Jeroen Brouwers verdedigt het schrijven met de hand

Op de dag dat er in het Journaal aandacht gevraagd wordt voor het schrijven met de hand (pen, papier, ballpoint, kroontjespen, potlood), herinnerde ik mij dit pleidooi. De verdediging van het ambachtelijk schrijven is van de wellicht bevende en trillende hand van Jeroen Brouwers.

Uit: Bittere bloemen

De woorden moeten met de hand worden neergeschreven, ze moeten rechtstreeks uit het lichaam stromen zoals bloed uit een opengekrabde wond. Het op de schrijftafel uitgespreide papier bevindt zich dicht bij het hart, dat vlak boven de tafelrand klopt, waar men tijdens het schrijven met het middenrif tegenaan leunt. De adem van de schrijver waait over de woorden die onder zijn hand en ogen ontstaan, worden doorgestreept, vervangen, toch weer worden gehandhaafd, verplaatst, opnieuw geëlimineerd, enzovoort, terwijl hij bij het ploeteren zijn polsen en slapen voelt kloppen. Schrijven is een lichamelijke daad, inkt is het bloed van de schrijver. De woorden en zinnen moeten ontstaan op het ritme van zijn hartslag. Tot het papier de aanblik biedt van een overhoop liggende stad waar alleen de schrijver de weg nog weet te vinden. Woorden onmiddellijk intikken op een bioscoopscherm leidt tot gemakzucht, onzorgvuldigheid, snellere tevredenheid over het resultaat. Het lijfelijke, neurologische contact met de tekst ontbreekt, alsof de schrijver zelf onbetrokken is bij wat hij niet schrijft, maar mechanisch produceert. Dat computertuig is de vloek over al het geschrevene, wat duidelijk te merken is aan de slordigheid en andere wankwaliteiten van veel tegenwoordige romans, krantenartikelen en nog andere publicaties. Wie wil schrijven, begint met die rommel uit het raam te gooien.

Uit: Bittere Bloemen, Atlas Amsterdam, Antwerpen 2011

 

jeroen_brouwers

bron foto: Radio 1

Jeroen Brouwers (1940)

Advertenties

Generatie(s): zoon

Mijn zoon

Mijn zoon stormt door het huis, / een roffel op de trap. Hij is / zichzelf een motor. Het lied / dat in hem leeft ontsnapt hem / soms. Ik hoor hem zingen / op de gang en zwijg.

’s Nachts is hij bang. Hij twijfelt / aan zichzelf, aan ons, de wereld. / Ik neem hem in mijn arm / en zonder spreken vaag ik / de oorlog weg en kinderkanker, / mijn eigen dood, het monster van de tijd.

Ik lieg hem voor en red hem / tot wij beiden slapen in gestolen veiligheid.

Anna Enquist

bron foto: Sneeker Nieuwsblad

Anna Enquist (1945)

Uit: Soldatenliederen, 1991

Licht: ik denk de echte dood…

zo licht als een veertje

bron foto: zoom.nl

Ik denk de echte dood…

Ik denk de echte / dood is zo licht / als een veertje / dat je / wegblaast in een lucht / bol van zon / en dat schommelend verdwijnt / in het licht dat schijnt / alsof er in de verste verte / nooit een eind aan komt…

Hans Andreus (1926 – 1977), pseudoniem van J.W. van der Zant

Raakte in Duitse dienst gewond aan het Oostfront, deserteerde en ging in het verzet.

Uit: Een keuze uit zijn gedichten, Holland Haarlem, 1967

Jeugd: ‘sterk was het geloof in groepen’

terbalkt_1bb6_Fotor

‘Bij de viering van koninginnedag of bevrijdingsdag, hoogstwaarschijnlijk in 1946, maakte ik deel uit van de groep ‘Honden’, sterk was toen het geloof in groepen. Ik stond die dag in de bovenste rij als derde van links. In alle meegebrachte kroezen werd de triomfdrank chocolade geschonken. (“Hoe dankbaar is mijn kleine hond / voor beentjes en wat brood!”) Oranje was indertijd de geliefkoosde kleur. Grijsheid van de daken op de achtergrond, daar waar onzichtbare straten de verloren eeuwigheid inlopen. IJsbergen de twee behoeders. Met de regelmaat van de klok barstten in die stille, ernstige jaren van de wederopbouw school-, volks- en buurtfeesten uit. Dan zag je zwart-witfilms, nog zonder geluid. De eerste prijs van de hardloopwedstrijd was een Spel-boek. (Radio-spel, Elektrische tram-spel, Jager-spel, Auto-spel en Vliegmachine-spel. Op het Vliegmachine-spel vertoonden zich wolkenkrabbers. Wie op de maan belandde, moest een beurt voorbij laten gaan.)’

H.H. ter Balkt (1938 – 2015)

Uit: De gevoelige plaat – Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1995

Middellandse Zee: Nice

nice

bron foto: Wikipedia.org

Nice

Met een muts van sneeuw op / kijken de bergen naar het onderland / waar de zon woont en de mensen / pootjebaden in het licht.

Nice is een klein Parijs dat zich het stof / heeft afgeblazen en verguldsel opgelegd. / Rennende automobielen / scheuren de lucht; veelvervige dames / bezoedelen de kroon des ouderdoms. / Achter hotelramen voert de rijkdom / haar koude oorlog met de verveling / of doet in de familiekring / haar vuile was.

Ook aan de havenkant / valt niemand te pletter / in zijn innerlijke leegte. / Het kroegvolk is zo vastgekleefd / in baarden en broeken dat ten einde raad / de wanhoop het afweten laat.

Maurits Mok (1907 – 1989)

Uit: Nachtblauw, BZZTôH Den Haag, 1987 

Grunberg vindt São Paulo mooi, want: ‘dit is onze waarheid’

sao-paulo

Vanuit mijn appartement op de eenentwintigste verdieping keek ik uit op een zee van beton, oneindiger dan het beton van New York. Dat kwam goed uit, ik houd van beton.

(..) Dit was de rijke buurt, de flatgebouwen bevonden zich achter tralies, soms ook achter prikkeldraad. Voor iedere winkel stond een bewaker, ’s nachts zag je in bepaalde winkels een bewaker, keurig in pak, in een tuinstoel zitten om plunderaars af te schrikken.

Het was tweeëndertig graden, ik was hierheen gevlogen om M. te ontmoeten. Zij had een verloofde, ik had een verloofde, maar we verdwenen niet uit elkaars leven, we hadden elkaar geadopteerd. En zo ontmoetten we elkaar op de vreemdste plekken: New York, Bad Ragaz, São Paulo.

Maar ze was vertraagd, ze mocht het land niet in, want ze was niet ingeënt tegen gele koorts. Ook ik was daar niet tegen ingeënt, ik ben tegen niets ingeënt, maar als je vanaf New York vertrekt heb je dat soort injecties niet nodig. Zij kwam uit de rimboe.

Ik wachtte in São Paulo. Soms viel er een tropische regenbui, dan veranderden de straten in rivieren. Ik zag vuilniszakken voorbij stromen, op het hoogtepunt van de bui zelfs een matras.

Je kon hier kinderen huren om ze uit bedelen te sturen, want een kind bracht meer op dan een volwassene, dat behoefde verder geen betoog. Zo lag het economisch risico niet meer bij het kind en zijn ouders, maar bij degene die het huurde. Misschien zouden ook in Nederland kinderen te huur moeten zijn als bedelaar, om de integratie te bevorderen.

(..) Binnenkort red je het niet meer met hoge hekken, schrikdraad, en nachtwakers in winkels, dan zal er op de armen geschoten moeten worden, om het plunderen preventief te voorkomen. Zoals jagers altijd zeggen dat ze niet jagen voor hun plezier, maar om het bestand op peil te houden.

Bovendien is mensenvlees rijk aan proteïnen, dat mag niet onderschat worden. Tekorten op elk gebied zijn onvermijdelijk.

(..) Vanwege de devaluatie van de Braziliaanse munt was niet alleen arbeid spotgoedkoop, maar ook goederen. En alle dure merken waren ruimschoots vertegenwoordigd.

Nadat ik een paar schoenen had aangeschaft, voor nog geen tiende van wat ze in New York of Amsterdam zouden kosten, kocht ik voor een alleraardigst straatkind een ijsje. Haar broertje was schoenpoetser, ook een mooi beroep. En laten we de valkuilen van de schuld niet vergeten.

Eindelijk arriveerde M. Het certificaat dat inenting tegen gele koorts moest bewijzen, was gekocht. Elk certificaat is te koop. Alleen de stakkers kopen hun certificaten niet, daarom zullen zij, vrees ik, als eersten verdwijnen.

We omhelsden elkaar. Ze zag er goed uit. We hadden heel wat te bespreken, tot nu toe hadden we gedaan alsof de pijnlijkste episodes uit ons gemeenschappelijk leven nooit hadden plaatsgevonden. Ze gebruikte geen voorbehoedsmiddelen meer, haar verloofde snakte naar een kind, het werd tijd oude wonden te analyseren voor er te veel nieuwe waren bijgekomen.

Haar verloofde vond het niet makkelijk te weten dat ze nu bij mij in São Paulo was. Van Aap kon hetzelfde worden gezegd.

Ik begon verscheurd te zijn, en zo verscheuren steeds meer mensen, tot mijn omgeving alleen nog uit verscheurden zal bestaan.

Op de tweeëntwintigste verdieping keken we uit over de stad. Eigenlijk was São Paulo mooi.

Zolang de stad bestaat zal het leven oorlog zijn.

Nog sta ik aan de goede kant, maar beneden maken de ratten, die het ook niet kunnen helpen, zich klaar om aan mijn vlees te vreten. Hier zou ik kunnen leven, want dit is onze waarheid.

Arnon Grunberg (1971)

Uit: Grunberg rond de wereld, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 2004

Tomas Lieske: zo diep teleurgesteld

Zo diep teleurgesteld

Zo diep teleurgesteld kijk jij wat jou nog rest / van leven in. Het is een bar geworden met een kind / en wie binnenstapt kan eisen dat je kookt. / Ik zie je schort met vet en resten pens, / de schemer van je verschalend blonde haar.

Er huist een torenvalk op de rand van ons balkon, / maar jij klaagt over de te felle zon, de ramen / moeten dicht, de kamperfoelie staat nog niet in bloei, / de draden zitten in de knoei, hij kan niet verder.

Ons kind wordt gevoed tussen de drinkers / gevangen in zijn veel te kleine stoel. / Men trekt een smoel, maar van de wereld / die hij ziet heeft hij nog niets met zijn handen / kunnen raken. Jij plet hem tussen je plicht / een kleine maaltijd in de keuken klaar te maken / en zijn versleten rijtuig. Zijn draad voor draad / verkende rug. Dat is je kind, je vuur, / je kleine eten.

tomas lieske

Illustratie: Siegfried Woldhek, bron: vn.nl

Tomas Lieske (1943)

Uit: Een tijger onderweg, Querido Amsterdam, 1989

Van Femme Fatale naar Vamp

Voortbordurend op de voorbeelden uit de Bijbel en de Griekse mythologie leefden al in de Middeleeuwen dichters en schilders zich uit op fantasieën over fatale vrouwen: heksen en boze feeën, op seks beluste jonkvrouwen en meedogenloze heerseressen. Het archetype was bijzonder populair in de Romantiek en in de Victoriaanse tijd; operacomponisten maakten er gretig gebruik van. Maar het was in het fin de siècle, bij de symbolisten en de decadenten, dat de femme fatale hoogtij vierde. Oscar Wilde gaf Salomé met zijn gelijknamige toneelstuk een tweede leven, en schilders als Franz von Stuck en Gustave Moreau kregen er geen genoeg van om de listen en lagen van de seksueel veeleisende vrouw uit te meten.

Dat laatste gold ook voor de filmmakers van het Duits Expressionisme: Georg Pabst maakte op basis van het toneelstuk Lulu van Frank Wedekind Die Büchse der Pandora (1929), waarin Louise Brooks een mannenverslindster speelt, en Josef von Sternberg regisseerde in 1930 Der Blaue Engel, met Marlene Dietrich als nachtclubzangeres die een eerbiedwaardige professor te gronde richt.

Niet lang daarna zou de femme fatale met veel succes geëxporteerd worden naar de Amerikaanse film noir; ze werd daar aangeduid als vamp – een afkorting van het woord vampire.

Uit: De femme fatale; Made in Europe – Pieter Steinz, Nieuw Amsterdam Amsterdam, 2014

Louise Brooks: Die Büchse der Pandora (1929)

Marlene Dietrich: Der Blaue Engel (1930)

Femme Fatale: poison

Jason Isbell deelt de 5 gitaarriffjes die hem inspireerden

Jason Isbell is een Amerikaanse gitaarheld van de nieuwste generatie. Voor de ontwikkeling van zijn spel is ook deze jonge gitaarheld afhankelijk van wat hij hoorde en meekreeg. In deze korte video somt Isbell ze op en laat hij horen waarom de riff voor hem van belang is/was. Voor mij een onverwacht genoegen omdat Isbell zijn invloeden uit veel bronnen haalt. Laat je meevoeren (not for freaks only).

Nelly Sachs: wieviele Wimpernschläge

Wieviele Wimpernschläge

Wieviele Wimpernschläge / als das Grauen kam / kein Lid zum zudrücken / und ein Haufen Zeit versammelt / angemalt auf der Demut der Luft

Dies ist nur mit einem ausgerissenen Auge / aufs Papier zu bringen –

Hoeveel oogopslagen

Hoeveel oogopslagen / toen het afgrijzen kwam / geen ooglid om dicht te knijpen / en een hoop tijd verzameld / geschilderd op de deemoed van de lucht

Dit is alleen met een uitgerukt oog / op papier te zetten –

Nelly_Sachs

bron foto: uni-potsdam.de

Nelly Sachs (1891 – 1970)

Uit: Die Fahrt ins Staublose, Suhrkamp Frankfurt am Main, 1961