Le Clézio: ‘De blik die zich hechtte aan de mijne’

bron: la-croix.com

De Frans-Mauritiaanse schrijver J.M.G. Le Clézio (1940) kreeg in 2008 de Nobelprijs voor Literatuur. In de bundel Lente en andere seizoenen (herziene vertaling 2008, het origineel stamt uit 1989)) komen thema’s en motieven van zijn oeuvre samen. De melancholische en dolende zoektocht naar de begeerte, de bron van herinneringen en de plekken van vroeger die verdwijnen.

In bijgaand fragment gaat het om de ontmoeting van het hoofdpersonage met een jonge zigeurerin die rozen verkoopt. Herinneringen komen boven.

Ik hield ervan het meisje in haar zwarte jurk te zien, telkens wanneer ik terugkwam van school, waneer ik op zaterdag of de zondag door de straten van deze buurt rondslenterde. Toch was ik verder niet nieuwsgierig naar haar, naar wat ze deed als ze niet op het smalle paadje naar het souterrain stond.

Ik had haar moeten uithoren, haar moeten vragen waar ze van hield, wat ze wilde, de antwoorden in haar ogen moeten lezen, de kloppingen van haar hart voelen, haar kinderhanden in de mijne nemen, proberen haar iets te geven, iets met haar te delen. Ik denk dat ze in wezen niet bestond voor mij. Ze was een schim, een verschijning, altijd op dezelfde ongerijmde plek, langs de helse, drukke weg, waarover het verkeer raasde, in de wrede kou en de eenzaamheid van de gang, onder aan het flatgebouw, voor de kelderramen van het souterrain dat ze even ontvlucht was, voor enkele ogenblikken maar, als een gevangene die gelucht wordt op de verlaten binnenplaats tussen de gevangenisgebouwen.

Ik denk dat ze voor mij een droom was, magisch en raadselachtig, een betoverend en kwetsbaar prentje, van elk echt leven verstoken, met het verdriet en de geheimen die de levenden niet kunnen waarnemen. Ze deed me denken aan de dochter van een kunstenmaker, een klein en mager meisje dat zich elk jaar tegen kerst voor haar vader in bochten wrong op het winderige plein, verkleumd in haar balletpakje met glittertjes een vertrokken glimlach op haar arme gezichtje waaruit alle kinderlijkheid was verdwenen.

Ik zag dat allemaal niet, ik kon het niet begrijpen. Waar ik van hield was de droom, de zwarte, gejaagde schim, de blik die zich vasthechtte aan de mijne, met een even verwarrende als vermakelijke intensiteit, de blik van een wild dier, een ontdekking die in geen enkel opzicht leek op wat de echte wereld me liet zien, een blik die liefde en dood was, verlangen, angst en ook al wijsheid, trots en ook al minachting, misschien…

uit: lente en andere seizoenen, Vrijdag Antwerpen, 2008; vertaling Edith Klapwijk

Jean-Marie Gustave Le Clézio (1940, Nice, Frans)

Graa Boomsma: ‘De dood ruikt naar lavendel’

bron: npo.nl

In de bundel verhalen De geest van lavendel van Graa Boomsma (1953) gaat het over mensen op een kruispunt in hun leven, die worstelen met een verdrongen gebeurtenis. Zoals in De Atjeh-knoop (1995) waarin een zoon op weg is naar zijn overleden vader. Onderweg spelen bepalende herinneringen op die te maken hebben met het Nederlands-Indische verleden van vader.

Mijn moeder zit in de lege kantine aan een tafeltje bij de houten bar. Ze springt op als ze me ziet. Ik omhels haar. Ze is heel klein, haar rug kromt zich, haar schouders schokken. Waarom waakt ze niet bij haar man? Ik klop op haar rug, kan niet met haar meehuilen.

Kan ik hem zien?

Ze schudt mer haar hoofd.

Hij is weggehaald, zegt de kantinebaas vanachter de bar. Dat vond de dokter beter. Gecondoleerd met het verlies. Wilt u koffie? Hij houdt een zware thermoskan omhoog.

Nee, ik kan niet beleefd tegen de man zijn. De dood, hij wordt weggemoffeld nog voor hij zijn komst aankondigt.

Ik loop met mijn moeder naar de caravan. Wat afschuwelijk klein is dat hok op wielen, benauwder dan het schuurtje waar mijn moeder elke maandag de was doet; de boet, zoals mijn moeder het nog steeds noemt.

Het bed is weer in twee bankjes en een tafeltje veranderd. Elk spoor van de dood is weggewerkt.

Heb jij dat gedaan?

Ze staat achter me.

Nee. Zo’n dunne stem, zo ver weg. Maar ik draai me niet om. Ik stel me voor dat ik hem zie liggen, dat zijn adem stokt, dat ze hem roept, tot drie keer toe, dat hij blijft zwijgen en dat ze zijn voeten, kuiten en knieën langzaam koud voelt worden.

Wie heeft het dan gedaan, wie heeft dit op zijn geweten?

De dokter en een assistent.

Waarom moest dat zo nodig? Kon je ze niet tegenhouden?

Niet aan gedacht, helemaal niet bij stilgestaan. Is het erg?

Ik kan haar niet zien maar ik weet dat ze haar schouders ophaalt.

Ja. Ruik je hem nog?

Doe niet zo gek, jongen.

Ik ruik hem wel. De geur van zijn kleren. Hier ruikt de dood naar lavendel, naar de hei.

Ik draai me om. Ze is de caravan uitgelopen. Bij het aluminium aanrechtje staan zijn plompe winterschoenen.

Waar ben je?

Buiten, op het gras. Kom hier, daar is niets te zien.

Ik wil hém zien.

Hij is er niet meer, jongen.

Ik wil hem zien zoals hij in de vrieskist ligt. Nu is hij nog boven de grond. Lichaam en ziel, moeder, zegt jou dat niets? Straks verdwijnt alles, zijn lijf, zijn geest, de laatste gedachte aan hem.

uit: de Atjeh-knoop; uit: de geest van lavendel, Prometheus Amsterdam, 1995

Graa Boomsma (1953, Nieuwe Niedorp)

Suze Robertson: Pietje lezend op boerenstoel

Pietje lezend op boerenstoel, 1898, olieverf op paneel(versie), bron: ad.nl via kunstmuseum.nl

Een jonge vrouw met op haar schoot een boek, dat zij even tevoren nog aan het lezen was, is frontaal en van dichtbij weergegeven. Het is Pietje, het kindermeisje van Suze Robertsons dochter. Het goud, waarmee de verder expressief geschilderde achtergrond is gedecoreerd, biedt een opmerkelijk contrast met de sombere kleuren van de ingetogen voorstelling. De eenvoudige boerenstoel lijkt verheven tot troon, het kindermeisje tot dame.

Suze Roberston (1855-1922) zocht de grenzen op van de door mannen beheerste kunstwereld. Ze was werkzaam als tekenlerares en volgde lessen aan de academies van Den Haag, Rotterdam en Amsterdam. Als eerste vrouw werd ze toegelaten tot de ‘naaktklasse‘ om te tekenen naar naaktmodel, wat opschudding veroorzaakte.

In de damesklas van de Amsterdamse Rijksacademie ontmoette ze gelijkgestemden, zoals Thérèse Schwartze.

Pietje was vaker onderwerp van Robertsons tekeningen en schilderijen. Ze past in de reeks van (werkende) vrouwen uit de lagere sociale klassen, die Robertson, naast landschappen en dorpsgezichten, met forse penseelstreken schilderde. Donkere kleuren overheersen in haar werk, soms afgewisseld door het helder wit van gevels of mutsjes. Haar thematiek sluit aan bij de Haagse School, maar door de persoonlijke zienswijze en gevoelswereld die uit haar werk spreken, wordt ze ook wel gezien als een voorloper van het Expressionisme. Charley Toorop noemde haar de belangrijkste kunstenares van de negentiende eeuw.

uit: Nederlandse kunstboek, WBooks Zwolle, samenstelling Din Pieters, 2016

Suze Robertson (1855-1922, Den Haag)

Indra Sinha: Ieder in zijn eigen oerwoud

bron: norstedts.se

Over de in VK wonende Indiase schrijver Indra Sinha (1950) is niet veel bekend. Wel schreef hij Vogelwiek over een echtpaar dat ieder zijn/haar eigen oerwoud kent. Zij houdt er thuis een gefingeerd oerwoud op na, hij trekt het oerwoud in om de vogelwiek te vangen. Het volgende fragment verduidelijkt de achtergrond van hun keuze:

Ze was nooit zwanger geworden. Het was de tragedie van hun huwelijk – Arno was zo dol op kinderen en Sara hunkerde wanhopig naar een baby voordat ze te oud zou zijn. Ze hadden erg hun best gedaan, maar omdat het bedrijven van de liefde met een zuiver biologisch oogmerk ophoudt een bron van vreugde te zijn, werd het bij hen een beleefd ritueel – ritueel gerommel gevolgd door een rituele reiniging – vooropgezet en zonder enige hartstocht. Sara hield haar ogen dicht. Misschien waren deze paringen te bloedeloos om een kind te verwekken. Vereist bij het scheppen van nieuw leven is misschien een hartstocht die als een storm door het lichaam trekt, zich bonkend langs de ruggengraat op en neer beweegt, fijnzinniger gevoelens aam flarden scheurt, ogen wijd openspert en haartjes overeind laat komen. Het was echter lang geleden sinds ze iets dergelijks voor het laatst hadden meegemaakt.

Rechts liep een strook asfalt vol gaten en ter breedte van een auto het oerwoud in. In een opwelling sloeg Arno rechtsaf. De oliepalmen en rubberbomen lagen algauw achter hem en maakten plaats voor groepen teak en bamboe. Hij merkte dat hij langs een kreek reed, waar mangrove en kokospalmen over het water stonden gebogen, dat zich als groene zijde splitste toen er een boot vanuit zee de rivier op kwam. Arno stopte en bleef een tijdje zitten. Hij snoot zijn neus in een grote witte zakdoek.

Sara en hij waren iets kwijtgeraakt, iets wat van hen was weggevlucht, alsof het gewond was geraakt. Deze – hoe zou je het kunnen noemen? – geest van voorbije affectie, schim van liefde, had zich in een wildernis voor hen verstopt. Misschien was het dat wel wat ze ieder voor zich zochten, zij in haar oerwoud, hij in het zijne. Het was iets schuws, iets broos, wat weer in het zonlicht moest worden gelokt, zoals de brookiana op zijn open plek in het bos.

Alsjeblieft, laat je zien!

Een kreet, niet tegen zijn favoriete vlinder, maar tegen zijn vrouw.

uit: vogelwiek; uit: een goed verhaal, samenstelling Lidewijde Paris; Arbeiderspers Amsterdam, 2006; vertaling Paul Syrier

Indra Sinha (1950, Mumbai, India)

Gerda Taljaard: Ounooi naar de zee gebracht

bron: goodreads.com

Gerda Taljaard (1971) is Zuid-Afrikaanse en schreef het korte verhaal Naar de zee over een oude vrouw op het platteland, die faalt als moeder. Zij verliest het contact met haar enige dochter. De teloorgang van de ounooi (oude vrouw) wordt onder woorden gebracht door haar personeel.

De dag daarop hebben we haar voor het eerst in de droge rivierbedding gevonden. De zusters van Jenkins zaten nog op de veranda. Miss Jenkins zei dat ze thee ging zetten, maar ze kwam niet terug. De twee zusters gaven ons later met verknepen mond de opdracht voor thee te zorgen.

Twee uur later was ze nog niet terug. De schrik sloeg toe. Ik zag haar al hangen aan een hardekoolboom met haar jarretels om de nek. En ik zag dat Jenkins ook die richting uit dacht.

Het werd een heel gezoek. Stefana ging in de garage zoeken en achter de veekralen. Mary ging zoeken in de sinaasappelboomgaard, Bets bij de windpomp. Ik ging achter het cementen waterreservoir kijken. Ook erin, alleen voor het geval dat. Niets.

Jenkins stuurde de plukkers het veld in. Liesbet en Johannes naar het westen, richting Skuinsdrif. Andries en Exter naar het noorden, de kant van Bekkers uit. Jakobus en Fanie zuidwaarts, richting Spooklig. Filemon en Saar richting oost, naar de berg toe.

Pas tegen vier uur kwamen Andries en Exter met haar terug. Hadden haar spoor en dat van de honden gevolgd tot in de rivierbedding, waar ze haar liggend als een dier hadden gevonden.

Daarna verdween ze regelmatig, maar we wisten waar we haar moesten halen. Ze werd echter sluw, kroop achter struiken en stenen weg. Later trok ze ook haar kleren uit. We schaamden ons dood dat oude witte lichaam zo te moeten zien.

Ach nee, toch, Nooi, waarom lig je zo bloot in het rivierzand? Alleen Mary mocht zo met haar praten.

Daar kan niks goeds van komen, Nooi. Je zult kou vatten en misschien kruipen er wel beestjes en slangen en dingen rond. Dan mompelde de oude vrouw iets over de wateren die haar met zoveel gemak zullen meenemen. Of ze liep helemaal langs de beek half te zingen naar de zee, naar de zee! Ogen alweer star, zagen niemand staan. Sommige werkmensen waren al bang voor haar. Dachten dat ze betoverd was.

Jenkins stond al in de achterdeur toen we aankwamen. Hij pakte haar om haar middel, liet haar voor de haard zitten en haalde haar haren uit de war. Trok haar schoenen uit, maakte haar schort los. Praatte zacht met haar, als met een kind. Hij bracht haar naar de badkamer en achter de halfgesloten deur hoorden we het water in het bad lopen.

Door de kier zagen we hoe hij haar knokige rug afsponsde, zachtjes op de plekken waar de doorns van de knobbelboom haar gekrabd hadden. En een verdriet drong zich in mij op, schoot toe, als melk in een moederborst.

Engelsman, breng me naar de zee. Ze keek hem aan met haar zwart glanzende ogen, haar in slierten over haar dunne schouders.

Maar mijn meidje, het zou ons alleen al een week kosten om daar te komen. En hoe moet het dan met de boerderij?

Breng me naar de zee.

De mensen van de coöperatie hebben het over regen hogerop in het district.

Engelsman…

Goed, mijn meidje, op een goeie dag doe ik dat, je zult het zien. Hij drukte zijn gezicht in haar hals, hield haar vast tot er eindelijk weer leven in haar lichaam kwam.

uit: naar de zee; uit: een goed verhaal, Arbeiderspers Amsterdam, 2006, samenstelling Lidewijde Paris; vertaling Riet de Jong-Goossens

Gerda Taljaard (1971, Pretoria, Zuid-Afrika)

‘Texel verwoesten door ervan te genieten’

bron: texelsecourant.nl

In 1993 concludeerde schrijver Koos van Zomeren (1946) dat het opkomende toerisme ook schaduwkanten had. Bijvoorbeeld in het geval van waddeneiland Texel.

De eetzaal

De vier bij de deur zijn vertrokken. De enige indruk die ze hebben achtergelaten is dat ze bij de deur zaten en met z’n vieren waren. Nu zitten er twee meisjes van veertig. In de hoek bij het raam weer de beide dikkerdjes. Aan de schoenen kun je zien dat de ene een man is. Dan de sportieve vrouw, die wat weg heeft van Dorothy uit Golden Girls. Ze kauwt haar eten vóór in haar mond, alsof ze in elke hap een botje zoekt. Haar moeder wordt aan het gezicht onttrokken door een houten kolom. Aan een middentafeltje: vier oudere zonaanbidders, nog bruiner dan gisteren. De vrouwen bedelen met knikjes en hallootjes om de aandacht van twee witharige jongetjes – het gezin aan de muur. Bij de soep zal de jongste door de zaal draven, bij de aardappelen gaat hij zitten huilen. In beide gevallen kijkt de oudste met weifelende afgunst toe, nu al te groot voor die dingen. En daar komen de meisjes van zeventien! Na de tweede nacht al werden ze om halfzes bij hun appartement afgezet door gezonde jongens met fietsen, maar het zag er niet naar uit dat ze hen zouden binnenlaten. (Hoe weet je dat? Ik ging om die tijd naar de duinen om velduilen te zien.) Ze lopen door naar achteren en worden meteen bediend. Tomatensoep. Met ons veertigen zijn we. Ieder op zijn eigen manier bezig met hetzelfde. Texel verwoesten door ervan te genieten.

Morgen ben ik weg.

uit: zomer, Arbeiderspers Amsterdam, 1993

Koos van Zomeren (1946, Velp)

bron: trouw.nl

Philip Huff: Ben is bijna thuis

bron: trouw.nl

“Dagen van gras” van Philip Huff (1984) vertelt het verhaal van Ben, die opgroeit op landgoed Weldra en na de scheiding van zijn ouders een hechte vriendschap opbouwt met de nieuwe buurjongen Tom, met wie hij muziek maakt en steeds vaker wiet rookt. Na het roken van wiet met Tom verandert Bens gedrag en raakt hij in de problemen, zoals zwartrijden. Een brand in de boomhut zet zijn leven op zijn kop, waardoor Ben in het ziekenhuis en later in een jeugdkliniek belandt vanwege vermoedens van psychose door drugsgebruik. In de kliniek droomt Ben dat Tom is overleden, wat later blijkt te kloppen. Ben komt weer op het goede spoor en keert terug naar Weldra.

De verharde weg waar je op loopt, de Oude IJssel, voert je langs akkers en velden, tot aan een kruising met een zandweg, de Brede Koeweg. Het zand ervan is droog, en stuift op in de wind. Hier en daar ligt een scherf blauw aardewerk, of een stuk rode baksteen. Deze zandweg, en het zonlicht dat doelloos door het stof naar beneden valt: het straalt een leegte uit, een stilte, die niet te beschrijven is.

Je begint de zandweg af te lopen. Hier staan ook bomen, maar kleinere exemplaren, met meer tussenruimte. Aan de rechterkant ligt een drooggevallen sloot. Daarachter een weiland. Je kijkt het weiland over, over het hoge gras met de paardebloemen erin, tot aan de donkere rand van de struiken en bomen aan de overkant. Achter die bomen, enkele kilometers verderop, ligt de rivier, de IJssel. De rivier die ’s nachts donker is, zwart haast, ondoorzichtig. De rivier die statig stroomt. De rivier waar je ooit bijna in verdronken bent. Je oom kwam je redden.

Twee nieuwsgierige koeien komen naar de rand van het weiland gelopen. Hun kaken herkauwen het voedsel van de morgen. In de hoge, lichtblauwe hemel boven ze schiet een groep vogels hen en weer; zwaluwen die vliegjes vangen.

(..) Dit is het land van je jeugd, denk je. Van je ziel. Het land van omgeploegde akkers, van velden vol paardebloemen en koeien en schapen en de zware geur van paarden in de lucht. Dit is het rijk van populieren, van eiken en van knotwilgen, van verdroogde sloten en stille zandwegen. Dit is waar je thuishoort, in een wereld van gras. Met een hoge hemel vol ganzen boven je.

Want hier begint alles elk seizoen opnieuw.

Je draait je om en loopt verder. Aan het einde van het zandpad, achter een grote groep bomen, komt het dak van een groot huis tevoorschijn.

Het leven is niets meer dan een wandeling naar huis, een tocht door de zomerzon.

Maar je bent er bijna.

Je bent bijna thuis.

Weldra.

uit: dagen van gras, Bezige Bij Amsterdam, 2013

Philip Huff (1984, Naarden)

Jan Veth schilderde een jonge Albert Verwey

Dichter en schrijver Albert Verwey geschilderd door Jan Veth; bron: wikipedia.org

Tegen een donkere achtergrond staat een jongeman met warrig haar in een groengrijs pak. Met een hand in zijn broekzak kijkt hij de toeschouwer eigengereid en vastberaden aan.

Jan Veth (1864-1925) schilderde en etste voornamelijk portretten, waarin hij zich een goede observant toonde. Niet alleen gaf hij het uiterlijk nauwkeurig en gelijkend weer, vooral de manier waarop hij blikken en karaktertrekken vastlegde werd in zijn tijd uitzonderlijk gevonden. Hij portretteerde kunstenaars, schrijvers, professoren en zakenlieden. Veth was bevriend met de letterkundigen uit de kring van de Tachtigers, onder wie dichter en schrijver Albert Verwey. Hij schilderde dit portret in het jaar dat Verwey met Willem Kloos, Frederik van Eeden en anderen De Nieuwe Gids oprichtte. Met hun vernieuwende opvattingen over literatuur en kunst, waaronder het principe van kunst om de kunst, zetten zij zich af tegen de in hun ogen conservatieve oudere generatie.

De Tachtigers zagen een sterke verwantschap tussen de literatuur en de beeldende kunst. Wat wij beweren, dat de dichter doen moet met woorden: zuiver voelen en nauwkeurig uitdrukken, dat moet de schilder doen met verf, aldus Verwey. De stemming die een kunstenaar in zijn werk tot uiting bracht, moest een criticus op zijn beurt in woorden kunnen overbrengen. Veth werd medewerker van het tijdschrift en publiceerde kunstkritieken over werk van tijdgenoten zoals George Hendrik Breitner, Isaac Israëls en Jan Toorop. Later werd hij hoogleraar kunstgeschiedenis en was hij medeoprichter van het Rembrandthuis in Amsterdam.

uit: het Nederlands kunstboek, Wbooks Zwolle, 2016

Jan Veth (1864-1925, Dordrecht)

22 augustus 1733: de paalworm

De dreiging van de paalworm geïllustreerd in de 18-de eeuw; bron: oudstedebroec.eu

22 augustus 1733 is de dag waarop de scherpe en ervaren ogen van Jacob Goudsblom, in dienst als schouwer van het hoogheemraadschap nabij Schardam (West-Friesland), zien dat de houten palen die de dijk om de polder dienen te beschermen tegen de Zuiderzee zijn aangetast. Bij nadere inspectie blijkt dat de palissade niet gesleten is door water en wind, zoals gewoonlijk. De houten wallenkant is aangevreten door merkwaardige, onbekende diertjes, die natuurlijk paalworm gaan heten. Dijkgraaf en heemraden staan voor een raadsel.

Pas later wordt duidelijk dat het wurmpje vanuit de Indische Oceaan aan de romp van VOC-schepen onder de waterspiegel in verwoestende aantallen is meegelift als verstekeling. Wereldomvattende neringzucht heeft zo zijn nadelen.

Dat de kleine exotische onderkruipers wel pap lusten van houten paalwanden die Hollandse dijken samen met een beschermende laag van zeewier bij elkaar houden, wordt verontrustend snel duidelijker. Voor de zoveelste keer moet noordwestelijk Nederland, de helft van de Republiek, na vandaag andermaal op de schop. De dijklichamen worden voortaan niet meer tegen afkalving beschermd dor hout en wier, maar door anorganisch materiaal: steen, basalt, arduin.

uit: geen heden zonder verleden, BNR Amsterdam, 2006; samenstelling Willem Dijkhuis

Willem Dijkhuis (1942, Haaksbergen)

Ingmar Heytze: Herbouw

Foto: Gert Jan Pos; bron: poetry international.com

Herbouw

In deze stad valt niets te slopen;

alles groeit vanzelf weer aan.

Denk aan uw einde maar

doe het niet hier,

\

hier valt het doek nooit

voor altijd. Gedempte singels

lopen weer vol. Een ingestorte

kerk herrijst.

\

Oude kloostermoppen breken

als vanzelf door het beton

van een parkeergarage

naar het licht.

\

Wie hier ooit was, die is er nog.

Vannacht zag ik verbaasde

schimmen in de buurt

van het Domplein.

\

Speren, helmen, schilden. Romeinen.

uit: van licht en steen, Utrechts Monumenten Fonds, 2013 ter gelegenheid van het 70-jarig bestaan van UMF

Ingmar Heytze (1970, Utrecht)