Johnny van Doorn, the Selfkicker, als vader

The Selfkicker als vader, een idee dat moeilijk te omvatten is.

‘Ja, pijnlijk, ja, het vaderschap geeft allemaal wanhopige gedachtes. Ik heb mij ermee verzoend, het kon niet anders, maar het heeft jaren geduurd. Het gaf plotseling een dubbele verantwoordelijkheid. In het begin moest ik oppassen dat ik niet zorgelijk werd. Voortdurend  moest de knop worden omgedraaid om even te overdenken wie ik zelf was. Een heleboel mensen kunnen zich niet voorstellen dat ik vader ben en eigenlijk kan ik dat ook zelf nauwelijks begrijpen. Het idee blijft vreemd, eigenaardig. Zijn geboorte herinner ik mij heel goed. Je bent doodsbenauwd dat het een mongool zal zijn. Toen hij eruit kwam, schrok ik vreselijk, want ik keek tegen een achterhoofd aan en zag geen neus, geen mond en geen oren. Dat gaf mij een zeer wezenlijke schok, die een seconde duurde. Toen zag ik dat het een totaal gaaf kind was. Vervolgens keek ik naar buiten en zag aan de overkant van de straat een man in een kamer, die zich voor een spiegel traag en nadrukkelijk stond te scheren. Hij had alles kunnen volgen, maar ik had geen tijd om de symboliek te begrijpen, want ik werd tegelijkertijd overspoeld door de enorme euforie. Ik had het gevoel dat niets mij nog kon gebeuren. Later dacht ik: misschien ben ik nu zelf overbodig geworden. Het vaderschap heeft mij minder egocentrisch gemaakt en dat is voor een exhibitionist een diepe verandering.’

Uit: Max Pam Interviews, Bezige Bij Amsterdam, 1984

van doorn, gelderlander.nlbron foto: gelderlander.nl

Johnny van Doorn (1944-1991, Beekbergen)

Advertenties

Lieske: wat trekt mij in jou aan?

Wat trekt mij in jou aan?

Wat trekt mij in jou aan? Ik luister aan je deur. / Ik draai je kleren in mijn hand als jij met jonge / sprongen dit huis weer hebt verlaten. De huid / om je heupen, je geur, je rollend plaatsen.

Alles is in bruikleen aan jou afgestaan. De ruimte / die jij met krijt van ziel hebt volgestreept / opdat je lijf kan schuilen, die jij tot roofdierkooi / hebt verbouwd; een vertrouwd pad is uitgesleten / in het kleed tussen wasbak en wand.

De buizen die ik aanleg om jouw adem / op te vangen en jaren te bewaren; de stalen draden / die ik span om jou zacht te laten vallen. De muren / die ik leegschep om jou te kunnen zien. De bakken / die ik plaats om jou weer in je kooi te lokken. / Je rokken die om je in brand gestoken benen staan.

Kijk, hier zit ik stil voor je kamer; op de hoogte / van het risico. Met een verbeterd oog, een langer / en gevoeliger membraam; / met gespannen vliezen en holgezogen / nappen; met een geverderd oor.

Uit: Een tijger onderweg, Querido Amsterdam, 1989

lieske getekend door Petere van DongenLieske getekend door Peter van Dongen; bron illustratie: nrc.nl

Thomas Lieske (1943, Den Haag)

Charlotte Mutsaers over (ouder-kind)liefde

Schrijfster Charlotte Mutsaers schreef Harnas van Hansaplast, een boek dat handelt over de dood/verlies van haar broer Barend. Een boek dat controverses deed ontstaan die vooral gingen over de scheiding werkelijkheid-verbeelding.

In het boek probeert de schrijfster te onderzoeken hoe ze ‘stond’ ten opzichte van haar broer. Maar ook over hoe haar relatie is en was met haar ouders en haar zussen. Een familie-geschiedenis die veel pijnpunten behandelt en die opvalt door de eerlijkheid waarmee die relaties beschreven worden.

In het boek gaat het herhaaldelijk over ouders. Daarover schrijft Mutsaers het volgende:

Haast iedereen gaat ervan uit dat zowel ouderliefde als kinderliefde vanzelfsprekend zijn. Alsof ouders van nature van hun kinderen zouden houden en omgekeerd. Maar niet één liefde is vanzelfsprekend, toch?

Wie negen maanden gratis in de moederschoot heeft gewoond houdt nog van niemand anders dan van zichzelf. En dat dat veilige en warme onderkomen lang niet altijd dankbaarheid en liefde opwekt bij het kind dat ervan heeft mogen profiteren was zelfs aan God bekend. Vandaar zijn gebod Eert uw vader en uw moeder. Of respect zich laat opdringen is echter de vraag nog maar, want waarom zou je een moeder eren aan wier liefde je van meet af aan hebt getwijfeld? Omdat ze jou ter wereld heeft gebracht? Dat berust toch meestal op een keus? En als dat niet het geval was dan gebeurde het toch zomaar? Dat mensen aan kinderen zouden beginnen uit verlangen naar verdriet wil er bij mij niet in. En dat dat verdriet desondanks kan komen – ik denk nu even aan alle miserie die Barend zijn ouders heeft bezorgd (stelen, spijbelen, liegen, gebitsverwaarlozing, dreigen met zelfmoord) – is hard.

Uit: Harnas van Hansaplast, Das Mag Amsterdam, 2017

ch mutsaers, nrc.nl,foto: Heidi de Gier; bron foto: decorrespondent.nl

Charlotte Mutsaers (1942, Utrecht)

Bibeb en Remco Campert: ‘altijd schrijven over je eigen tijd’

remco campert, woldhek

illustratie: Siegfried Woldhek

Het is 1964. Remco Campert woonde in Antwerpen met zijn gezin. Het huis heeft drie verdiepingen, tien kamers en een tuin met terras. Campert is de Amsterdamse Bloemgracht ontvlucht. Te klein, te benauwd. In een interview met Bibeb mijmert Campert over literaire kritiek, eigentijds schrijven, de reden waarom hij Amsterdam verliet en Simon Vinkenoogs bekering tot God.

‘Ik kan wel boekrecensies schrijven voor De Nieuwe Gazet misschien, ze betalen een Hollander wel iets meer, maar ik vind kritieken schrijven… ’t Is informatie waar niemand om vraagt, de lezer niet en de auteur niet. ’t Hele instituut van de kritiek is zinloos, tenzij iemand daarnaast iets te zeggen heeft. Maar iemand ongevraagd je oordeel over iemands werk geven voor geld… Als je even goed over je zelf nadenkt, moet je ’n gevoel van betrekkelijkheid krijgen. ’t Is ook zo verdomd veilig, je zit in de rechtersstoel, je geeft weinig van je zelf prijs en je kan de schrijver een hoop ellende bezorgen. ’n Vreemd beroep, recensent… Ik heb geen leermeestersmentaliteit.’

(..)

‘Ik weet ook niet wat ze onder conjunctuur-roman verstaan. Scott Fitzgerald heeft ’n beeld gegeven van z’n tijd en ’t zijn boeken die ’t gehouden hebben. Hij was een groot talent. Je schrijft over je eigen tijd. Waar moet je anders over schrijven? Ik ben geen science fiction auteur, van ’t verleden weet ik niets, dus schrijf je over deze tijd. Maar de mensen zijn er niet aan gewend. Dat je spreektaal gebruikt, is ook niet goed. Er zijn zo weinig mensen die spreektaal schrijven. ’t Blijft literatuur, altijd. Ik schrijf graag dialogen. ’t Is zo van de mensen, als ze hun mond opendoen.’

(..)

‘Daarom ben ik weggegaan. Je voelt je vrijer, omdat je op ’n afstand bent van dat zenuwslopende kringetje, waar je in verzeild raakt of je ’t wilt of niet. Bovendien beklemde me de idee: je zit voor de rest van je leven in Amsterdam. Ik zie ’t bij anderen. Kinderen groeien op, echtparen worden ouder. Griezelig. Nu is ’t opeens allemaal weer open. We worden toch wel ouder, maar als je zo op één plek blijft zitten… Ik wou ’t een beetje ontgaan, ontlopen. Ach, ’t is ook een compromis. Als je echt in beweging wilt blijven, had ik veel verder moeten weggaan. Maar dit klimaat is aantrekkelijk. In de Middellandse Zee-landen, Spanje, afgezien van de hitte, is de sfeer er anti-werk, zodat er niets van komt.’

(..)

‘In Amsterdam leefde je in ’n sfeer van front ophouden. Ze willen allemaal iets bereiken in de literatuur. ’t Is een soort loopbaan met bepaalde mijlpalen. Je eerste bundel, enz. Erg bourgeoisachtig. Langzamerhand word je ’n man van aanzien. Dat is hier niet… Daar staat tegenover dat het voor hier voor schrijvers onmogelijk is van hun werk te leven. De mensen lezen hier niet. (Hugo) Claus… negentiende van zijn lezers zitten in Holland.’

(..)

Simon Vinkenoogs bekering tot God: ‘Hij voelt zich er kennelijk heel prettig bij. Ik dacht eerst, belazert ie de boel, maar ’t is kennelijk niet zo.’

Bibeb: ‘Z’n nieuwe boek is een dagboek, hij gaat ervan uit dat alles belangrijk is.’

‘Dan heb je gauw ’n boek vol. Maar ik kan ’t wel meevoelen, dat alles belangrijk is. Zonder ’t geloof althans aan de hand die ’t al bestiert. Elk geloof in God is ’n zwakheid, vind ik. ’t Is leunen op iets dat er niet is. Als je doodgaat, wordt ’t alles weggevaagd. Aan de dood geloof ik wel, al is ’t met veel schroom. Er zijn slechtere manieren om je te verzetten tegen de dood dan Simon doet. Hij evolueert, dat is goed, daar blijf je jong bij.’

Uit: Bibeb & VIP’s, Polak & Van Gennep Amsterdam, 1965

Remco Campert (1929, Den Haag)

Olga Savary: David

David

Noch dier zijnd noch god / noch van de wortel hebbend de kracht / noch van de steen de eeuwigheid, / legt de dichter in de woorden / die kracht van niets: / zijn slinger is het gedicht.

Uit: Poëzie is een gebaar, Novib Den Haag, Poetry International Rotterdam, 1995; vertaling August Willemsen

25JP2-07.inddbron foto: jornaldopovo.com.br

Olga Savary (1933, Belém, Brazilié)

Saul Bellow: vrijheid, oorlog en het lot

‘We zijn bang om onszelf te beheersen. Natuurlijk. Het is zo moeilijk. We willen onze vrijheid gauw opgeven. Het is niet eens echte vrijheid, want zij gaat gepaard met begrip. Het is slechts een toestand die aan vrijheid voorafgaat. Maar wij hebben er een hekel aan. En weldra raken we uitgeput, we kiezen een meester, rollen ons op onze rug en vragen om de zweep.’

‘Ah,’ zei Tu As Raison Aussi.

‘Dat gebeurt er. Het is niet de liefde die ons levensmoe maakt. Het is ons onvermogen om vrij te zijn.’

‘Ben je bang dat het jou zal kunnen overkomen?’

‘Dat ben ik.’

‘Hoe zou je de oorlog in het gunstigste geval willen zien?’

‘Ik zou hem als een incident willen zien.’

‘Alleen maar een incident?’

‘Een heel belangrijk incident, misschen het belangrijkste dat zich ooit heeft voorgedaan. Maar toch, een incident. Wordt de ware aard van de wereld erdoor veranderd? Nee. Zal het uitsluitsel geven over de belangrijkste vraagstukken van het bestaan? Nee. Zal het ons geestelijk bevrijden? Nogmaals nee. Zal het ons bevrijden in de meest elementaire zin, dat wil zeggen alleen maar mogen ademen en eten? Ik hoop het, maar ik ben er niet zeker van dat het zo zal zijn. Hij is niet op een wezenlijke manier cruciaal – als je mijn betekenis van wezenlijk aanvaardt. Veronderstel dat ik een totale levensvisie had. Ik zou dan niet wezenlijk worden aangetast. De oorlog kan me lichamenlijk vernietigen. Dat kan. Maar dat kunnen bacteriën ook. Ik moet er natuurlijk rekening mee houden. Maar zolang ik leef moet ik desondanks mijn lot volgen.’

Uit: Wachttijd – Saul Bellow, Hema Amsterdam, 1990; vertalingMax Schuchart

bellow, walesartsreview.orgbron foto: walesartsreview.org

Saul Bellow (1915-2005, Lachine, Canada)

Andrew Motion: dagen van herdenken, eerste jaar

Dagen van herdenken

Eerste jaar

Wat ik me herinner is niet / je weggaan, maar dat je niet / terugkwam – en geknisper / van sneeuw in zware bomen,

die de sporen bedekte, eronder / in verfromfaaid gras bewaard. / De hele middag keek ik / uit het keukenraam naar

een dooiplek van de kraan op het erf, / sijpelend in zijn ijszak, die / weer hard werd toen de avond / opnieuw alles toesloot met ijs.

En nog altijd sta ik daar, / zie hoe je paard terugkeert, / alleen naar de open stal, / hoe de teugels erachter een spoor

door het akkerland slepen, / een wazig litteken-raadsel / dat wij toen niet ontcijferen konden / en nu niet kunnen genezen.

Uit: Dangerous play, poems 1974-1984, Penguin Books Londen, 1985; vertaling Peter Verstegen

Motion, highprofiles.infobron foto: highprofiles.info

Andrew Motion (1952, Londen UK)

“God is wreed en gaat streng met ons om”

‘God is wreed, en hoe meer we hem gehoorzamen, hoe strenger hij met ons omgaat. Hij is machtiger dan de machtigen, met de nagel van zijn pink kan hij hen van kant maken, maar hij doet het niet. Alleen de zwakken richt hij graag ten gronde. De zwakte van een mens prikkelt zijn kracht, en gehoorzaamheid wekt zijn toorn op. Hij is een grote, wrede ispravnik (russisch voor officier van justitie). Gehoorzaam je zijn wetten, dan zegt hij dat je ze alleen in je eigen voordeel gehoorzaamt. En overtreed je ook maar één enkel gebod, dan vervolgt hij je met honderd straffen. Wil je hem omkopen, dan rekent hij met je af. En ga je rechtschapen met hem om, dan loert hij op een kans om jou om te kopen. In heel Rusland is er geen boosaardiger ispravnik!’

‘Denk eens, Mendel,’ begon Rottenberg, ‘denk eens aan Job. Hem is hetzelfde overkomen als jou. Hj zat op de naakte aarde, met as op zijn hoofd, en zijn wonden deden zoveel pijn dat hij als een dier over de grond rolde. Ook hij lasterde God. En toch was het alleen een beproeving geweest. Wat weten wij, Mendel, van wat daarboven gebeurt? Misschien is de satan voor God verschenen en heeft hij net als toen gezegd: er moet een rechtvaardige worden verleid. En de Heer zei toen: probeer het eens met Mendel, mijn knecht.’

Uit: Job, roman over een eenvoudige man – Joseph Roth, Atlas Amsterdam, 2007; vertaling Wilfred Oranje

roth, grunberg.combron foto: arnongrunberg.com

Joseph Roth (1894-1939, Brody, Oekraïne)

Vroman: De kikker en de koe

De kikker en de koe

Een kikker knorde tot een koe. / Deze sprak later zachtjes: boe.

Beiden vonden hun gesprek / eerder te langzaam dan te gek.

De kikker vroeg dan ook een paling, / de koe een loopeend om vertaling.

Het aldus zeer verrijkte kwaken / moest alles duidelijk maken;

de paling echter en de eend / geraakten van verschil gemeend.

Zij riepen dus een wouw, een wulp, / een baardvlieg en een baars te hulp.

De baars begreep dit alles niet / en wendde zich wenend tot het riet.

Het riet lispelde eerst voor zich uit; / toen boog het zich en ruiste luid.

De dieren zwegen, luisterden. / Het riet siste, en fluisterde,

het sprak tot allen tegelijk; / tot de twee honden op de dijk,

tot meeuwen, in het gras verloren / (branding nog dreunend in hun oren),

tot het wapperend graaspaard in die wei / (het hief het hoofd; het kwam nabij),

een mens opende zijn raam zelfs wat / en fluisterde: ‘sssst… hoor je dat…’

moraal

tegen het spreken is gezang / dat niets beduidt van groot belang.

vroman, jeroen henneman, groene.nlVroman getekend door Jeroen Henneman; bron illustratie: groene.nl

Leo Vroman (1915-2014, Amsterdam)

Uit: Gedichten 1946-1984, Querido Amsterdam, 1985

We kunnen nauwelijks zonder verhaal, zonder gebeurtenissen en personages; zij zijn de definities in actie.

Enerzijds is er de werkelijkheid, anderzijds zijn er de verhalen. Die zijn er zodra we over de werkelijkheid spreken. Alleen de dieren leven zonder verhaal. Daarom verzinnen wij er over hen, in hun plaats.

Uit: De dichter is een koe. Over poëzie – Hugo Brems, Arbeiderspers Amsterdam, 1991

W.F. Hermans over de moord op zijn zus

Het was de ochtend na de avond waarop de capitulatie plaatsvond. Ik hoorde een vreemd geluid in huis. Ik werd wakker en merkte toen op dat mijn ouders, die allebei hele droge mensen waren, liepen te snikken. Een verschrikkelijke sensatie voor mij, ik had nog nooit zoiets meegemaakt. Mijn zuster was die vorige avond gevonden met die neef die eerst nog geprobeerd had naar IJmuiden met z’n gezin te ontkomen en dat was niet gelukt… Mijn neef heeft mijn zusje die avond in de auto opgehaald om zogenaamd een beetje met zijn vrouw te praten. Toen zijn ze later door die surveillancewagen gevonden, dood in die auto.

Wat voor man was die neef?

Een vreemde, wilde man (dat m’n zusje met hem een verhouding gehad bleek te hebben, kwam dan ook voor mij als een complete verrassing). Die neef heb ik beschreven in Ik heb altijd gelijk (de politieman). ’t Soort vlotte, enigszins corpulente man, je kent dat type wel: geintjes en zo, altijd grapjes, moppen over vrouwen. Leek een beetje op Mussolini, haha. Helemaal niet ’t soort man van wie ik zou denken dat-ie dol op mijn zuster zou worden…

Die neef was toen 40 of zo en wij 18 en 20. We kenden hem al van ons tweede jaar, hij was ons vertrouwd… Het was ook een ontnuchtering voor mij: dat mijn zusje, de brave Hendrik van de familie, met zulke feiten voor den dag kwam… Ik kon met die neef ook geweldig opschieten. Hij kon aardig scharrelen en zo, hè, hij praatte ook altijd luchthartig over allerhande dingen. Hij maakte een enorme indruk op mij.

Nu ben ik niet meer jaloers op dat soort mensen, ik háát dat soort mensen, ik haat waar ze voor staan, dat zijn nou typisch de mensen die hun omgeving met kletspraat zoet houden. Die mensen zijn gevaarlijk voor mij. In wezen ben ik een verlegen en naïef mens, ik kom makkelijk onder de invloed van dat soort mensen. Ze vormen een bedreiging voor mij. Ik ben argeloos. Iedereen wi macht. De mensen die over vrijheid praten, die denken dat de slavenmeester de macht heeft, maar de slaaf heeft ook macht. En zo is de bedrieger niet alleen machtig, maar de bedrogene ook.

Uit: De Interviewer – Ischa Meijer, Prometheus Amsterdam, 1999.

hermans, zuiderluchtbron foto: zuiderlucht.eu

W.F. Hermans (1921-1995, Amsterdam)