Jan Mankes schilderde met liefde vogels

bron: museum.nl

Jan Mankes (1889-1920) schilderde in 1911 dit zelfportret met uil. Olieverf op doek, 20 cm bij 17 cm groot. Het doek is (in bruikleen) te zien in More Twickel in Delden, waar nog meer werk van deze bijzondere en unieke schilder te zien is. Over dit portret nog het volgende:

Jan Mankes was erg verguld met de kerkuil die hij in 1910 toegestuurd kreeg van zijn mecenas Aloysius Pauwels. De sigarenfabrikant en kunstverzamelaar uit Den Haag voorzag hem van werkmaterialen, inclusief vogels, die de reis per post niet altijd overleefden. Deze uil zou meerdere malen in zijn werk figureren, waaronder dit zelfportret. Uitgangspunt voor Mankes’ intieme, verstilde schilderijen was zijn leefomgeving. Landschappen, flora en fauna – vooral vogels – vormden geliefde onderwerpen. Vanaf 1909 woonde hij in het Friese De Knijpe bij Heerenveen, waar weidse polderlandschappen ontstonden met kale bomen in nevelig avondlicht. Daarnaast schilderde hij (zelf)portretten en stillevens.

Mankes’ manier van schilderen is naturalistisch. De gedempte kleuren geven zijn voorstellingen een dromerig, melancholiek karakter. In dat opzicht lijkt zijn werk terug te gaan op het Symbolisme. Mankes, die een opleiding tot glasschilder volgde, zou dit vak nooit uitoefenen Hij deed een avondcursus aan de kunstacademie en verdiepte zich in de schildertechnieken van de Vlaamse Primitieven. Behalve schilderijen maakte hij ook tekeningen en grafisch werk: etsen, litho’s en houtsneden. Een belangrijke inspiratiebron waren de Japanse houtsneden van kunstenaars als Hokusai. Omdat hij aan tuberculose leed, verhuisde Mankes in 1917 naar het bosrijke Eerbeek op de Veluwe. Drie jaar later overleed hij op dertigjarige leeftijd. Hij liet een bescheiden maar karakteristiek oeuvre na.

uit: het Nederlandse kunstboek, WBooks Zwolle, 2016, samenstelling Din Pieters

Jan Mankes (1889-1920, Meppel)

Christiaan Weijts: Elke linkshandige wordt een eigenwijs wezen

bron: nrc.nl

Het is een boek met een eigenwijze omslag: De linkshandigen (2014), geschreven door Christiaan Weijts (1976). Linkshandigheid is een thema in dit boek. Daarom deze voor rechtshandigen ongemakkelijke omslag en een uitleg over wat linkshandigheid bijzonder maakt:

Ze vormen een verborgen minderheid, eentje die nooit als groep vervolgd is en zich daarom ook ooit als groep heeft verenigd. Ze delen een handicap die geen handicap is. Ze zijn geen serieus object van discriminatie. Ze hebben geen gedeelde ideologie of levensovertuiging. Er wordt geen geld voor ze ingezameld. Toch zijn ze anders.

De eerste keer dat Simon een vermoeden kreeg van de betekenis van zijn linkshandigheid, was als tweeëntwintigjarige student in de Sixtijnse Kapel in Rome. Op het plafond staarde iedereen uit zijn jaar naar die schildering waarop God het leven doorgeeft aan Adam. Het fresco met de twee vingers is zo bekend dat je wat giechelig wordt als je hem in het echt ziet, net als bij de Eiffeltoren of tv-gezichten. Nu pas – het was twee jaar na zijn plotselinge coming-out als linkshandige – merkte hij het voor het eerst op, en het inzicht raakte hem als een rondvliegende glassplinter. De docent naast hem vroeg wat er aan de hand was. Simon wees het aan: Met links! Adam krijgt de goddelijke kracht in zijn linkerhand!

(..) Als Simon tegenwoordig aan rechtshandigen denkt moet hij weleens lachen. Al die arme, makke schapen. Kijk ze elkaar eens hun rechterpootje toesteken. Zeker, de linkshandige schudt braaf mee, maar hij schatert het heimelijk uit. De linkshandige zal bij elke opgelegde regel in zichzelf zeggen: voor mij is het anders. Van jongs af aan heeft hij alle instructies en etiquette moeten vertalen naar zijn eigen natuur – van het hanteren van scharen, blikopeners, tennisrackets en bestek tot het schudden van de juiste hand. In het verborgene van elke linkshandige groeit een eigenwijs wezen wiens wereld zich gedraagt naar zelfgemaakte wetten.

uit: de linkshandigen, Arbeiderspers Amsterdam, 2014

Christiaan Weijts (1976, Leiden)

Hugo Camps: Toots Tielemans was een Brusselse ket

Hugo Camps, bron: parool.nl

De Belgische journalist, columnist en schrijver Hugo Camps (1943-2022) was jarenlang verbonden aan het Hollandse Elseviers Weekblad. Daarin verschenen zijn interviews met bekende Fransen, Belgen en Nederlanders uit alle hoeken van de samenleving. Camps ontpopte zich in zijn taal als een romanticus. Een voorbeeld? Over de wereldberoemde jazz mondharmonica-speler Toots Tielemans.

Toots Tielemans, geboren in de schaduw van het verjaardagstaart-achtige justitiepaleis van Joseph Poelaert, is een Brusselse ‘ket’ (kind) van het zuiverste ras. Wie hier is opgegroeid komt nooit meer los van de geur van mosselen en donker bier. De Marollen, dat was jarenlang de trog van hemel en aarde. Ook Toots heeft de flamboyante buurt zien wegkwijnen als een syfilisslachtoffer van hoerige architecten en corrupte politici. Het oudste hart van Brussel, ooit een inspirerend oord voor Emile Zola, klopt nu onder een verschrikkelijk lelijke steenpuist. De wirwar van Bourgondische straatjes, waar vroeger accordeon werd gespeeld van de kermis tot de begrafenis en waar pooiers en hoeren de ‘sukkeleers’ op champagne trakteerden, is gedoofd tot een sterfhuis voor clochards. Gelukkig: de herinnering overstijgt het verval. Toots ziet de zatte wijven nog dansen en schreien en draagt hun verstorven plezier als een eeuwig klankkussen met zich mee.

‘Ik weet nog dat ik als kind, aan de hand van vader, tussen de Marolliens stond te luisteren naar de eerste 1-meitoespraak van Paul-Henri Spaak. Een donderspeech. In die tijd was een socialist nog een socialist. Het Volkshuis in de Hoogstraat was nog een nest van erbarmen voor arbeid, zowel in de muziek als in het leven. In die zin ben ik misschien een socialist of in ieder geval verwant gebleven met Labour. Mijn grootmoeder was een Waalse die als dienstmeisje naar een bourgeoisfamilie in Antwerpen werd gestuurd. Ze leerde er mijn grootvader kennen: een dokwerker. Beiden spraken elkaars taal niet en toch was er liefde. Daar moest ik later vaak aan terugdenken als ik met vreemde musici op een jazzpodium stond. Liefde breekt door de kou heen van een lit de hasard.‘

uit: in de ogen, Prometheus Amsterdam, 2003

Hugo Camps (1943-2022, Molenstede, Belg)

Toots Tielemans, bron: heart.com

Toots Tielemans (1922-2016, Brussel, Belg)

Oek de Jong: Illusie van korte duur

bron: airenomada.com

Oek de Jong (1952) is in Egypte en bezoekt de piramiden. In Een man die in de toekomst springt (1997) doet hij verslag van een illusie met lichtinval.

We stappen uit en laten gids en chauffeur achter in de schaduw van de laatste palmenrij. Op weg naar de piramide voel ik een lichte opwinding ontstaan. We zijn alleen. Niemand vertoont zich in het helle zonlicht. Het is stil – de volmaakte stilte van de woestijn. Grafrovers zijn hier geweest, getuige de diepe schachten die in de rotsen zijn uitgehouwen om grafkamers te bereiken. Archeologen zullen hun opgravingen en metingen wel hebben verricht, maar ze hebben geen sporen achtergelaten. Rondom is de grond bezaaid met uitgedroogde beenderen. Mijn voet stoot tegen een schedel, tegen potscherven. Overal liggen flarden van het grove donkere linnen waarin mummies werden gewikkeld. Ik waan me een reiziger in een andere tijd, de negentiende eeuw, een van de eersten die deze plaats bezoekt.

De illusie is van korte duur. In een dal tussen twee heuveltjes staan we plotseling stil. Achter ons klinkt het wapperen van wijde gewaden in de wind. Drie Egyptenaren storten zich op ons. Een van hen toont ons een pasje van de Dienst voor Oudheden, waarop zijn pasfoto, een kleurenpasfoto, is geniet. In heel Egypte verleent zulk een pasje grote macht, het is een welhaast magisch voorwerp voor wie het bezit. Aan een rondleiding valt niet te ontkomen. Er worden sigaretten uitgewisseld ten teken van vriendschap en verbroedering. Dan begint de tocht.

Pyramid! Very old!

Je knikt en hoopt dat het niet te lang gaat duren. Tombs! Bones! City of dead! En alles, alles is natuurlijk very very old. Ik rook mijn sigaret en beid mijn tijd. De piramide is niet toegankelijk. Ten slotte wordt elders een grafkamer getoond.

Door een schacht met traptreden dalen we af naar de onderaardse ruimte. Al tijdens het dalen begint het zweet op mijn gezicht en rug te drogen – ik huiver. In de grafkamer ligt nog de onderste helft van een granieten sarcofaag, op de wanden zijn vagelijk fresco’s te onderscheiden. We wachten. Dan valt er een lichtvlek op de wanden en glijdt over de voorstellingen: goden en godinnen met dierenhoofden, een jachttafereel, een man die zich ter aarde buigt onder een palm, een lijkstoet, een schare klaagvrouwen, en rijen hiëroglyfen. De wandschilderingen zijn prachtig, ondanks de beschadigingen. Maar diepe indruk maakt de bevende lichtvlek in de grafkamer. Daarboven, bij de ingang van de schacht, zit een van de mannen op zijn hurken. Hij houdt een stuk blik in zijn handen, vangt het zonlicht erin op en laat het weerkaatste licht door de schacht op de schilderingen vallen. In de Vallei der Koningen, die troosteloze rotswoestenij bij Luxor, heb ik naar ze staan kijken: de mannen die bij de ingang van de graven op hun hurken zitten, elke dag, urenlang, en niets anders doen dan het zonlicht vangen in een stuk blik en een lichtvlek over de wanden van een grafkamer laten bewegen. Het heeft een mythische allure: een man wiens werk het is om licht te weerkaatsen en de voorstellingen in een onderaardse ruimte zichtbaar te maken.

uit: een man die in de toekomst springt, Meulenhoff Amsterdam, 1997

bron: goodreads.com

Oek de Jong (1952, Breda)

Thérèse Schwartze schilderde haar nicht

bron: rijksmuseum.nl

Portret van Lizzy Ansingh, schilderes is een schilderij van de Nederlandse kunstschilderes Thérèse Schwartze uit 1902, olieverf op doek, 78 x 62 centimeter groot. Ansingh was haar nichtje en woonde indertijd bij haar in. Het werk bevindt zich in de collectie van het Rijksmuseum. bron: wikipedia.nl

Een jonge vrouw kijkt ons vanonder de rand van haar hoed rustig, maar indringend aan. Het is de schilder Lizzy Ansingh, vastgelegd door haar tante Thérèse Schwartze, bij wie ze zestien jaar in huis woonde. Ze zit zijwaarts op een stoel en leunt met haar elleboog op de rugleuning. Het licht komt van links, waardoor de helft van haar gezicht in schaduw is gehuld. Het is een intiem portret. De nadruk ligt op het gezicht, de omgeving is minder nauwkeurig geschilderd.

Ansingh en Schwartze behoorden tot de Amsterdamse Joffers, een groep bevriende vrouwelijke kunstenaars uit gegoede Amsterdamse milieus. Ze hadden elkaar ontmoet in de damesklas van de Rijksakademie en schilderden in een laat-impressionistische stijl. Hoewel hun werk niet direct vernieuwend was en vaak als vrouwelijk braaf werd bestempeld, was de manier waarop zij als groep naar buiten traden onder andere op tentoonstellingen, een grote inspiratiebron voor andere schilderende vrouwen.

Schwartze trad in de voetsporen van haar vader, de portretschilder Johann Georg Schwartze. Ze schilderde mondaine society–portretten, waarmee ze zowel dankzij haar techniek als haar zakelijk inzicht succes oogstte in binnen- en buitenland. Zelfs koningin Emma, die ze in 1881 met de pasgeboren Wilhelmina portretteerde, behoorde tot haar klantenkring. Als vrouw bekleedde Schwartze een bijzondere positie binnen de kunstwereld, die nog altijd door mannen werd gedomineerd.

uit: Nederlands Kunstboek, WBooks Zwolle, 2016, samenstelling Din Pieters

Thérèse Schwartze (1851-1918, Amsterdam)

Frank Westerman: Schrijven, verbeelden, ver-zinnen

bron: deutschlandfunk.de

Frank Westerman (1964) houdt zich in het essay Te waar om mooi te zijn (2022) bezig met de vraag waarin de romankunst en de feitenliteratuur omgaan met de werkelijkheid. Beiden moeten verwoorden, zoals Westerman concludeert. En er is meer:

Schrijven is per definitie ver-zinnen: je maakt zinnen van ervaringen, denkbeelden, gebeurtenissen.

Dit begint bij het naamgeven. Mijn literaire held Andrej Platonov voert in Tsjevengoer de gevoelige jongen Dvanov ten tonele. Over hem lezen we:

Op zijn zeventiende had Dvanov nog geen eelt op zijn ziel, en ook geen geloof in God of iets wat het verstand rust geeft; hij gaf geen vreemde naam aan het naamloze leven dat zich voor hem openbaarde.

Het was aan Adam in het paradijs om namen te geven aan de dieren. Ik zie hem daar zitten onder de appelboom terwijl de naamloze schepsels, nog nat achter de oren, in een stoet aan hem voorbij paraderen.

Zebra, noteert hij bij de een.

Struisvogel, bij de andere.

Stokstaartje.

Dit hoort bij het scheppingsverhaal. Benoemen is scheppen.

Hangbuikzwijn.

Pas in hun naam komt hun volle wezen tot uiting: het worden zebra’s, struisvogels, stokstaartjes en hangbuikzwijnen.

In De verteller laat Mario Vargas Llosa je kennismaken met Amazone-indianen die de schepping van planten en dieren laten samenvallen met het moment waarop ze ‘gezegd’ worden. Mensen zijn dieren die elkaar sprookjes vertellen. Naast moedermelk, een dak boven je hoofd en een warm bed, krijg je als kind een verhaaltje voor het slapen gaan. Mijn favoriet was de fabel met de pratende slang die Eva verleidde tot het eten van de boom van de kennis van goed en kwaad. Dat mocht niet van God, maar ze deed het toch: zo is het kwaad in de wereld gekomen.

De mythische verhalen waaruit godsdiensten zijn opgetrokken grijpen in op het leven van miljarden – tot gesnij in geslachtsdelen aan toe. Welke diersoort doet zoiets?

Het gros van de wereldbevolking vaart liever op fabels dan op feiten. Alsof we ons vrijwillig kooien in het traliewerk van zelfbedachte verhalen.

uit: te waar om mooi te zijn, over kunst, de mens en de natuur, Querido Fosfor Amsterdam, 2022

Frank Westerman (1964, Emmen)

Nooteboom: ‘Taal doet er toe’

foto: Simone Sassen; bron: alchetron.com

In Het Spanje-verlangen, Nederlandse schrijvers over Spanje (1992) komt de helaas kort overleden Cees Nooteboom (1933-2026) voorbij in een ode aan Spanje en het Spaans. De schrijver bevindt zich op de grens tussen Spanje en Portugal.

Het duurt maar kort, ik moet verder, ik heb me nu eenmaal aan Spanje verkocht, for better of for worse, daar hoor ik. Maar ik heb tijd genoeg, die paar dagen, om over de Iberische tweedeling na te denken, hoe die zich naar andere werelddelen heeft voortgezet. Ook bij de grens van Bolivië en Brazilië houdt de ene taal op en begint de andere, het grote raster van het Iberische verschil is meegereisd met de kolonialisten. De verschillen in accent tussen nieuwe en oude wereld kun je natuurlijk goed horen, maar het wezensverschil tussen Spaans en Portugees gaat daarboven uit. In Manaos denk ik niet aan Madrid, en in Bogotá niet aan Coïmbra. Ik was ooit diep teleurgesteld toen ik in Macao nauwelijks Portugees hoorde, maar had ik, na een lange reis, last van een zeldzame aanval van Europees heimwee. Die dingen bestaan. Hoe geruststellend om de bekende, zacht-vloeiende versluiering van het Portugees te horen bij het brede, tropische geweld van de Amazone, alsof de hitte en het onbekende zich toch hebben laten temmen. En, nog in het afgelopen voorjaar, in een uitgeloogd stuk branderig Costa Rica bij de grens van Nicaragua, kon het landschap dat zich voor je gevoel van je afkeert toch met Spaans beteugeld worden, binnengehaald naar je toegetrokken.

En Nederland? Het lijkt wel of we in onze koloniën niets hebben achtergelaten dan wat zerken en kerken, onze taal is vervluchtigd, boven de Indische archipel opgelost, weggewaaid. Was het te ver? Of zou het dwaas geweest zijn wanneer er nu Nederlands geklonken had langs de Javazee en de Straat van Malacca? Jaloers, dat ben ik natuurlijk op Spanjaarden en Portugezen, al was het maar vanwege de literatuur die terug is komen waaien uit het verre Westen en de oude taal te denken en te drinken geeft.

uit: ik heb me nu eenmaal aan Spanje verkocht; uit: het Spanje-verlangen, Wereldbibliotheek Amsterdam, 1992; samenstelling Maarten Steenmeijer

Cees Nooteboom (1933-2026, Den Haag)

Wim Zaal vertelt over de Italiaanse Briganti

Reisjournalist Wim Zaal (1935-2021) schreef vaak en graag over het land van zijn fascinatie: Italië. Dat deed hij met beeldende taal en met aandacht voor alles wat bijzonder is. Zoals in onderstaand fragment waarin we kennis maken met de briganti uit de Abruzzen.

Fra Diavolo, gekend als Michele Pezza ontwikkelde zich van struikrover tot vrijheidsstrijder.

Zo’n streek brengt kleine, beduchte en brutale mensen voort. Klein door de eeuwenlange schraalheid van het voedsel. Beducht en bijgelovig door de genadeloosheid van de natuur. Brutaal om te kunnen overleven: de Abruzzen waren het land van de Briganti, de bandieten, en tijdens de pantoffelparade van L’Aquila, in de trage uren voor het avondeten, zie je nog tientallen gedrongen mannen met de haviksblik die je herkent van de rovers in je kinderdromen.

Maar ze overvielen de reizigers niet voor hun plezier! In de gestrengheid van de bergen besef je dat het om lijfsbehoud ging, zeker in de tijd van een handjevol grootgrondbezitters en ontelbare paupers, toen de pachters in het bergland nauwelijks te eten hadden, zodat de ransel van elke uitgeschudde reiziger een uitkomst was. Kleine benden stroopten allerwegen de Abruzzen af: werden de rovers gegrepen dan kwamen zij zonder pardon aan de galg (men gedacht hun zielen op 29 augustus, het feest der gehangenen); maar als de vorsten in de nesten zaten, maakten zij van de bandieten gebruik voor een guerrilla. Dat was het geval met Michele Pezza, de roemruchte Fra Diavolo, broer duvel. Rond 1800, toen de Fransen het schiereiland veroverden, promoveerde hij van struikrover tot vrijheidsstrijder – in bliksemacties hakte hij Franse patrouilles in de pan en beroofde de lijken zelfs van hun gebit, want ook gave tanden brachten een grijpstuiver op. De koning van Napels verhief hem op veilige afstand tot hertog, waar hij weinig aan had aangezien de vorst gewoonlijk op de vlucht was. Ook kon de koning zijn hertog niet bijstaan toen de Fransen hem te pakken kregen en fluks opknoopten, eenendertig jaar oud.

Voor zijn roem als Italiaanse Robin Hood had hem niets beters kunnen overkomen. De moderne tijd, die uit de Franse overheersing ontstond, bood aan roversbenden geen plaats meer. De laatste hoofdman van betekenis, Antonio Gasbarrone, moest zich in 1825 overgeven en hield nadien nog veertig jaar als bezienswaardigheid hof in de gevangenis; de ‘koning der bergen’ dicteerde er zijn gedenkschriften en bracht het als in Gasparone van Millöker uiteindelijk tot operetteheld.

De laatste bandiet uit de Abruzzen was Antonio Gasbarrone. Met hem kwam er een einde aan de tijd van de briganti.

uit: een tik van Italië, Aspekt Soesterberg, 2001

Wim Zaal (1935-2021, Amsterdam)

Bentz van den Berg: ‘Als je je ziel verkoopt’

bron: nrc.nl

De bundel essays De overdaad (1999) van Roel Bentz van den Berg (1949) gaat over een moment. Het moment waarop een persoonlijke ervaring ijkpunt wordt voor al onze ervaringen: wat is echt en wat niet? Bijvoorbeeld: wanneer verkoop je je ziel?

Ik heb me vaak afgevraagd wat je nou precies verkoopt wanneer je je ziel verkoopt. Niet wat, na winstaftrek, de eventuele gevolgen van die verkoop zijn (het annuleren van je stoel in de hemel, de kwellingen van de hel, of, meer hier en nu: een zwart gat in het midden van je bestaan, waardoor je nergens meer enige vreugde aan kunt ontlenen), maar wát het nou precies is dat datgene wat wij ziel noemen zó waardevol maakt, dat aan het verlies ervan zulke verstrekkende gevolgen worden toegeschreven.

Duidelijk is, uit alle verhalen, dat het gaat om iets waarvan de houdbaarheid onbeperkt moet zijn – iets dat in ieder geval veel langer mee moet dan de rest van onszelf, inclusief ons ‘zelf’. Een optelsom, denk ik dan, van alle dingen waar je na je dood met een goed gevoel op terug zou moeten kunnen kijken, in het volle besef dat je er zelf niet meer bent om waar dan ook op terug te kunnen kijken. Het valt dus aan te raden om je hier en nu alvast zoveel mogelijk te oefenen in dat niet-omkijken. Een beloning is wel het laatste waar je aan moet denken.

Wanneer ik mijn ogen dichtdoe en me mijn ziel voorstel, maak ik met mijn rechterhand onwillekeurig het gebaar alsof ik net een insect uit de lucht heb geplukt. Maar het is geen vlieg of mug die daarbinnen beklemd zit. Het is veel meer, het is alles, het is niets. Het is de pure binnenkant van alle dingen en gebeurtenissen, de kant waar die ons raken – en hé, kijk, ik ben het, samengebald tot een vuist. Zeg eens dag tegen de vuist.

Als er zoiets is als een moment waarop wij worden afgerekend op hoe wij hebben geleefd – en volgens mij is dat ieder moment – dan gaat het daarbij om de mate waarin en de wijze waarop wij in de tijd die we tot onze beschikking hadden het leven vrije doorgang hebben verleend. Hoe minder we daarbij met onze dikke koppen in de weg gelopen hebben, des te gezonder het er voor de ziel uitziet. Het is een deur die steeds naar twee kanten open- en dichtgaat: de wijze waarop wij het leven beleven is tegelijk de wijze waarop het leven wordt doorgegeven.

uit: de overdaad, Meulenhoff Amsterdam, 1999

Roel Bentz van den Berg (1949, Amsterdam)

Jan Brokken is Feininger voorbij

Feininger voorbij (2009) is een novelle geschreven door Jan Brokken (1949). Een schilder, een fotografe en een schrijver zijn in Duitsland bijeen om werk te scheppen dat geïnspireerd is door het werk van de Duits-Amerikaanse kunstenaar Lyonel Feininger (1871-1956). Wie was Feininger?

Feininger vluchtte uit Nazi-Duitsland omdat zijn kunst als Entartet werd gezien. Hij kwam in de VS terecht waar hij ook werd geboren. Daarover zei hij: Ik voel me vijfentwintig jaren jonger sinds ik weet dat ik naar een land ga waar fantasie in de kunst en abstractie in de vormen niet als absolute misdaden gelden, zoals hier.

Brokken zelf schrijft over het leven van Feininger:

Heen en weer geslingerd tussen de Oude en de Nieuwe Wereld: alleen al in dat opzicht was Lyonel Feininger modern.

Hij werd in 1871 geboren uit Duitse ouders, die hem niet konden opvoeden. Zijn vader was violist, zijn moeder zangeres, en beiden waren voortdurend op tournee. Lyonel bracht zijn jeugd bij zijn grootouders door. Op zestienjarige leeftijd vervolgde hij zijn opleiding tot tekenaar in Hamburg, op zijn eenentwintigste ging hij werken voor een Berlijnse krant. Algauw waren zijn langgerekte, groteske, beweeglijke, tragikomische figuren, die hij als schaduwen afbeeldde, uit duizenden te herkennen, en werd hij zo’n beroemde cartoonist dat hij een fabelachtig aanbod kreeg van The Chicago Tribune. De redactiechef legde zevenduizend zeemijlen af om hem in Berlijn te overtuigen, maar Feininger weigerde, koos voor de vrijheid van het schilderen en legde zich op kubistische vormen toe.

Hij bleef in Duitsland, tot de Nazi’s aan de macht kwamen. Zijn tweede vrouw was joods; in 1937 keerde hij met haar en zijn kinderen naar New York terug. Hij had net op tijd de benen genomen: het schilderij dat Hitler in januari 1938 in de hand hield toen hij vergezeld door een legertje fotografen het depot van de entartete Kunst in de Köpernicker Strasse in Berlijn bezocht, was een Feininger.

Met twee dollar in de zak voer Lyonel de haven van New York binnen. Hij raakte in de vergetelheid, ook al was hij een van de leidinggevende kunstenaars van de Bauhaus-groep geweest. Anders dan Mies van der Rohe en Walter Gropius had hij geen manifesten geschreven. De enige gedachte waardoor hij zich liet leiden was een weinig revolutionaire: zonder heimwee komt niets tot stand. Hij overleed in 1956.

(..)Het gehele werk van Feininger bestaat uit het langzaam verdwijnen van het zichtbare.

uit: Feininger voorbij, Atlas Amsterdam, 2009

Jan Brokken (1949, Leiden)

Lyonel Feininger (1871-1956, New York, USA)