt dat er heuse belangstelling van het andere geslacht is voor haar dochter, herinnert de moeder haar gedroomde man (de gewenste vader).

‘Lida!’ herhaalde ze een paar maal bij zichzelf. Ze dacht aan haar eigen jeugd. Ze dacht aan Andrea, Andrea Tardozzi, de smid uit Massa Fiscaglia die haar minnaar was geweest, haar geliefde, en die haar man had kunnen worden. Ze was met haar kind in de stad gaan wonen, en elke zondag fietste hij zestig kilometer: dertig om te komen en dertig terug. Hij zat daar, waar Lida nu zat. Ze zag hem nog voor zich, met zijn leren jak, zijn broek van bombazijn, zijn verwarde haardos. Tot hij op een avond, toen hij terugreed naar zijn dorp, halverwege werd verrast door de regen en een borstvliesontsteking opliep. Sindsdien had ze hem niet meer gezien. Hij was in Feltre gaan wonen, in de Veneto: een stadje in het middelgebergte waar hij was getrouwd en kinderen had gekregen. Als zijn ouders hadden gewild, en als hij toen niet ziek geworden was, zou hij met haar zijn getrouwd. Beslist.

Uit: Het verhaal van Ferrara – Giorgio Bassani, Meulenhoff Amsterdam, 1999, vertaling Tineke van Dijk en Joke Traats.

Onrecht: het bouwen van een barricade

burgers bouwen barricades

Het bouwen van een barricade

We waren bang toen we de barricade bouwden / onder vuur. / De kroegbaas, het liefje van de juwelier, de kapper, / wij allemaal, lafaards. / Het dienstmeisje viel op de grond / terwijl zij een straattegel sjouwde, we waren vreselijk bang, / lafaards, wij allemaal – / de cipier, de marktvrouw, de gepensioneerde.

De drogist viel op de grond / terwijl hij met een wc-deur sleepte, / nog banger waren we, de smokkelaarster, / de naaister, de taxichauffeur, / lafaards, wij allemaal.

Een kind van de tuchtschool viel / terwijl het met een zandzak sleepte, / kijk, we waren echt / bang.

Hoewel niemand ons dwong / bouwden we de barricade / onder vuur.

Anna Swirszczynska (1909 – 1984) Pools

Uit: De Revisor, 1983, nummer 4, vertaling Hans Hartsuiker

Hester Knibbe: een vader

hester-knibbe

foto: Hans Reitzema

Een vader

Beland op zoiets als een eiland alleen / zoekt ze zich iemand. Neemt dan

bijvoorbeeld de man die van zee komt / ontvangt en bedient hem als hij dan

gaat, richt ze een hier voor hem in voor / als hij terugkeert, als ze weer wil. Wachten

maakt een deel van haar lijf uit voortaan en / denken hoe hij was, wier aan zijn voeten / in zijn handen een net – Hij is het! Zo

worden goden gevonden door vrouwen, zij / bouwen een altaar, brengen hun zonen / dochters erheen en zeggen: je vader.

Uit: Oogsteen. Een keuze uit de gedichten 1982 – 2008 – Hester Knibbe, Arbeiderspers Amsterdam, 2009

Mies Bouhuys: de zolder

Het landschap komt uit deze poëzie naar voren als wat ik zou willen noemen: het landschap van haar ziel, een landschap waarin bomen, planten, plassen, wolken, regen en mist een van de mens uit bepaalde be-teken-is ontvangen. Kortom, het is op twee manieren ‘werkelijk’min Mies Bouhys’ gedichten; het heeft twee dimensies, een ‘materiële’ en een ‘psychische’. In deze ‘zielslandschappelijke werkelijkheid’ nu is het, dat zich een ander eenzijn heeft geprojecteerd dan de eenheid met de natuur: de gemeenschap van man en vrouw.

Ad den Besten

De zolder

De zolder ruikt naar boeken, / waar niemand meer in leest, / hun kromgetrokken hoeken / zijn eenmaal mooi geweest.

Toen stonden ze beneden: / – ik was nog maar heel klein – / sommige goud op snede / in één in marokijn.

Wie wil ze nu nog hebben, / beschimmeld en besmeurd, / vol stof en spinnenwebben / en ieder blad verkleurd?

Maar als ik er in blader, / hier lees, daar platen kijk, / dan opent zich een ader / naar een verloren rijk.

Remy gaat met zijn hondje / eenzaam de wereld door. / Remy, ach, ik verstond je, / daar is geen uitweg voor.

Om zijn de tachtig dagen, / maar waar blijft Phileas Fogg? / De klok heeft al geslagen, / komt hij niet meer of toch?

Zou kleine Kai nog leven? / Gaat Gerda hem nog na? / Alles is zo gebleven / of wordt weer zo weldra.

Dag dromenman Jules Verne, / dag rare broeders Grimm, / dag zon, dag maan, dag sterren, / dag kleine zeemeermin.

mies bouhuys

Maker foto onbekend, bron: Het Parool.

Maria Albertha (Mies) Bouhuys (1927 – 2008), scenario-, toneel- en kinderboeken-schrijfster. Ook schreef ze gedichten. Ze was woonachtig in Amsterdam.

Bouhuys was gehuwd met de dichter Ed. Hoornik. Ze werd opgeleid tot onderwijzeres maar stond nooit voor de klas. In 1958 trad ze in dienst van de AVRO als regisseuse en scenarioschrijfster van televisie-kinderprogramma’s. Zij was tevens enkele jaren bestuurslid van de Vereniging van Letterkundigen (VvL).

Zij debuteerde in 1948 met de gedichtenbundel Ariadne op Naxos, waarvoor zij de Reina Prinsen Geerligsprijs ontving. Hoewel ze ook daarna nog poëzie publiceerde – zoals Blijven kijken (1971) – werd ze vooral bekend door de vele boeken en versjes voor kinderen. In 1966 werd Kinderverhalen bekroond als Kinderboek van het jaar, de voorloper van de huidige Gouden Griffel. Bekend waren ook haar verhaaltjes in rijmvorm over Pim en Pom, twee poezen die allerlei avonturen beleven en die jarenlang in Het Parool verschenen, geïllustreerd door Fiep Westendorp.

Naast haar literaire werk was Bouhuys ook bekend door haar politieke activisme. Zo zette zij zich jarenlang in voor de Dwaze Moeders in Argentinië, de moeders van onder de dictatuur verdwenen (vermoorde) gevangenen. In 2002 verzette zij zich scherp tegen de mogelijke aanwezigheid van Jorge Zorreguieta bij het huwelijk van zijn dochter Máxima met Prins Willem-Alexander.

Mies Bouhuys overleed op 81-jarige leeftijd.

Willem Brakman: vader als trooster

In deze vaderdagen dit keer Willem Brakman. In zijn korte roman Een winterreis stelt de hoofdpersoon zijn vader voor.

vader en zoon

Een vader… iedere keer, als hij het woord in gedachten  uitsprak, ontstond er een ander beeld. Hij zag de voeten van zijn vader, waarvan er een in de toekomst zou ontsteken, razen door het mulle zand. Zijn vader hield van het strand; mahoniebruin en met harige borst kon hij harder lopen dan zijn broer, die toch watervlug was. Zijn vader… hij zag hem staan in zee, tot zijn middel in het water, met opgeheven vinger als Johannes de Doper, ongepast… en opeens was hij weg. Dat gaf hem altijd een vreemd gevoel van spanning; angstig turend naar het water hoorde hij dan opeens alle geluiden scherp om zich heen, helder en toch in elkaar vervloeiend, terwijl hij zijn adem inhield en zijn lip begon te trillen.

Kleine krullende golven liepen uit over het zand met het geluid van zacht brekend glas. Kinderen renden en lachten in een lege ijle wereld zonder vader… tot deze opeens weer opdook, proestend, snuitend en vrolijk zwaaiend met de armen.

Zijn vader… die met grote passen uit de zee kwam om hem te troosten, de haren van borst en benen tegen de huid geplakt, waardoor hij veel magerder leek. Met een zwaai werd hij op de schouders getild, die klam en kil aanvoelden en waarop de druppels parelden in het zonlicht.

Uit: Een winterreis – Willem Brakman, Querido Amsterdam, 1961