Andreus: liedje

literairecanon.be; andreus, hans

bron foto: literairecanon.be

Liedje

Alle roekoemeisjes / van vanavond / alle toedoemeisjes / van vannacht / wat zeggen we daar nu wel van?

Niets. / We laten ze maar zitten / maar zitten maar liggen maar slapen / maar dromen van jajaja.

Uit: Verzamelde gedichten, Holland Amsterdam, 2004

Hans Andreus (1926-1977, Amsterdam)

Tolstoj over Toergenjev volgens Karel van het Reve

Ongeveer een jaar na Toergenjevs dood heeft zijn leerling Tolstoj in een brief getracht een karakteristiek te geven van de man, van wie hij veel geleerd had, die hem in het Westen beroemd gemaakt had en met wie hij het persoonlijk nooit goed had kunnen vinden – het was zelfs een keer bijna tot een duel gekomen. Er zijn drie factoren, schreef Tolstoj, die in een geschrift van belang zijn: wie aan het woord is, hoe hij spreekt, goed of slecht, en: of hij oprecht is. Toergenjev was volgens Tolstoj iemand die op zeldzame wijze deze drie dingen verenigde. Verder, zegt Tolstoj – en men kan de nu volgende formulering niet anders dan gelukkig noemen – vindt men bij Toergenjev drie dingen: geloof in de schoonheid, in vrouwenliefde, in kunst, twijfel aan deze dingen en twijfel aan alles, en, tenslotte, een beschaamd, zich zelden helemaal uitsprekend, ongeformuleerd geloof in het goede.

Uit: Arnon Grunberg leest Karel van het Reve, Muntinga Amsterdam, 2004

Tolstoj (1828-1910, Yasnaya Polyana, Rusland)

Toergenjev (1818-1883, Orjol, Rusland)

Karel van het Reve, groene.nlbron foto: groene.nl

Karel van het Reve (1921-1999, Amsterdam)

Alain Teister: versvoeten

Versvoeten

Elk dichterje zingt / zoals het genekt is / door rotjeugd, rotwijf, rotinkt. / En hij is de eminentste / die tussen brekebenen / zijn voeten het minste kapothinkt / en dat het bedroefdst formuleert. / Elk dichterje zingt / vrij ongedeerd.

Uit: Lees eens een gedicht, samenstelling Tom van Deel, Querido Amsterdam, 1979

teister, alain,

tekening: Waldemar Post; bron illustratie: twitter.com

Alain Teister (1932-1979, Amsterdam)

Lucebert: school der poëzie

School der poëzie

ik ben geen lieflijke dichter / ik ben de schielijke oplichter / der liefde, zie onder haar de haat / en daarop een kaaklende daad.

lyriek is de moeder der politiek, / ik ben niets dan omroeper van oproer / en mijn mystiek is het bedorven voer / van leugen waarmee de deugd zich uitziekt.

ik bericht, dat de dichters van fluweel / schuw en humanisties dood gaan. / voortaan zal de hete ijzeren keel / der ontroerde beulen muzikaal opengaan.

nog ik, die in deze bundel woon / als een rat in de val, snak naar het riool / van revolutie en roep: rijmratten, hoon, / hoon nog deze veel te schone poëzieschool

Uit: Er is alles in de wereld, Bezige Bij, Amsterdam, 2009

Lucebert-vn.nlbron foto: vn.nl

Lucebert (1924-1994, Amsterdam)

Het virus: gelukt

Gelukt

Het is gelukt; er ligt damast op tafel en er staat kristal / het zilver glimt de kaarsen branden al. Wij zijn gearmd / hierheen gekomen om te schreeuwen onrecht onrecht. / Met één ruk trekt iemand het servies van tafel, alles / stuk. Je bukt je, snijdt je aan een scherf – / niet erg zeg je niet erg, wij zijn het zelf / die het gelukt is, ook de val.

Uit: Wat zij wilde schilderen, de Harmonie Amsterdam, 1996

herzberg, judith; nu.nlbron foto: nu.nl

Judtih Herzberg (1934, Amsterdam)

Dreiging bij de familie Boslowits (Reve)

Buiten de ramen daalde een fijne motregen neer. Ik sloop naar het kamertje van Hans, bekeek het hondje en beschreef en betastte het schrijftoestel, tot ik werd geroepen om naar huis te gaan.

Onderweg vroeg ik mijn moeder: ‘Hoe oud is Otto?’ ‘Iets ouder dan jij, muis,’ antwoordde ze. ‘Denk eraan, dat je nooit bij oom Hans vraagt, hoe oud Otto is.’ Ik meende dat de regen opeens iets harder tegemoetwaaide . Zelf in gedachten, hoorde ik mijn moeder zeggen: ‘Ze zijn bang, dat als ze er zelf niet meer zijn, dat er dan niet goed voor Otto gezorgd wordt.’ Beide nededelingen gaven mij stof tot dagenlange overdenking.

(..)

Op een middag waren twee Duitsers in uniform met een auto gekomen. ‘Handen omhoog,’ had de ene gezegd bij het binnentreden van de kamer van oom Hans. ‘Man, maak geen grappen,’ had deze in het Duits geantwoord, ‘ik kan niet eens op mijn benen staan.’

Ze hadden het huis doorzocht en verklaarden toen, dat hij mee moest. Oom Hans was zich gaan verkleden en de verlamming, die geheel duidelijk werd, toen ze hem zich door het huis zagen slepen, wees hen reeds op de onzinnigheid van gevangenneming.

Toen zagen ze, hoe tante Jaane hem een fles om in te wateren, van rubber voorbond. ‘Ze vroegen of alleen ik dat kon doen,’ vertelde ze. ‘Ik zei, dat ik dat alleen kon. Toen hebben ze nog wat opgeschreven en zij ze weer weggegaan, maar leuk was het niet.’ Ze knipperde met de ogen en er gingen enkele lichte spiertrekkingen over haar gezicht.

(..)

Niet alleen mijn moeder, maar ook andere kennissen van de familie Boslowits, die ’s avonds langs kwamen, spraken met sombere verbazing over de toestand daar in huis. ‘Het is net als in een spookhuis,’ zei mijn moeder.

Geregeld ging ik ’s avonds langs en steeds was alles hetzelfde. Het aanbellen, het van het slot draaien van de binnendeur en als ik in de gang trad, was tante Jaane al weer binnen. Kwam ik in de huiskamer, dan zat voor het linkerraam van de erker tante Jaane, voor het rechter Hansje. Was ik eenmaal binnen, dan verliet tante Jaane voor een ogenblik haar post, schoot de gang in en sloot de binnendeur op het slot. Wanneer ik wegging, volgde ze me, sloot de deur achter me en als ik op straat stond, zag ik ze reeds weer, als beelden, voor het raam zitten. Ik maakte dan een wuivend gebaar, maar ze reageerden nooit.

Uit: De ondergang van de familie Boslowits – Gerard Reve, LJ Veen Amsterdam, 1950

In De ondergang van de Familie Boslowits wordt een 7-jarig jongentje geconfronteerd met de lotgevallen van een joodse familie in de oorlog.

Gerard_Reve_1969, wikipedia.orgGerard Reve in 1969; bron foto: wikipedia.org

Gerard Reve (1923-2006, Amsterdam)

Het gedicht als ding

Het wemelt in de poëzie en in de beschouwingen van metaforische uitspraken. Het lijkt er soms op dat je eender wat kan zeggen – het is altijd wel toepasselijk: het gedicht is een bril, een doos, een lucifer, een deur, een boom, een mens, een schoen, een tekstverwerker… Dat komt ervan als je taal gebruikt. Sommige van die beelden zijn krachtiger dan andere. Ze keren altijd weer en groeperen zich rond hele reeksen aan aanverwante beelden. Tot de belangrijkste daarvan behoren het gedicht als ding, de dichter als ingenieur (het gedicht is een mechaniekje), het gedicht dat organisch groeit als een plant, de poëzie is alchemie (de dichter is goudzoeker), het gedicht is een brief (een boodschap, een stem, een kreet), het gedicht is een lied (de dichter zingt).

In de bundel zonder namen van Gerrit Kouwenaar staat het gedicht ‘als een ding’:

Als een ding

Een gedicht als een ding

een glazen draaideur en de chinese ober / die steeds terugkeert met andere schotels

een parkwachter die zijn nagels bijvijlt / tussen siberische kinderen uit maine

een venus van de voortijd samen met / een spin op de snelweg

een glas moedermelk, een geel / gesteven smoking

een bij, een pennemes / beide stekend, een vliegtuig / dat oplost in de dorpsregen

een gedicht als een ding.

(..)

De consequentie van die poëzieopvatting is dat kwesties als weergave van werkelijkheid, als persoonlijke pathetiek, expressiviteit of boodschap van de hand worden gedaan. Wat daarvoor in de plaats komt is een toegespitste aandacht voor de taal: ‘De werkelijkheid gebeurt, het leven gebeurt, en om zo af en toe ook eens de taal te laten gebeuren, dat is eigenlijk waar het steeds meer om gaat.’

Uit: De dichter is een koe – Hugo Brems, Arbeiderspers Amsterdam, 1991 

kouwenaar, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Gerrit Kouwenaar (1923-2014, Amsterdam)

Bijna iedere dag muziek: Reinbert de Leeuw

Reinbert de Leeuw (1938-2020, Amsterdam) is niet meer onder ons. De man die eerst rebelleerde tegen de oude cultuur en culturele elite; nieuwe muziek onder de aandacht bracht van een breder publiek, heeft de baton voor altijd laten vallen.

De man die Satie onder de aandacht bracht; Stockhausen; Reich, Ives; Ligeti, Górecki en Messiaen. Vergeten of avant-garde componisten die anders wellicht minder of nooit voor het voetlicht waren gebracht. De Leeuw was een man met een missie. Dat was al in de begindagen van zijn bekendheid. Hijzelf kon er smakelijk over vertellen. Wist ik, en ik zocht en vond een interview met Max Pam uit juli 1978. In Vrij Nederland vertelde De Leeuw het volgende:

Wij speelden met de tent aan de Bos en Lommerweg en dan bestaat het publiek uit 23 jonge jongens op bromfietsen, die het even komen aanzien. Zelf vind ik het stuk ontzettend mooi, maar als het dan begint, dan blijkt al gauw dat ze daar geen zin hebben en worden de hendels van de gaskranen wijd opengetrokken: whaam!!! En dan kun je nog iets harder versterken, maar tegen het geluid van 23 brommers is dat uitzichtloos.

Daar moet nog aan toegevoegd worden dat het in Nederland altijd regent. In Middelburg speelden wij een ander stuk van Peter Schat. De technici gaan vast vooruit om de stellages op te bouwen. Met de leden van het Nederlands Blazersensemble stap je in de bus en tegen de tijd dat je de plaats van bestemming bereikt, zie je grijzende onweerswolken zich boven de einder samentrekken. De rest van de musici zat nog keurig onder tentdoek, maar ik zat met de elektrische piano buiten. Ik herinner mij nog hoe Peter de opmaat gaf, écht de opmaat, en als op teken viel tegelijkertijd de regen met bakken uit de hemel. Mijn partituur die op de piano lag, veranderde ogenblikkelijk in een onleesbare waterige inktvlek en na een paar noten kwamen er allemaal enge vonkjes ui het instrument. Ik zelf had nog een zekere trots van the show mus go on, maar toen ik over mijn schouder keek, bleken alle toeschouwers te zijn weggevlucht.

Zo iets is natuurlijk erg grappig, maar het heeft ook zijn tragische kant. Peter schrijft een bepaald soort muziek – en ik vind het volkomen terecht dat hij die schrijft – maar hij denkt dat muziek voor iedereen bestemd kan zijn, maar dat is een illusie. Achteraf heeft het ook iets vertederends dat je die illusie ooit hebt gehad. Het zijn de dromen van de jaren 60, de opstand in Parijs, alles kan, de Verbeelding aan de macht. En dan word je door die brommers wel even ingepeperd dat het wat anders ligt.

Uit: Max Pam interviews, Bezige Bij Amsterdam, 1984

Reinbert de Leeuw (1938-2020, Amsterdam)

https://youtu.be/qeqrUAxnlaE

De mooie vrouw: ‘ver vuur ben ik’

In Don Quichot van Miguel de Cervantes zit een prachtig hoofdstuk over de herderin Marcela die schuldig zou zijn aan de dood van de herder Grisóstomo. Hij pleegde zelfmoord omdat hij zoveel van haar hield en haar niet kon krijgen. Dit komt uit de verdedigingsrede van Marcela:

‘En zoals de adder niet verdient te worden beschuldigd vanwege het gif dat zij bij zich draagt, hoewel ze ermee doodt, daar de natuur het haar heeft gegeven, zo verdien ik het niet te worden berispt omdat ik mooi ben; want schoonheid bij een eerbare vrouw is als een ver vuur of een scherp zwaard, dat niet brandt of snijdt wie niet in de buurt komt. (…) Ver vuur ben ik en een ver weggelegd zwaard. Wie ik verliefd heb gemaakt met mijn aanblik heb ik met mijn woorden ontnuchterd.’

En verder:

‘Männer umschwärmen mich wie Motten um das Licht, und wenn sie verbrennen, ja dafür kann ich nichts.’

Uit: Een prachtig neusje. De schrijver als cosmetisch chirurg. NRC Handelsblad, 10-10-1997

Bron: Arnon Grunberg (1971, Amsterdam)

Michaelis: toen je mij

Toen je mij met lichte

Toen je mij met lichte / vingertoppen behoedzaam / en toegewijd als braille las, / legden leeuwen en tijgers / hun kop op de poten / en sliepen in, slangen rolden / zich op en zelfs de schorpioen / trok zich terug. Verlost / haalde ik adem, ik voelde / je hart tegen het mijne kloppen / en in mijn binnenste werd het stil / als in de lege kerk vlak voor / het ogenblik waarop het orgel / zijn triomfantelijke stem verheft.

UIt: Wegdraven naar een nieuw utopia, Van Oorschot Amsterdam, 1984

michaelis, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Hanny Michaelis (1922-2007, Amsterdam)