Yourcenar: ‘wat een mens denkt te zijn, wat hij wil zijn en wat hij was’

m.yourcenar; lelivrescolaire.frbron beeld: lelivrescolaire.fr

In de novelle Alexis of de verhandeling over de vergeefse strijd laat de Franse schrijfster Marguerite Yourcenar (1903-1987) een jonge aristocraat een brief schrijven aan zijn vrouw. De brief gaat over het feit dat de jongeman ontdekt heeft dat hij homoseksueel is. Een typisch Yourcenar-thema. Want de française schreef veel en vaak over wat een mens denkt te zijn, wil zijn en wat hij/zij uiteindelijk is.

In Alexis komen veel kwesties aan de orde die te maken hebben met wat het betekent homoseksueel te zijn in een heteroseksuele relatie.

Ik heb vaste verbintenissen geschuwd. Ze berustten op kunstmatige vertedering, zinnelijk bedrog en gemakzucht. Ik zou alleen van een volmaakt mens kunnen houden, lijkt me; ik zou te middelmatig zijn om door hem geaccepteerd te worden, zelfs als het mij mogelijk was hem eens te vinden. Dat is niet alles, Monique. Onze ziel, onze geest en ons lichaam hebben meestal tegengestelde behoeften; ik geloof dat het moeilijk is zo uiteenlopende geneugten te verenigen zonder de ene te verlagen en de andere te ontmoedigen. Daarom sneed ik de liefde af. Ik wil mijn daden niet mooier maken met filosofische verklaringen, als mijn schuwheid een voldoende reden was. Door een verborgen angst verbonden te raken en te lijden heb ik mij altijd beperkt tot oppervlakkige contacten. Het is al genoeg de slaaf te zijn van je natuur zonder de slaaf van een liefde te zijn; en ik ben oprecht van mening dat ik nooit heb liefgehad.

uit: Alexis of de verhandeling over de vergeefse strijd – Marguerite Yourcenar; Atheneum – Polak & Van Gennep Amsterdam, 2007; vertaling Theo Kars en Jenny Tuin

De bevende Jeroen Brouwers

brouwers, katrijn.com

fragment uit foto van Katrijn van Giel; bron beeld: katrijn.com

Iemand vraagt of ik wel eens beef (van ontroering of iets dergelijks) bij het lezen van eigen teksten? Neen, nooit. Ik verafschuw mijn eigen teksten en lees ze derhalve nooit voor mijn lol. Wat zou ik die teksten lezen, ik heb ze toch zelf geschreven! Wat een mal idee, je eigen boeken te gaan zitten lezen… Toch heb ik tussen half augustus en half oktober nu en dan gebeefd, bezig zijnde met de vele honderden brieven die ik tussen 1976 en 1986 aan vrienden, vriendinnen en personen heb geschreven.

Ik heb het idee dat die twee delen ‘brieven’, aangevuld met dagboeknotities, zoals ze weldra zullen zijn verschenen, mijn beste boeken zijn, die ik graag zo nu en dan bij gedeelten zal herlezen. Ik had doodgewoon al die jaren niks anders moeten doen dan brievenschrijven, in plaats van ook nog al die romannetjes, en essays en zo. Die brieven hebben een ongekunstelde spontaanheid die mijn ‘officiële’ werk niet heeft. Ik heb mezelf verziekt en verpest met allerlei opvattingen over stijl, vorm, bouw, die mij al lang de keel uithangen en mij steeds verder in een dooie hoek dringen.

fragment uit: het is niets, Arbeiderspers Amsterdam, 1993

Bernard Dewulf Dicht de Dag

Het is plezierig als een dichter een gevoel in klare taal verwoordt. Als duidelijk wordt dat het gevoel bij de ander hoort, dat ik besta. Het besef dat wij er zijn als je er woorden aan geeft. Dat is in essentie taal en de rol van dichtkunst. Mooi voorbeeld is dit:

Thuiskomst

Ik heb je lief, al kan ik het niet weten. / Ik bedenk het als je thuiskomt van een dag / in je leven. Maar het is geen gedachte. / Je streelt mijn wang en wie weet, / dat gebaar. Het wordt duizend keer gemaakt / voor het bestaat. Hangt je jas aan de kapstok, / iets van niets, maar morgen ontbreekt het / misschien. Of schudt de dag uit je haar. / Wat ik dan daarin in zie, is het begin. / Het huis ontstaat, de tafel neemt plaats, / wij veroorzaken elkaar. Het is toch niet / denkbaar dat iemand dit alles verzint.

uit: waar de egel gaat. Gedichten; Prometheus Amsterdam, 1995

dewulf bernard; nrc.nlbron beeld: nrc.nl

Bernard Dewulf (1960-2021, Brussel)

In de voetsporen van Marguerite Yourcenar

Bevind me in het Franse Vlaanderen, daar waar de scheiding tussen het Belgische en het Franse cultuur-erfgoed het grootst is. Bovenop de Zwarte Berg, Mont Noir, in de buurt van Saint Jan Cappel. In dat dorp staat een kleine school en daar tegenover staat een parmantig huisje. Wat die twee met elkaar van doen hebben (de berg en het dorp) toon ik later.

IMG_6600(1)IMG_6588(1)Marguerite Cleenewerck de Crayencour werd in 1903 geboren in Brussel. Ze was het kind van Michel de Crayencour en moeder Fernande de Cartier de Marchienne, allebei van adelijke families uit Frankrijk en België. Beide families zaten ruim in het geld (o.a. verdiend met de ijzerindustrie) en de grond. Moeder Fernande sterft tien dagen na de geboorte van Marguerite. Vader Michel, die in dienst van de koning ambtelijke diensten verrichtte in Belle (Bailleul), besloot zich met dochter terug te trekken in zijn kasteel op de Mont Noir. Mont Noir en kasteel waren familiebezit. Tot haar tiende jaar zou Marguerite hier verblijven. In het nabij gelegen dorp Saint Jans Cappel werd ze het meisje van het kasteel genoemd. Tijdens haar verblijf op Mont Noir krijgt ze les van haar gouvernante. Ze blijkt een vlotte leerling, die bovendien veel leest. In haar vrije tijd besteedt ze veel aandacht aan de dieren die rondom het kasteel te vinden zijn. De vele personeelsleden die het kasteel kent, hebben een goede band met haar. De kleine Marguerite wordt op handen gedragen.

In 1913 komt er een voorlopig eind aan de idylle op Mont Noir en Saint Jans Cappel. Het kasteel wordt verkocht en de familie vertrekt naar Parijs. Later zal het kasteel door brand worden verwoest en niet meer worden herbouwd. Wel zal er op de berg een nieuw groot huis verrijzen dat tegenwoordig fungeert als plek waar schrijvers zich kunnen terugtrekken die aan nieuw werk sleutelen.

IMG_6591IMG_6592Op initiatief van hoofdonderwijzer Louis Sonneville (van het schooltje tegenover het museum), fervent bewonderaar van Yourcenar, ontstaat in 1977 een briefwisseling met de schrijfster. Resultaat van al die brieven zijn concrete initiatieven die leiden tot de oprichting van het museum in Saint Jans Cappel in 1985. Het museum biedt een overzicht van haar werk; een blik op de kindertijd van Yourcenar; de rol van het landgoed op Mont Noir en een werkkamer die lijkt op de werkkamer die Yourcenar in de VS bezat waar ze een groot deel van haar leven doorbracht.

IMG_6587IMG_6589(1)Yourcenar (anagram van Crayencour) werd de eerste vrouw die toegelaten werd door het mannenbolwerk: de Académie Française; zette zich in voor natuurbehoud en vrouwenrechten en schreef talloze boeken, die door velen werden gelezen. Als u in de gelegenheid bent, bezoekt u dan eens haar museum in Saint Jans Cappel en kies Mont Noir als startpunt van een wandeling door deze fraaie omgeving.

Dirk van Bastelaere Dicht de Dag

Turkooizen scheepje

Het is al dag. Maar wie maakt dat / Waar? Niet de vrouw met haar hand / Bij een lichtknop. In die gang ook / De rode trui om een lichaam niet. / Wat is niet ooit onklaar geraakt?

Tot dan weer, op mijn mouw gebreid, / Het ding zich uit een draad bevrijdt / Dat kruipt alsof het aan komt varen: / Turkooizen scheepje op een rode trui. / Een wollen schoorsteen en niet daar. / En dat de draad mij wist te vinden.

Het is al dag, maar zonder geluid. / Tussen het niets / Dat de dag maakt / En het niets na een gil / Een klein turkooizen scheepje

Van verschil.

uit: pornschlegel en andere gedichten, Prometheus Amsterdam, 1988

van bastelaere, dirk; demorgen.be.jpegbron beeld: demorgen.be

Dirk van Bastelaere (1960, Sint Niklaas, Belg)

Huiselijk geweld bij Willem Elsschot

elsschot; liuteratuurmuseum.nlbron beeld: literatuurmuseum.nl

Zo nu en dan neem ik een duik in het literair verleden van ons eigen taalgebied. Ik lees De verlossing van Willem Elsschot (1882-1960). Hoofdpersoon Van Domburg trouwt zijn Desideria. Maar al snel blijkt dat hij losse handjes heeft:

Wanneer hij Sideria verlangde te slaan, dan ontbood Van Domburg haar in de bakkerij, die uitstekend voor dat doel geschikt was. Het lokaal was lang en smal, als een gang, zonder vensters en met slechts één deur. In de lengte strekte het zich uit van die deur tot aan de oven, waar Pol haar heen dreef tot zij in de hoek tegen de muur aan stond. Soms sloeg hij met een van de spaken die gebruikt werden om de oven te stoken, soms ook alleen maar met zijn handen. En telkens vroeg hij haar met de dood in het hart, of zij nu wilde bekennen.

Toch had Pol, na dat eerste waar het om ging en dat gestorven was, tussen al dat slaan door nog drie kinderen bij Sideria verwekt, allemaal meisjes.

Wanneer het gebiedend klonk van uit de bakkerij “Sideria, kom hier zo,’ dan ging het grut op een hoop staan, dicht bij elkander en kijkend naar Sideria die schoorvoetend gehoorzaamde. Zolang het duurde hielden zij zich roerloos, om pas te verademen, wanneer zij uit de bakkerij te voorschijn kwam, de haarspelden weder in haar dot stekend.

Met haar drieën speelden zij wel eens huishouden. Marie, die de oudste was, stelde dan Pol voor, terwijl Trees als Sideria fungeerde en Anna de rol van kind speelde. Trees bond haar vlechten dan boven op haar kopje tot een dot samen die door Marie uit elkaar geslagen werd, terwijl Anna van ’t begin tot het eind tieren moest als een bezetene.

uit: de verlossing – Willem Elsschot, Querido Amsterdam, 1976

Willem Elsschot (1882-1960, Antwerpen)

Marc Tritsmans Dicht de Dag

Teken

Je slaapt en dat is het moment / waarop mijn hand tast naar / een teken dat voor jou verborgen / blijft al moet het door je huid. / Je buik ligt zowat naast je

en iets komt langs, het lijkt / een tong die gedachteloos / glijdt langsheen de binnenkant / van een wang, iets wil zeggen, / zich bedenkt en zwijgt.

uit: de wetten van de zwaartekracht, Tielt, 1992

Marc Tritsmans (1959, Antwerpen)

marc tritsmans; poeziecentraalbron beeld: poeziecentraal.be

Assembleer je schilderij: materie-kunst

Het zijn de jaren 50 van de vorige eeuw. Er is een wildgroei in kunststromingen op gang gekomen in zowel de abstracte als de figuratieve schilderkunst; nieuwe technische mogelijkheden zoals film, video en tv kondigen nieuwe mogelijkheden tot expressie aan. Kunstenaars kijken terug en vooruit en geven hun eigen draai aan bestaande stromingen. Een voorbeeld van dat laatste is de materie-schilderkunst. Belangrijkste vertegenwoordigers: Tàpies, Burri, Bogart en Wagemaker.

materiekunst; tapiesmateriekunst; tapies2

De Spanjaard Antonio Tàpies (1923-2012) ontdekte de Afrikaanse kunst, het gevonden voorwerp van Dada en het werk van Miró. Zijn assemblages moesten een protest zijn tegen de akademische schilderkunst. Hij maakte zijn werken met zand, zeildoek, stro en touw. Vond dat zijn schilderijen muren waren geworden. Wenste na deze constatering alleen nog maar via muren te communiceren. Zijn oeuvre is omvangrijk, bestaat voor een deel uit morteldoeken waarvan het verfoppervlak ouder lijkt dan Tàpies zelf. Zijn klaagmuren getuigen van het martelaarschap van het Spaanse volk dat leed onder het Franco-regime.

materiekunst; burrimateriekunst; burri2

De Italiaan Alberto Burri (1915-1995) was in de oorlog werkzaam als veldarts. Bij gebrek aan materiaal begon hij te schilderen met jute, lompen en pek. Vanaf 1946 wijdde hij zich geheel aan de kunst. Zijn schilderijen waren dik, gecraqueleerd en zijn assemblages werden gemaakt van verschroeid hout, plastic en lompen. In zijn werk worden zijn oorlogservaringen verwerkt. Grove stukken met rode verf besmeurde jute verwijzen naar de verbanden die hij aanlegde tijdens de oorlog.

materiekunst; bogartmateriekunst; bogart2

Bram Bogart (1921-2012) werd in Delft geboren maar verhuisde in 1960 naar België. Hij maakte geometrische composities, vuistdik, 3D en ze doen denken aan speciebrij. Het lijken uitvergrote details in heftige primaire kleuren. Later werden de kleuren somber en doen de stuc-achtige texturen denken aan landschappen.

materiekunst; wagemakermateriekunst; wagemaker2

Jaap wagemaker (1906-1972) geldt als NL’s vertegenwoordiger van de materie-schilderkunst. Boetseerde met zand en kiezels zijn gewapende verflagen. Noemde ze woestijngebieden en voegde er stukken hout, leisteen, schroot, botten, schelpen en machine-onderdelen aan toe. ‘Ik bouw mijn schilderijen op met elementen uit de natuur. Zij moeten evenals de natuur een vanzelfsprekend organisme zijn,’ vond Wagemaker zelf.

Geert van Istendael adviseert de zorgzame duurzaamheid

Istendael Geert van - foto Bart Lasuy; letterhuis.be

foto: Bart Lasuy; bron beeld: letterhuis.be

Het boek Mijn Nederland van de Belgische schrijver Geert van Istendael (1947, Ukkel) verscheen in 2005. In het artikel Duurzaamheid gaat het over grenzen aan onze economische groei. Hij citeert een rapport uit 1987 (!) van een wereldwijde commissie voor milieu en ontwikkeling waarin de knellende band tussen armoede en gebrek aan duurzaamheid duidelijk wordt gemaakt. In 2022 zitten we met de gebakken peren en wordt de giftige appel doorgeschoven door klimaatontkenners en indolente politici.

In 2004 houdt het zo fel bekritiseerde Rijksinstitut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) een enquete onder Nederlanders over hoe zij stonden tegenover duurzaamheid. Vier wereldbeelden werden naast elkaar gelegd:

Er is dat van de mondiale markt (A1) of de zakelijke en luxezoekers; dat van de veilige regio (A2) of de genieters en behoudenden; dat van de mondiale solidariteit (B1) of de ruimdenkers en geëngageerden; en tenslotte dat van de zorgzame regio (B2) van de zorgzamen en behoudenden.

Bij elk wereldbeeld bedenkt Van Istendael trefwoorden. Bij B2: grenzen aan de groei, plaatselijke productie, plaatselijke consumptie, beter milieu, minder vervoer en meer sociale controle.

Wie nu denkt dat groei en duurzaamheid niet samen gaan, leze dit:

Bij toepassing van ieder van de vier genoemde wereldbeelden afzonderlijk en extrapolatie van de meetbare gevolgen tot 2040 nemen de economische activiteiten toe in alle gevallen. Kiest regerend en bedrijfsleidend Nederland, tegen zijn eigen bevolking in, voor de rauwe prestatie, dan zal het inkomen per hoofd in 2040 gestegen zijn met 140 procent. Volgt de macht in Nederland de diepste wensen die de bevolking uitdrukt in de onderzoeksresultaten van de RIVM-enquete, dan bedraagt de stijging slechts… 40 procent.

Kortom, Nederland is rijk en blijft rijker worden, ook al zouden we kiezen voor een zorgzame duurzaamheid.

En dan komt de verrassing. Van Istendael verwijst naar een visionair uit de 19-de, begin 20-ste eeuw, de Russische prins Peter Kropotkin (1842-1921, Moskou).

Wereldbeeld B2, de zorgzame regio, staat verrassend dichtbij de ideeën die de anarchistische prins Pjotr Kropotkin ontvouwde in zijn traktaat Landbouw en industrie, hoofd- en handenarbeid verenigd. Kropotkin bewijst in dat boek onder meer dat de industriële ontwikkeling van de 19-de eeuw hoofdzakelijk het werk is geweest van arbeiders in kleine werkplaatsen, diametraal tegen de algemeen aanvaarde opvatting in. Kropotkin is geen halfgare dweper die terug wil naar de middeleeuwen die nooit bestaan hebben. Zijn voorspellingen zijn rationeel. Zo schrijft hij bijvoorbeeld in lyrische bewoordingen over de zegeningen die elektriciteit brengt. Hij schetst het ontwerp van een wereld waarin beperkte kernen, gegroepeerd in losse verbanden, zeer gemengde activiteiten ontplooien. Het geheel is nogal onoverzichtelijk en daarom, in tegenstelling tot al te heldere utopieën van Campanella of Thomas More, erg aantrekkelijk.

Kropotkin schreef zijn boek meer dan honderd jaar geleden. Pas vandaag zou je kunnen beginnen te vermoeden dat, dankzij de verbreiding van de elektronica en dankzij nieuwe vindingen op het gebied van schone energie, die anarchistische ideeën misschien weleens realiseerbaar zouden kunnen zijn.

uit: duurzaamheid; uit: Mijn Nederland, Atlas Amsterdam, 2005 

Tom Lanoye Dicht de Dag

lanoye; ccmaasmechelen.bebron beeld: ccmaasmechelen.be

Liquid paper

Natuurlijk hebben we schrik, en denken / dat het beter is er niet meer aan te / denken. Zodat we alleen maar lachend schenken / liefde, wijn, eindeloze nachten zonder schaamte,

niet om genot dat vroeger nog verboden / was, maar om genot dat later / onmogelijk zal worden. Wij zijn de doden / van morgen. Opnieuw aarde en water.

Natuurlijk hebben we angst. Het valt voor, / wanneer we vrijen, dat ik de zachte lijn / bekijk van een borst, je linkse. Dan, daardoor,

ben ik het bangst. Mijn handen zijn / machteloos en tijdelijk. Liefde, ik weet het, / duurt het langst. Maar ik vergeet het

soms.

uit: in de piste. Gedichten, Prometheus Amsterdam, 1984

Tom Lanoye (1958, Sint-Niklaas, Bel)