Ivan Klíma en de eeuwenoude simpelheid van de profeet

Ik had er nooit aan getwijfeld dat alle profeten een flinke dosis dwaasheid in zich moeten hebben gehad. Alleen al omdat een normaal mens zich op voorwerpen richt en een profeet op visioenen.

Soms gebeurt het echter dat een profeet de massa met zich meekrijgt, waarna die zich dan voor enkele ogenblikken aan zijn visioenen vergaapt. En omdat een normaal mens zich onder andere daardoor van een dwaas onderscheidt dat hij ook iets wil realiseren, begint de massa zo’n visioen te verwezenlijken. Uiteraard eindigt alles weer met een terugkeer naar de wereld van de dingen, en wel met een nog hartstochtelijker idolisering  van die dingen en ten slotte zelfs met steniging van de profeten.

Dat is de eeuwige kringloop, de strijd tussen het stoffelijke en geestelijke, tussen het aards op dingen gericht zijn en dromerige simpelheid, tussen het verlangen om dingen te bezitten en om een verzoening tot stand te brengen met wat bovenmenselijk is.

Mij ligt die eeuwenoude simpelheid van profeten na aan het hart. Ik sta daarachter, ook al weet ik dat profeten veroordeeld zijn tot spot, smaad en steeds hernieuwd gemis aan begrip. Toch waren zij het die al in het verste verleden begrepen hebben wat tegenwoordig ook minder helderzienden beginnen door te krijgen, namelijk dat het waanzinnige verlangen om dingen te bezitten en de wereld te bedwingen, in plaats dat men zichzelf bedwingt, de mens steeds verder afbrengt van de levensbronnen.

Uit: Praagse ochtenden, Wereldbibliotheek Amsterdam, 1990; vertaling Kees Mercks

klima, ivan, irishtimes.combron foto: irishtimes.com

Ivan Klíma (1931, Praag, Tsjechië)

Marga Minco’s lege huis: hoe verder?

Marga Minco kende ik vooral van Het bittere kruid. Een korte klassieker uit de vaderlandse en europese literatuur. Onlangs las ik van haar Een leeg huis, dat veel indruk maakte. Het boek verhaalt over een periode van 5 jaar. Het beschrijft na-oorlogs Nederland (van 1945 tot 1950) vanuit joods perspectief. Het hoofdpersonage begint liftend aan haar terugtocht van het oosten van het land naar Amsterdam. In Aalten zat ze ondergedoken. Na de bevrijding wordt het tijd terug naar huis te gaan. Dat levert ontmoetingen op, moeizame relaties en vooral lege huizen.

Een belangrijke rol in het boek speelt de terugkerende verhouding tot Yona, een ander joods meisje, dat meelift naar Amsterdam. In de hoofdstad komt Yona er achter dat veel van haar familieleden niet zijn terug gekeerd uit de oorlog.

Het boek geeft een helder en duidelijk beeld van het na-oorlogse NL en hoe de joodse mensen zich hebben gevoeld. Naast persoonlijk leed dat ze in de oorlog is aangedaan, beschrijft Minco treffend hoe terugkerende joden vooral onwelkom waren in onze samenleving. Minco wisselt in dit boek verhelderend van het persoonlijke naar het maatschappelijke. Hoe de oorlog persoonlijke levens heeft verwoest, maar ook wat daarvan de maatschapelijke gevolgen waren. Een hele generatie op drift. Mij trof vooral de sfeer en de duidelijke beschrijvingen van het lege gevoel, dat het boek overbracht.

Aan het einde van het verhaal vindt het drama plaats waarvoor ik al vreesde. Tijd voor reflectie. Op een zolderkamer vindt de hoofdpersoon persoonlijke spullen van Yona. En dan:

Ik begon de foto’s op een rij te leggen, zoveel mogelijk in chronologische volgorde, zodat ik haar steeds ouder zag worden. Daarna keek ik naar het zelfportret. Er was geen enkele overeenkomst. Maar het werd ook al te donker om het goed te kunnen zien. Ik trok de la van het kastje open en vond onder een stapel papieren een dik cahier. Ik nam het er uit. Er zat een harde bruine kaft om. Op het etiket stond een grote Y met een davidster er omheen. De Y was met zwarte inkt getekend, de ster met potlood. Misschien was het een dagboek. Ze kon er gisteren nog in geschreven hebben, vanmorgen. Eindelijk zou ik te weten kunnen komen wat er in haar was omgegaan, wat voor bedoelingen ze gehad had toen ze hier wegging. Maar ik sloeg het cahier niet open. Ik legde het terug onder de papieren en sloot de la.

Uit: Een leeg huis, Bert Bakker Amsterdam, 1978

minco marga, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Marga Minco (1920, Ginneken en Bavel)

Claus: oktober’43

Oktober 1943

lX

Ruik aan deze sigaret, / mannetje met de pet. / Engelse tabak. Dringt door merg en been.

De piloot van de Spitfire sprong. / Zijn valscherm opende niet. / Hij kwakte tegen de muur van de fabriek. / De bakstenen stonden in vlam / en God strooide sloffen Camels / over het dorp.

Ruik. Rook. Zuig. Proef / de smaak van jonge dood.

Uit: Oktober 1943, Bezige Bij Amsterdam, 1998

claus, hugo; knack.bebron foto: knack.be

Hugo Claus (1929-2008, Brugge, België)

Vrije gedachten op wc-papier

De Corona-crisis beheerst ons dagelijks leven. De moeilijkheid is om ratio boven angst te blijven plaatsen, althans voor velen van ons. En akkoord te gaan met het inzicht dat de mens niet alles beheerst, controleert en maken kan. Een klein virus zit dat allemaal in de weg en de paniek is groot.

Een verschijnsel dat vraagtekens oproept: hamsteren als reactie op die angst en controleverlies. Specifiek: het hamsteren van toiletpapier. Enige geldige reden daarvoor?

In dat kader even iets heel anders, maar het gaat wel over wc-papier. Ik citeer de Keniaanse schrijver Ngugi wa Thiong’o. Werd in 1978 gearresteerd en als politiek gevangene achter slot en grendel gezet. Dat duurde 11 maanden voordat hij weer werd vrijgelaten. Tijdens die periode schreef hij een dagboek. Daaruit het volgende fragment:

Schrijven op wc-papier?

Wat ik nu weet, is dat papier, elk soort papier, zo ongeveer het kostbaarste is voor een politiek gevangene, en zeker in mijn geval, want ik word vastgehouden om wat ik heb geschreven. De drang tot schrijven is bijna onweerstaanbaar voor een politieke gevangene. In Kamiti zijn praktisch alle gedetineerden schrijvers of componisten. Die gevangenen hebben voor het merendeel geschreven op wc-papier. En nu heeft datzelfde brave ouwe wc-papier mij in staat gesteld dagelijks de hechtenis van mijn geest – de bedoeling van mijn hechtenis – te trotseren.

Door het schrijven van deze roman heb ik elke dag, elk uur haast, duidelijk gemaakt dat ik een mens wil blijven, en vrij, ondanks het officiële plan van de regering om politieke gevangenen tot beesten te degraderen.

Uit: schrijvers schieten ze toch ook dood? – George Theiner, Ambo Baarn, 1984.

ngugi, james, bbc.co.uk

bron foto: bbc.co.uk

Ngugi wa Thiong’o (1938, Kamirithu, Kenia)

 

Kopland: een tuin in de avond

Een tuin in de avond

Er gebeuren dingen hier en ik ben de enige / die weet welke

ik zal ze noemen en ook zeggen waarom

er staat een oude tuinbank onder de appelboom / er ligt een oude voetbal in het gras / er komen oude geluiden uit het huis / er is oud licht in de lucht

dit gebeurt hier: een tuin in de avond

en wat je niet hoort en niet ziet – de plekken / waar we kuilen groeven en / die hulend dichtgooiden

ik vertel dit omdat ik niet alleen wil zijn / voordat ik het ben

Uit: Verzamelde gedichten, Van Oorschot Amsterdam, 2010

kopland, literatuurmuseum

bron illustratie: literatuurmuseum.nl

Rutger Kopland (1934-2012, Goor)

De Balzac en de adelijke sex

Honore_de_Balzac, wikipediaDe Balzac, buste gemaakt door Jean-Alexandre-Joseph Falguière; bron foto: wikipedia.org

Hoe heurt  het eigenlijk? Bent u ook zo nieuwsgierig naar hoe de adel zich beweegt in het huidig tijdsgewricht? Ik niet. Maar met de adel heb je wel eens van doen als je een boek leest. Meestal zijn dat boeken uit een ander tijdsgewricht. Toen edelen maatschappelijk-economisch van belang waren. Die tijd ligt alweer wat verder weg op de balk, die het ordent.

Ik las Honoré de Balzac, een aantal van zijn korte verhalen. Daarin verhaalt jongeman Jacob van Baune hoe hij probeert de dochter van de koning te schaken zodat hij zicht krijgt op meer: eer, belang, welvaart, land, bezit. Sex dient hier als glijmiddel. De jongeman is van het opschepperige, blufferige type.

‘Laten we het eerst over iets anders hebben,’ sprak de dame. ‘Hebt ge niet een beetje gejokt en overdreven toen ge het had over…, over eh…, over het aantal maanden, dat het jaar telt en zo?’

‘Waarachtig niet,’ sprak hij vurig.

‘Nou, goed dan,’ antwoordde de koningsdochter. ‘Ik herroep niets van hetgeen ik u reeds gezegd mocht hebben. Gij zijt mij zeer welgevallig en ik zal uw beschermvrouwe zijn.’ En met deze woorden maakte zij het de jongeling duidelijk, dat het kleine donderhannesje, dat die onwetende heidenen Amor genoemd hebben, te springen stond van ongeduld. Waarop hij alles terzijde en zichzelf aan de voeten van zijn meesteres wierp, deze kuste, vervolgens haar handen, haar knieën en hogerop, terwijl zij zich als een ware regentes, aan wie grote, heuvelachtige, rijke en beboste goederen zijn toevertrouwd, tegen alle over- en invallen met vuur verdedigde. De strijdlust barsste haar als het ware uit alle poriën te voorschijn, zij schreeuwde woeste bedreigingen, trachtte de vijand van zich te werpen, zij maltraiteerde hem met knepen, knijpen, klappen, kloppen, kortom, zij was een formidabele tegenstandster. En wat Jacob van Baune betreft, hij vond de dame onder de lakens niet meer zo oud als hij eerst wel had gedacht, er brandde nog maar één, een zeer schuchter bedlampje, een betoverend lampje, een lampje dat behekste, dat alles door elkaar husselde, leeftijden, illusies, visioenen. Ja, zo is dat, menige vrouw die in vol daglicht vijftig jaren telt, wordt bij zulk bedrieglijk licht tussen de beddelakens twintig, terwijl menig twinitigjarige tussen een zelfde soort lakens opeens wel een honderdjarige lijkt. De jongeling evenwel was er niet rouwig om, om de donder niet, hij gaf geen acht op alle wee- en ach-gekweel, dat hij uit volle borst overbrulde, kortom, hij deed zijn best. En buiten zichzelf van ellende, of welk ander gevoel het ook geweest mag zijn, beloofde de regentes hem kermend dat zij hem de heerlijkheid Ridel-Alzay, de genade voor zijn vader, diens eerherstel, àlles wat maar goed en edel en heerlijk was, zou schenken, indien hij als triomfator zou voleinden.

Uit: Van dolle, drieste, dwaze dingen, Meulenhoff Den Haag, 1961; vertaling Tim Maran

Honoré de Balzac (1799-1850, Tours, F)

Pasternak: Hamlet

Hamlet

De zaal wordt stil. Ik aarzel op de planken. / Leunend in de deurpost blijf ik staan. / Even vang ik op uit verre klanken / Hoe het in mijn leven zal vergaan.

In het nachtelijke duister keren / Duizenden binocles zich naar mij. / Als het mogelijk is, Abba Here, / Draag dan deze kelk aan mij voorbij.

Uw geboden wil ik niet beschamen / En ik ben tot deze rol bereid, / Maar vandaag speelt hier een ander drama, / Scheld mij deze keer Uw opdracht kwijt.

Voorbeschikt is alles in dit leven, / Onafwendbaar ’t einde van de reis. / Ik sta alleen, door huichelaars omgeven. / Deze aarde is geen paradijs.

Uit: De meisjes van Zanzibar, 20-ste eeuwse gedichten uit Oost-Europa, Plantage Leiden, 2000

boris pasternak, 1910, L.PasternakBoris geschilderd door zijn vader Leonid Pasternak, in 1910.

Boris Pasternak (1890-1960, Moskou, Rusland)

Jan Boerstoel: seizoenen

Seizoenen

Het wou niet zomeren het afgelopen jaar / en ook het herfsten kon als herfst niet echt bekoren, / over de laatste winter wil ik niks meer horen, / omdat geen mens die opgemerkt heeft, vandaar.

Geen jaargetijde wordt ons hier nog echt gegund, / meer en meer lijken ook de grenzen te vervagen: / één droeve rij van meestal natte grijze dagen, / waar zelfs Vivaldi weinig mee had aangekund.

Wie nog ouderwets weer wil dient dat ver te zoeken… / Hoog tijd om snel een nieuwe lente te gaan boeken.

Uit: Altjd het niemandsdier, Bert Bakker Amsterdam, 2001

boerstoel jan, bnnvara.nl

bron foto: bnnvara.nl

Jan Boerstoel (1944, Den Haag)

Pauline Slot over hoe je de ander kunt kennen

Het is een intrigrerend boek en een aanbevelenswaardig kleinood: Zuiderkruis van Pauline Slot. Het was haar debuut in 1999. Het werd het best ontvangen debuut van dat jaar. Kort door de bocht de inhoud: een vrouw heeft een vriendin. Die overlijdt tijdens haar backpackers-tocht over het zuidelijk halfrond (denk aan: Australië, Nieuw-Zeeland en de Fiji-eilanden). Na twee jaar besluit de vrouw dezelde reis over te doen om er achter te komen wat haar vriendin dreef.

Het is een boek waarin de relatie tot de ander onderwerp van onderzoek is. Hoe kun je de ander kennen. Wat weet je van je beste vriendin? Was het zelfmoord? Het lot? Welke rol speel jezelf in het leven van de ander? Veel vragen, een paar antwoorden; veel gedachten en veel observaties. Wat mij in dit boek ook opviel is het geluid. Regelmatig wordt de rol van het (omgevings)geluid belicht.

Hoofdpersoon Emma volgt de sporen die haar vriendin Floor achterliet in de vorm van brieven. Uiteindelijk belandt ze op de plek waar Floor het leven liet. En dan:

In de koraalriffen zag ik haar overal: zij die daar beneden was geweest. Tussen de kleurige vissen, die doelbewust door het water schoten, zag ik hoe haar lichaam zachtjes naar beneden viel, en dan weer werd opgetild en meegevoerd. Zij had zich als een astronaute onttrokken aan de zwaartekracht. Haar haar golfde mee met het water, en werd alle kanten op gedragen: soms een stralenkrans, dan weer een school zeeslangen, soms gladgestreken, uitgestrekt, dan weer zich windend om onzichtbare vingers. Haar blik was uitdrukkingsloos als die van de vissen, met hun ogen altijd gedrukt tegen het vloeibare venster dat de zee is. Wezens die geen liefde kennen. Zij was helemaal opgevuld met water.

Uit: Zuiderkruis, Arbeiderspers Amsterdam, 1999

slot, pauline, paulineslot.nl

bron foto: paulineslot.nl

Pauline Slot (1960, Den Haag)