Philip Akkerman schildert zichzelf

Philip Akkerman (1957) maakt zelfportretten. Dat doet hij in 3 formaten maar in talloze variaties. Hij maakt gebruik van verschillende technieken, felle kleuren maar ook in tinten grijs. Hoe Akkerman is gekomen tot het schilderen van die zelfportretten, vertelt hij zelf in bijgaande video. Dat niet ijdelheid maar een beetje gekte de reden is, kun je aan zijn werk zien.

Philip-Akkerman-zelfportret 2Philip-Akkerman-zelfportret 4Philip-Akkerman-zelfportret 6

Philip-Akkerman-zelfportret 1Philip-Akkerman-zelfportret 3OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Advertenties

John Masefield: zeekoorts

Zeekoorts

Ik moet weer naar de zee terug, naar de eenzame zee en de wind, / En al wat ik vraag is een viermastschip en een ster waar ‘k het noorden bij vind. / En de ruk van het roer en het zingen van ’t want en het klappen van ’t zeil in de vlagen, / En een grauwe mist die de einder bedekt en een grauwe kim als ’t gaat dagen.

Ik moet weer naar de zee terug, want de roep van eb en vloed / Is een wilde roep en een klare roep en een die ‘k gehoorzamen moet; / En al wat ik vraag is een dag met veel wind en met witte wolken die jagen / En het spattende sop en het vliegende schuim en de meeuwen die krijsen en klagen.

Ik moet weer naar de zee terug, waar ik als zigeuner kan zwerven, / Naar de weg die de meeuwen en walvissen gaan, waar de winden als messen kerven; / En al wat ik vraag is een vrolijk verhaal, van een maat die met mij lacht, / En de rust van de slaap en ’t geluk van de droom aan het eind van mijn lange wacht.

Strang, William, 1859-1921; John Masefield (1878-1967)bron foto: artuk.org

John Masefield (1878 – 1967, Brits)

Uit: The Oxford Book of Twentieth-Century English Verse, Clarendon Press Oxford, 1973; vertaling Ko Kooman

Carol Ann Duffy: woorden, weidse nacht

Woorden, weidse nacht

Ergens aan de andere kant van deze weidse nacht / en de afstand tussen ons, denk ik aan jou. / De kamer draait langzaam weg van de maan.

Dit is genoeglijk. Of zal ik dat doorkrassen en zeggen / dat het droevig is? In een van de tijdsvormen zing ik / een onmogelijk lied van verlangen dat jij niet kunt horen.

La lala la. Zie? Ik sluit mijn ogen en stel me / de donkere heuvels voor waarover ik moet gaan / om jou te breiken. Want ik ben verliefd op je

en dit is zoals het nu is, of zoals dat is in woorden.

Carol-Ann-Duffy-inews.combron foto: inews.co.uk

Carol Ann Duffy (1955, Schots)

Uit: Selected poems, Penguin Londen, 2006

Peggy Kuiper portretteert met een twist

peggy kuiper 2peggy kuiper 4peggy kuiper 6

Fotografe Peggy Kuiper (Amsterdam) begon als grafisch ontwerper maar is inmiddels overgestapt naar fotografie. Ze onderzoekt wat haar eigen inbreng kan zijn in de wereld van het lichtend beeld. Haar fotografie is fel van kleur, scherp van snit, super gestileerd en bovenal uniek van toon. Haar portretten hebben een prettige twist die nieuwsgierig maakt en beter leert kijken naar wat je ziet. Haar twist zou je mysterieus, enigszins donker en duister kunnen noemen.

peggy kuiper 1peggy kuiper 3peggy kuiper 5

Boudewijn Büch: bibliotheken

bieb, andc.tvbron foto: andc.tv

Bibliotheken

haar schragen dragen zwaar gewicht, / zij kent de dode hoeken / meter aan meter vastgedicht. / zij telt kas- en andere tegoedenboeken / waarin het voorleden in kolommen staat

cultuur, goed en kwaad / beschermt zij op haar planken, / aan brand en drijverij ontkomen / beheert zij meer filialen / dan Chase Manhattan en de Nationale Banken

demonen, duizend talen. / vergeten lied, een incunabel, / onaanzienlijk kattebel, / vroom geschrift op perkament, / dictators testament.

wat nimmer in mijn huis zal raken / wil zij hartstochtelijk bewaken: / daarom ben ik lezend passagier, / op weg naar waarde en papier

Boudewijn Büch (1948 – 2002)

Uit: Het androgyn in ska en andere gedichten, Arbeiderspers Amsterdam, 1985

Clarice Lispector over de luxe van verdriet

De Brazilaanse literatuur is in ons land niet zo heel bekend; het voetbal daarentegen kennen we allemaal en samba, bossa nova en het carnaval van Rio (en al die andere Braziliaanse steden). We zouden kunnen weten dat Brazilië het meest gewelddadige land in Zuid-Amerika is. Waar een diepe kloof tussen arm (have not) en rijk (have) toe kan leiden, zien we in dit land vol ongekende mogelijkheden (ook op crimineel gebied).

Terug naar de literatuur. Die kent een aantal pareltjes. Ik noem: Machado de Assis, Carlos Drummond de Andrade, Euclides da Cunha en João Guimarães Rosa. Tijdgenoot van Guimarães Rosa is Clarice Lispector. Deze vrouw kreeg in ons land een tijdje geleden wat aandacht om dat er vertaald werk van haar verscheen.

clarice lispector, goodreads.com

bron foto: goodreads.com

Clarice Lispector (1920 – 1977) was schrijfster en journaliste, werd geboren in de Oekraïne, maar emigreerde toen ze twee maanden oud was met haar ouders naar Brazilië. Ze verloor haar moeder toen ze negen jaar oud was. Met haar ouders sprak ze jiddisch, maar ze was de eerste van haar familie die Portugees leerde.

In 1943 trouwde ze met Maury Gurgel Valente, die als diplomaat ging werken. Aangezien haar echtgenoot als diplomaat naar verschillende landen werd gestuurd verhuisde ze verschillende keren. Zo woonde ze in Napels (1944-1945), Bern (1945-1949) en Washington (1952-1959). Na haar scheiding in 1959 vertrok ze met haar zoons naar Rio de Janeiro waar ze ging werken als journaliste en vertaalster.

In 1967 vloog haar huis op de eerste verdieping in brand doordat ze met een sigaret in slaap was gevallen. Ze probeerde nog enkele boeken en manuscripten te redden. Sindsdien kon ze met haar rechterhand alleen met pijn schrijven. Ze stierf op 9 december 1977 aan kanker, een dag voor haar 57e verjaardag.

Het literaire werk van Lispector is existentialistisch genoemd. Uit de novelle Het uur van de ster de volgende passage:

Macabea begreep één ding: Glória blaakte van levenslust. En het was vast allemaal gebeurd omdat Glória dik was. Dik zijn was altijd het geheime ideaal van Macabea geweest, omdat ze in Maceió eens een jongen tegen een dikke vrouw die op straat langskwam, had horen zeggen: ‘Mooi dik is niet lelijk.’ Van toen af had ze naar vlees verlangd en had ze voor het eerst en voor het laatst van haar leven een gunst gevraagd. Ze had haar tante gevraagd schelvislevertraan voor haar te kopen. (Toen hield ze al van advertenties.) Haar tante had gevraagd: ‘Denk je soms dat je een rijkeluiskind bent om naar zulke luxe te vragen?’

Nadat Olímpico haar de bons had gegeven probeerde ze, omdat ze niet somber van aard was, gewoon door te gaan alsof niet alles verloren was. (Ze voelde geen wanhoop enzovoort enzovoort.) Trouwens, wat had ze kunnen doen? Want zij was chronisch. En zelfs verdriet was iets voor rijke mensen, voor wie het zich kon veroorloven, voor wie niets anders te doen had. Verdriet was luxe.

Uit: Het uur van de ster, De Geus Breda, 1994; vertaling Hermien Gaikhorst

Middellandse Zee: Griekse gedachten

grieks dorp, stroomwaarts

bron foto: stroomwaarts.net

Griekse gedachten

Ook hier, in het ontspanningsreservaat, weegt / deze zon, kersrood en groot als onze / bruine, ingevette hand.

De dag hangt in een druivenblauwe droom / die niet verlost. Aan einders wuift / de zee, en ook de lucht staat als een buik / zo bol. Verlorenheid woont in / de beenderwitte huizen.

Hoe echter kou soms tintelt in uw hand. / Hoe het regent uit magnolia’s of / sneeuwt. Zacht blaat het lam / dat voor ons welzijn bloedt.

Uit: Fratsen, Arbeiderspers Amsterdam, 1993

Erik Spinoy (1960, Vlaams-Belgisch)

Robert Musil signaleert een opkomende duisternis

‘Ik weet helemaal niet wat jullie met hem van plan zijn.’

‘Dat is ook niet zo eenvoudig. Wij moeten hem nog verder vernederen en hem nog dieper laten buigen. Ik wou wel eens zien hoe ver dat kan. Hoe dat moet gebeuren is een heel andere vraag. Ik heb daar natuurlijk  wel een paar ideetjes over. Wij zouden hem bijvoorbeeld kunnen afranselen en hem ondertussen dankpsalmen laten zingen, ik denk dat dat niet slecht zou klinken – iedere noot krijgt kippenvel, bij wijze van spreken. Wij zouden hem ook als een hond de smerigste dingen kunnen laten apporteren. Wij zouden hem ook mee kunnen nemen naar Bozena en hem daar de brieven van zijn moeder later voorlezen, en Bozena zou daar vast een aardige conference bij houden. Maar dat loopt allemaal niet weg. Wij kunnen het rustig uitdenken, bijvijlen, nieuwe dingen erbij verzinnen, Maar zonder de bijbehorende details, is dat voorlopig nog wat saai. Misschien kunnen wij hem toch beter aan de klas uitleveren. Dat zou het aardigste zijn. Als ze met zo velen zijn en iedereen zijn steentje bijdraagt, dan is dat al voldoende om hem aan stukken  te scheuren. Ik ben trouwens dol op zulke massa-bewegingen. Niemand wil speciaal meedoen, en toch gaan de golven hoger en hoger tot zij zich boven ieders hoofd sluiten. Jullie zult het zien, niemand zal een vinger uitsteken en toch komt er een reusachtige storm. Zo iets te ensceneren schenkt mij een bijzonder genoegen.’

Uit: De ervaringen van de jonge Törless, Ambo Baarn, Atheneum, Polak & Van Gennep Amsterdam, 1985; vertaling Frank Diamand

rm, manwithoutqualities.com

bron foto: manwithoutqualities.com

Robert Musil (1880 – 1942, Oostenrijks)

Victor E. van Vriesland: raadsel van den duur

Raadsel van den duur

Toekomst, voorbij, is verleden geworden. / Het nu – een niets, een stip, een overgang – / Is niet te vangen. Wanneer ik het vang / Is ’t al geweest: het bloeit niet, het verdorde.

Mijn leven ging, maar blijft in mij bestaan. / Wat onderscheidt herin’ren van verwachten? / Het felste en diepste dat mijn dagen brachten / Gebeurde ontastbaar, is reeds afgedaan.

En met een heldere verwondering, / Gepaard aan vrees en gruwen, zie ‘k elk uur / -Op komst, voorbij – slechts in mijn geest beklijven.

En als ik mij bezin, voel ‘k tijdloos blijven / Mijn eigen ik, waarin zich alle ding / Uit den tijd loswikkelt tot eeuwigen duur.

Victor_van_Vriesland_(1962), wikipedia.orgbron foto: wikipedia.org

Victor E. van Vriesland (1892 – 1974)

Uit: Drievoudig verweer, Querido Amsterdam, 1949

De (onregelmatige) dosis Nabokov

nabokov vlinders, halsmanVladimir Nabokov vangt vlinders. foto: Philippe Halsman; bron foto: Pinterest

In zijn korte verhalen waaierde Nabokov veel kanten op: ook die van het morbide. In het verhaal Wraak handelt het om een professor die terugkeert van een congres. Hij heeft een koffer bij zich met hartverlammende inhoud. De reden: zijn vermoedelijk overspelige vrouw die geloof hecht aan geesten en andere onverklaarbare verschijnselen.

Nabokov speelt met het verschil tussen de rationele onderzoeker en zijn spirituele vrouw. De professor houdt ervan dat in het belachelijke te trekken en vertelt zijn vrouw een bizar verhaal waarin een spirituele vrouw (‘een hysterische waarzegster’) op gruwelijke wijze ontbindt. Een broodje aap-verhaal. Het leidt bij de professor tot de verzuchting: ‘Ik denk wel eens dat alles welbeschouwd mijn wetenschap een ijdele illusie is, dat de wetten van de fysica een uitvinding van ons zijn. en dat alles – letterlijk alles – mogelijk is. Zij die zich aan zulke gedachten overgeven worden waanzinnig…’

Het is een meesterlijk verhaal in minder dan 10 bladzijden. Dat Nabokov schrijven kan, wist ik, maar dat hij ook dit genre onder de knie had, wist ik minder.

Een proeve van naderend onheil.

‘De koffer, zeg je? Weet je wat erin zit?’informeerde hij, met een zweem van irritatie in zijn stem. ‘Kan je het niet raden? Een geweldig ding! Een bijzonder soort kleerhanger…’

‘Een Duitse uitvinding, sir?’ probeerde de student die zich herinnerde dat de bioloog net naar Duitsland was geweest voor een wetenschappelijk congres.

De professor brak uit in een hartelijk, krakerig gelach, en een gouden tand flitste als een vlam op. ‘Een goddelijke uitvinding, mijn vriend, goddelijk. Iets wat iedereen nodig heeft. Overigens, je hebt zelf zo’n ding bij je. Hè? Of ben je soms een poliep?’ De student grinnikte. Hij wist dat de professor geneigd was tot duistere grapjes. Er werd op de universiteit veel over de oude man geroddeld. Er werd gezegd dat hij zijn echtgenote, een heel jonge vrouw, mishandelde. De student had haar één keer gezien. Heel tenger was ze, met ongelooflijke ogen. ‘En hoe gaat het met uw vrouw, sir?’ vroeg de roodharige student.

De professor antwoordde: ‘Ik zal er geen doekjes om winden, beste jongen. Het zit me al een poosje dwars, maar nou moet ik het je zeggen… Beste jongen, ik houd van stilte als ik reis. Ik vertrouw erop dat je het me niet kwalijk neemt.’

Uit: Wraak; uit: Verhalen 1, Bezige Bij Amsterdam, 1996; vertaling Yolanda Bloemen, Anneke Brassinga, Peter Verstegen en Marja Wiebes.