Opgroeien met de droomwereld van Ingmar Bergman

Dromen spelen een belangrijke rol in de films van meester-cineast Ingmar Bergman (1918-2007, Uppsala, Zwe). Onderstaand video-essay legt uit hoe en waarom. De films van Bergman zijn een periode lang bepalend geweest voor hoe ik tegen het medium film aankeek. De Zweedse filmregisseur maakte met Fanny en Alexander zijn meest toegankelijke en meest imponerende film wat mij betreft. Een film die voor een belangrijk deel autobiografisch was en die ging over tegenstellingen tussen: toneel en werkelijkheid; vrijheid en gebondenheid; angst en onschuld. Een film die ook over film zelf ging, met die voor Bergman typische noordelijke sfeer van serieuze bedachtzaamheid. Fanny en Alexander is de film die ik met Kerst vaak opnieuw bekijk.

Helen Mcdonald verrast met wat ze hoog in de lucht ziet

ny by night; greepx.comhelen mcdonald; pinterestBoven New York krioelt het ’s nachts van de dieren in soorten en maten, aldus wetenschapster en schrijfster Helen Mcdonald. bron beeld: greepx.com en pinterest.com

Wetenschapster en schrijfster Helen Mcdonald (1970) schrijft essays over de natuur. Dat doet ze met verrassende observaties. Zoals in het stuk dat gaat over wat er zich hoog in de lucht afspeelt boven New York. Staand op het dak van het Empire State Building doet ze verslag van wat je kunt zien in het avondlicht van de Big City. The city that never sleeps krijgt hierdoor een nieuwe dimensie.

Wolkenkrabbers zijn ’s nachts op hun best, complete dromen van moderniteit die de natuur uitwissen en vervangen door een nieuw, kunstmatig landschap, een landkaart van staal, glas en licht. Maar mensen wonen er om dezelfde reden in als waarom ze de wilde natuur opzoeken: om de stad te ontvluchten. De hoogste gebouwen tillen je naar een niveau boven de wanorde, de chaos van het leven op straatniveau, waardoor je zelf ook verandert. Misschien lijkt de lucht leeg, zoals we ooit dachten dat de diepzee een levenloze leegte was. Maar net als de zee is de lucht een uitgestrekte habitat vol leven: vleermuizen en vogels, vliegende insecten, spinnen, met de wind meegevoerde zaden, microben, zwevende sporen. Hoe langer ik de stad door kilometers stoffige, aangelichte lucht bekijk, hoe meer ik alle superhoge gebouwen begin te beschouwen als machines die ons als diepzee-duikboten naar ontoegankelijke oorden voeren waar we anders nooit onderzoek zouden kunnen doen. Binnen is het rustig, schoon en warm noch koud. Buiten bevindt zich een tumulteuze wereld die vergeven is van onverwachte biologische rijkdommen, en we staan er middenin.

(..) Insecten trekken in buitengewone grote aantallen over ons heen. Wetenschappelijk onderzoeker Jason Chapman gebruikt in Groot-Brittannië op de atmosfeer gerichte radarsystemen om die verplaatsingen-op-grote-hoogte te bestuderen. In één maand kunnen wel meer dan drie miljard insecten één vierkante kilometer Engels akkerland passeren, zo’n duizend kilo biomassa. Volgens Chapman is het aantal dat New York passeert misschien nog wel groter, omdat de stad een toegangspoort tot een heel continent is en geen door koude zeeën omringd eilandje. Ook zijn de zomers er doorgaans warmer. Boven de tweehonderd meter bevind je je volgens hem al in regionen waar het onderscheid tussen stad en platteland er amper of zelfs helemaal niet toe doet.

uit: schemervluchten, Bezige Bij Amsterdam, 2020; vertaling door Nico Groen en Joris Vermeulen

Helen Mcdonald (1970, Brit)

Ilias van Homerus: emoties en gedrag van goden en mensen

In de Ilias, het eerste Homerische epos, wordt een episode verteld uit het laatste jaar van de tien jaar durende Trojaanse Oorlog. Herhaaldelijk blijkt welk effect de oorlog heeft op de emoties en gedragingen van mensen en goden. De lezer krijgt een levendig beeld van de verschillende emoties die zich onder invloed van de oorlog voordoen bij mensen en goden aan zowel Griekse als Trojaanse zijde: triomf, angst en woede bij de strijdende partijen, twijfel en wanhoop aan de kant van belegeraars en belegerden, bezorgdheid van echtgenoten voor elkaar en voor hun kinderen, verdriet en rouw om de gesneuvelden aan beide zijden, en bij de partijdige goden nog in het bijzonder jaloezie. Deze emoties manifesteren zich op verschillende manieren in de gedragingen van goden en mensen. De oorlog kan het beste in hen oproepen en leiden tot daden van moed, loyaliteit en trouw, maar ook het slechtste in hen losmaken en leiden tot overmoed, bedrog en blinde wraakzucht.

bron: mythen-klassiek.weebly.com

Menelaos (links) en Paris; bron beelden: pinterest.com

Zoals een man die in ’t bergland in een van de kloven een slang ziet, trillend en bevend over zijn hele lichaam, terugdeinst; haastig neemt hij de wijk, het bloed trekt weg uit zijn wangen, – zo trok Paris, uit vrees voor Atreus’ zoon Menelaos, zich in de massa terug van de onverschrokken Trojanen.

(..) Maar wat sta ik hier nu met zulk een gedachte te spelen? Als ik als smekeling kom, zal hij stellig geen enkel respect of medelij hebben met mij, maar, zodra ik mijn wapenen afleg, mij, door geen rusting beschermd, als een vrouw van het leven beroven. Nee, ik hoef niet te proberen hier over van alles en nog wat lange gesprekken te voeren met hem, als een jongen en een meisje, – wat een idee: als een jongen en meisje gesprekken te voeren… Dan maar liever direct er op losgegaan, om te weten wie van ons twee de Olympiër krijgsroem wil schenken.

fragmenten uit: de wrok van Achilles; uit: Ilias – Homerus; vertaald door H.J. de Roy van Zuydewijn

Bijna iedere dag muziek: Chet Baker

https://youtu.be/27398omqBGM

Zeker door zijn ongelukkige einde (val uit een hotelraam in Amsterdam) zou je Chet Baker (1929-1988, Yale, USA) verwachten bij de sectie De val, maar ik gun hem een plekje bij contemplatie. Hij was dan wel een junk, gesproken werd over 6 gram heroïne per dag, maar ergens straalt toch nog levensvreugde door in zijn muziek, of in ieder geval: een liefde voor muziek as such.

(..) Dat hij in de jaren vijftig de James Dean van de jazz werd genoemd, begon ik. Het sloeg destijds terug op zijn ravissante kuif, en zijn jongensachtige voorkomen. ‘Ha! Ik ben hem één keer tegengekomen op straat in New York, heb vier minuten met hem gesproken en dat is alles wat ik van hem weet.’

Dat James Dean-voorkomen mocht dan lang vervlogen zijn – Chets ogen stonden ver weg, en alleen de punt van zijn neus was zonder grove kreukels, wat wel te danken zal zijn aan de plastische chirugie die erop werd toegepast nadat twee junkies hem in 1968 compleet in elkaar hadden geslagen -, zijn trompetspel bleek tijdens het optreden nog steeds even lyrisch. Hij volbracht zijn delicate melodielijnen zonder krassen of haperingen, waardoor ze van een introspectieve schoonheid waren. En als hij zong klonk zijn stem onwerkelijk onschuldig, kinderlijk bijna. My..funny..Valentine..

Een ontroerend silhouet, zo’n gebogen gestalte op een barkruk die, soms bijna wankelend, de prachtigste muziek maakte. ‘Ik prefereer te spelen in kleine clubs. Twee, driehonderd mensen, een redelijke akoestiek en iedereen bovenop het podium. Dan voel ik mij thuis.’

Muziek, legde hij uit, was het enige wat hem nog hier hield. ‘De rest van de wereld is verder zo fucked up. Ik heb zonder werk gezeten, ik ben verslaafd geweest, ik heb in de kelders van New York gewoond. Maar that’s life. Zolang als ik nog kan werken en er mensen blijven komen om naar mij te luisteren, it’s cool.’

Ellende als levenselixer. ‘Het is vooral de zakelijke kant van de jazz die ik haat. De platenmaatschappijen, de clubeigenaren, iedereen besteelt je in dit vak. Ze zijn niet geïnteresseerd in de muziek, maar in het geld dat daarmee te verdienen is.’

uit: drie akkoorden en de waarheid – Rob van Scheers, De Kring Utrecht, 2014

https://youtu.be/GBIjK9K62pQ

De ingenieurs van de ziel

Schrijvers en totalitaire systemen is het thema van het boek Ingenieurs van de ziel van schrijver Frank Westerman (1964, Emmen). En speciaal schrijvers binnen het sovjetsysteem. Wat ingenieurs van de ziel zijn (bedacht door Stalin), wordt in het eerste hoofdstuk uitgelegd. Daarin volgen we het spoor van schrijver Maksim Gorki (1868-1936, Novgorod, Rus).

Gorki, Stalin; cultureu.comOp deze foto lijken schrijver Maksim Gorki en dictator Stalin innig samen. bron beeld: cultureu.com

Op 26 oktober 1932 worden tientallen in Moskou aanwezige schrijvers onverwacht opgetrommeld om ’s avonds ten huize van de volksschrijver Gorki te verschijnen. Waar het over zal gaan en wie er nog meer zijn uitgenodigd krijgen ze niet te horen, wel wordt hen op het hart gedrukt dat wegblijven onverstandig is.

Gorki verwelkomt zijn gasten onder aan de gestolde trap van natuursteen; Pjotr helpt hen uit de jas en begeleidt ze naar de eetkamer. De genodigden krijgen een plaatsje aan de rechterkant van de lange tafel, op drie rijen ongelijksoortige stoelen. Pas wanneer iedereen zit gaat de deur opnieuw open en doet Stalin zijn intrede. Op zijn kniehoge laarzen draagt de Georgiër als altijd een donkergroene tuniek. Met enig gestommel komen de schrijvers en dichters overeind, maar Stalin gebaart dat dat niet nodig is. Diegenen die de generalissimus nooit in levende lijve hebben gezien valt op hoezeer hij zijn omgeving meester is. De meegekomen Politburoleden Molotov, Vorosjilov en Kaganovitsj bewegen zich zo stram als lakeien.

(..) Na de eerste wodkadronk geeft Gorki het woord aan de schrijvers. Er volgt een aantal voorzichtige toespraakjes, waarin de aanwezigen benadrukken dat zij zich niet mogen terugtrekken in ivoren torens. De sprekers wegen hun woorden, wetend wat er van hen verlangd wordt. Ze brengen hun toost uit zonder improvisaties, in de veilige en vuurvaste formules van de traditie, uiteraard op de gezondheid en de ongelimiteerde wijsheid van hun leidsman.

Stalin, die tot dan toe pijprokend heeft geluisterd, neemt na deze hakkelende start de regie over. ‘Onze tanks zijn waardeloos,’ zo steekt hij van wal, ‘wanneer de zielen die ze moeten besturen van klei zijn. Daarom zeg ik: de produktie van zielen is belangrijker dan die van tanks…’

Hier pauzeert hij even, wellicht vanwege niet-begrijpend gefrons van zijn toehoorders. Waar wil hij heen?

Stalin vervolgt: ‘Hier merkte iemand op dat schrijvers niet stil moeten zitten, dat zij het leven in hun land moeten kennen. De mens wordt herschapen door het leven, en jullie moeten behulpzaam zijn bij het herscheppen van zijn ziel. Dat is belangrijk, de productie van menselijke zielen. En daarom hef ik mijn glas op jullie, schrijvers, op de ingenieurs van de ziel.’

uit: ingenieurs van de ziel – Frank Westerman, Atlas Amsterdam, 2002

Samuel Zeller fotografeert het botanische leven achter glas

monet; plantenschilderij

De plantenschilderijen van Monet

karl_blossfeldt; plantenfoto

De systematische plantenfotografie van Karl Blossfeldt

Bij toeval ontstond het fotograferen van planten achter glas. Samuel Zeller (1990, Geneve, Zwit) was werkzaam als designer en blies stoom af in een botanische tuin. Slechte dagen op het werk kregen een keerzijde in die tuin. Zeller kreeg belangstelling voor de planten en vond er rust. Hij begon er te fotograferen en vond uit dat planten achter glas sterke aantrekkingskracht hadden. Het project Botanical ontstond. Dat kreeg internationale aandacht, en belangstelling uit de fotografie- en kunsthoek. Uiteindelijk resulterend in een fotoboek.

Samuel_Zeller; plantenfoto2Samuel_Zeller; plantenfoto4Samuel_Zeller; plantenfoto6

De botanische fotografie van Samuel Zeller

Zeller’s foto’s herinneren aan de Impressionistische schilderijen van onder andere Monet, maar ook aan de foto’s die Karl Blossfeldt maakte en die vooral bedoeld waren om de gemaakte beelden te categoriserenen en te systematiseren. Poëtisch en schilderachtig doen de foto’s aan die Zeller maakte in kassen in heel Europa. De foto’s tonen natuur die beschut groeit zonder hinder van de elementen. Subtiele verwijzingen naar hoe het leven verder gaat in zijn eigen tempo, langzaam maar zeker, in een snel veranderende wereld.

“Het kostte me 26 jaar om te begrijpen hoe fragiel leven kan zijn en hoe belangrijk het is kalmer aan te doen en te koesteren waarvan we houden,’ zegt Zeller er zelf over. ‘Ik denk dat alle goede dingen tijd nodig hebben om te groeien.’

bron: plainmagazine.com

Samuel_Zeller; plantenfotoSamuel_Zeller; plantenfoto3Samuel_Zeller; plantenfoto5

Tom Lanoye Dicht de Dag

lanoye; ccmaasmechelen.bebron beeld: ccmaasmechelen.be

Liquid paper

Natuurlijk hebben we schrik, en denken / dat het beter is er niet meer aan te / denken. Zodat we alleen maar lachend schenken / liefde, wijn, eindeloze nachten zonder schaamte,

niet om genot dat vroeger nog verboden / was, maar om genot dat later / onmogelijk zal worden. Wij zijn de doden / van morgen. Opnieuw aarde en water.

Natuurlijk hebben we angst. Het valt voor, / wanneer we vrijen, dat ik de zachte lijn / bekijk van een borst, je linkse. Dan, daardoor,

ben ik het bangst. Mijn handen zijn / machteloos en tijdelijk. Liefde, ik weet het, / duurt het langst. Maar ik vergeet het

soms.

uit: in de piste. Gedichten, Prometheus Amsterdam, 1984

Tom Lanoye (1958, Sint-Niklaas, Bel)

De informele kunst ontwikkelt zich in het na-oorlogse Europa

In het na-oorlogse Europa dreunt de verwoesting van de Tweede Wereldoorlog door. Menselijke waardigheid en joods-christelijke normen hebben meer dan een knauw gekregen. Datzelfde gold voor opvattingen over wat kunst vermag. De traditionele schilderkunst kreeg kritiek. Maar juist de kunst leende zich voor het herwinnen van vrijheid. In de kunst mag je onafhankelijkheid verwachten. En zijn emoties zonder remmingen uitdrukken niet bij uitstek de grondslagen van kunst?

Emilio-Vedova; artbrutEmilio-Vedova; artbrut3

Schilderijen van de Italiaan Emilio Vedova (1919-2006)

In Europa is er onder kunstenaars een groeiende belangstelling voor uitingen van kinderen, waanzinnigen en niet-westerse culturen. Kunstenaars probeerden van dwingende regels voor penseelvoering, kleurgebruik, compositie en voorstelling af te komen. Het moest gaan over spontaniteit. Kunstenaars kozen voor het direct schilderen: direct op het doek, zonder voorstudie en zonder correctie. De andere kunst ontstond: un art autre. Die ging niet over schoonheid of goede smaak. Art Brut, Art Informel, Tachisme of lyrische abstractie noemen we deze periode ook wel.

hans hartung; artbrutOLYMPUS DIGITAL CAMERA

Werk van de Duitser Hans Hartung (1904-1989)

In Europa werd Jean Dubuffet (1901-1985, Fr) het meest spraakmakende voorbeeld van deze stroming. Kunst die zich slechts richtte op het oog en niet tot de geest, wees hij af. Dubuffet was voor de democratisering van de kunst. Als gewone man maakte hij gewone kunst voor gewone mensen. Dubuffet raakte in de ban van tekeningen en schilderijen die geestesziekten maakten. Kunst die waarachtigheid bood, vond de Fransman.

henri michaux, artbruthenri michaux, artbrut4

De vlekkerige kunst van de Fransman Henri Michaux (1899-1984)

‘Het wezenlijke gebaar van de schilder is strijken en smeren. De toevallige klodders, onhandige missers, vormen die duidelijk niet kloppen en tegen de werkelijkheid ingaan, ik accepteer ze, omdat men zich daardoor bewust blijft van de hand van de schilder in het werk’, zei Dubuffet over de bedoeling van zijn oeuvre, dat uit meer dan 5000 werken zou bestaan.

bron: de Tweede Helft – Ad Visser, SUN Nijmegen, 1998

saura; art brut5

saura; art brut2

De portretten van de Spanjaard Antonio Saura (1930-1998)

wols, artinformelwols, artinformel3

Onder de artiestennaam Wols schilderde de Duitser Wolfgang Schulze (1913-1951) zijn informele werken.

 

Jorge Luis Borges: ‘de dichter wil wonderbaarlijk zijn’

Jorge-Luis-Borges; frasesdelavida.combron beeld: frasesdelavida.com

Wat vooraf ging: Een citaat: ‘Poëzie is de spiegel van de mens en brengt de mens wat ie voelt en drijft tot bewustzijn, aldus de filosoof Schopenhauer.

Ik ken de Argentijnse schrijver en dichter Jorge Luis Borges (1899-1986) vooral als de schrijver van ‘fantastische’ verhalen. In de gedachten over poëzie moeten we bij hem twee periodes onderscheiden: de jonge en de oude Borges. Borges leverde zijn eerste bundel gedichten af in 1921: Fervor de Buenos Aires. Zijn opvattingen toen: ‘Men moet niet naar de woorden zelf kijken, maar naar wat ze zeggen. Metaforen zijn niet het wezenlijke bestanddeel van de poëzie.’ Zijn dichtkunst was toen bezadigd en redelijk.

Borges had niets van doen met de avantgarde van die tijd: Geen modernisme, geen futurisme, geen dadaïsme, geen ultraïsme en geen surealisme bij de jonge Borges. ‘Allemaal te gekunsteld’, aldus de Argentijn. Wel vond hij aanknopingspunten bij het Duits expressionisme. Over de poëzie schreef hij in die beginperiode: ‘Poëzie kan metaforen missen omdat woorden op zichzelf al beeld zijn. De dichter moet niet proberen met taal de werkelijkheid aanschouwelijk te maken. Hij moet spaarzaam zijn met adjectieven. In geval van klassieke dichtvormen moet hij zich hoeden voor stopverf als gevolg van rijmdwang.’ Borges verwierp zowel straattaal als academisch jargon. Hij pleitte voor een bewust gebruik van de gewoonste woorden en gaf de voorkeur aan het ankdotische boven het expressieve. ‘De vernieuwing mag niet zitten in de vorm, maar moet volkomen voor rekening komen van de inhoud.’

Ondertussen keren in de dichtkunst van Borges steeds dezelfde symbolen terug: het labyrint, de tijger, de roos en het zwaard. Later komen daar de ouderdom en de ethiek bij. ‘Als de wereld een labyrint is, dan zijn we gered; want het labyrint heeft een uitgang ook al vinden we die niet, het feit dat hij bestaat, geeft de wereld zin. Het vinden van de uitgang is als het ontcijferen van de tekening op de huid van de tijger, als de dood door het zwaard op het eind van een levensweg, als het aanschouwen van de onvergankelijke roos die onophoudelijk tijdelijke exemplaren afwerpt.’ Het is de aleph, de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet die in het gelijknamige verhaal voor het punt staat waarin alle punten samenkomen, de mystieke extase, de ervaring van het universum: het ene in het verscheidene, het gezicht van god.

In 1969 verschijnt zijn vijfde bundel gedichten: Elogio de la sombra. Borges is dan beroemd en blind. Terublikkend op zijn eerste bundel schreef hij: ‘Toen zocht ik het vallen van de avond, de buitenwijken en het ongelukkig zijn; nu, de ochtenden, het middelpunt en de sereniteit.’

Over zijn verhouding tot de poëzie: ‘Nooit heb ik geloofd in scholen en dogma’s, stromingen en manifesten. Modern zijn is eigentijds zijn, en dat zijn wij allemaal automatisch; het heeft geen zin om dat te benadrukken, want niemand kan in de toekomst of in het verleden leven. Het heeft evenmin zin om Argentijns te zijn.

‘Ik heb wel eens vermoed dat het radicale onderscheid tussen poëzie en proza zit in de heel verschillende verwachting van wie ze leest: poëzie vooronderstelt een intensiteit die men in proza niet verdraagt.’

‘Het is bijna iedereen gegeven om verzen te maken, vooropgesteld dat men de tijd neemt om te lezen en dat men muziek heeft in zijn ziel.’

Muzikaal mag de dichtkunst zijn, haar magische oorsprong is volgens Borges waar het om gaat: de Germaan die de naam Thor of Donar uitsprak wist niet of hij de god van de donder bedoelde, dan wel het dreunen dat volgt op de bliksemschicht. Naar die ambiguïteit, de magie wil de poëzie van Borges terug.

Wat Borges doet is de gewone woorden bezigen, omstandigheden inlassen, kleine onzekerheden voorwenden en de feiten vertellen alsof hij ze niet helemaal begreep. Buiten het ritme, de typografische vorm van het vers, wacht de dichterlijke emotie, niet de informatie of de redenering.

Aan het einde van zijn leven en bij het verschijnen van zijn bundel La cifra (1981) verontschuldigt de Argentijn zich voor zijn onvermogen cadans en metafoor aan te wenden. ‘Het intellect denkt in abstracties, terwijl de poëzie door beelden, mythen en fabels denkt. ‘We kunnen iedere dag in het paradijs zijn. Iedere dichter, hoe middelmatig ook, kan het mooiste gedicht van de wereld hebben geschreven, want schoonheid is niemands privilege. Hoe mooi woorden ook klinken, het hoort te gaan om de waarheid die ze aanduiden. De filosoof wil waar zijn, de dichter wil wonderbaarlijk zijn. Als het beeld zowel getrouw als verrassend is, is de auteur zowel filosoof als dichter. Ik geloof in de uiteindelijke begrijpelijkheid van alle dingen en bijgevolg, in die van de poëzie.’

uit:  het geheimschrift en andere gedichten, Jorge Luis Borges (werken in vier delen), Bezige Bij, 2003; ingeleid, vertaald door Robert Lemm

Jorge Luis Borges (1899-1986, Buenos Aires, Arg)

A.L. Snijders: bewegingsloos als een steen

A.L. Snijders schreef onopzettelijk eenvoudig en simpel over de dingen die hij meemaakte, hem aan het denken zette en de kronkel die dat opleverde. Onder kronkel mag je ook inzicht verstaan. Zijn Zeer Korte Verhalen verraden moeiteloos meesterschap. Wederom een voorbeeld:

Steen

De dokter zegt dat wandelen een vijand van de aftakeling is. Omdat ik vanuit m’n bed ongehinderd door straatstenen of asfalt het bos in kan lopen, noem ik me een bosloper. M’n korste rondje loop ik in drie kwartier, ik zie bijna nooit iets nieuws. Als ik iets nieuws zie, heeft het altijd met gevaar of dood te maken. Tot nu toe niet mijn eigen gevaar of dood, het speelt zich gewoonlijk af in het dierenrijk, wat weer eens duidelijk maakt dat je beter geen dier kunt zijn.

Trouwens, nu ik erover nadenk is het bij storm ook voor de mens beter het bos te mijden. Vooral als de bomen zwaar zijn van nieuw blad, zijn ze kwetsbaar, en ik dus ook. De weerberichten zijn dan ook mijn meest bekeken tv-programma’s. Trouwens, op het moment dat ik dit schrijf, wordt er op advies van het KNMI een code oranje afgegeven voor Zeeland. Opluchting en leedvermaak hebben geen zin, de storm trekt door naar het noordoosten, waar mijn broze huis als doelwit wacht. Het blijkt mee te vallen, er zijn wat buien met klassieke bliksemflitsen, maar de enige schade is het uitvallen van de televisie, die haar nieuws via een schotelantenne uit het heelal haalt.

Het gebeurt allemaal tegelijk, de flits, de klap, het stilvallen van de pratende man die uitlegt waarom de vakbonden akkoord moeten gaan. Ikzelf zwijg ook, evenals de papegaai, die zelden zijn bek houdt. De stilte na een natuurramp maakt mij altijd somber – waar was dit nou voor nodig? Als ik had kunnen kiezen, had ik waarschijnlijk voor een bewegingsloos leven gestemd. Zoals een steen op de bodem van een beek.

uit: tat tvam asi, AFdH Doetnchem, 2021

al snijders; heereveensecourant.nl

bron beeld: heerenveensecourant.nl