Trolsky: kunst

Jasper-mikkers; jaspermikkers.nlbron illustratie: jaspermikkers.nl

Kunst

Er zijn momenten dat je vliegen kunt. / Het is nooit zeker of het nòg eens lukt. / Je spreidt je armen en je rent gebukt / een wei af, diep en krachtig ademend.

Daar stijg je dan; het is je weer vergund. / Beneden staan de mensen zielsverrukt / te turen en een kreet van onderdrukt / geluk stijgt op: je bent nog maar een punt.

Je hebt het vliegen iedere afgeraden. / Je merkt zo hoog niet dat het donker wordt. / Je raakt verstrikt in hooggespannen draden / of breekt je pennen op een uithangbord. / En zie, terwijl je suizend dieper stort: / verdwenen zijn ze die je eerst aanbaden.

Ongepubliceerd maar wel in: Ons poëtisch dichtersland, redactie Ernst van Altena en Jan Veldhuizen, V&D, 1988

Tymen Trolsky (1948, Oerle)

Singer: de Spinoza van Warschau

Isaac-Bashevis-Singer; bashevissinger.combron foto: bashevissinger.com

Isaac Bashevis Singer (1904-1991, Leoncin, Polen) geldt als Amerikaans schrijver, kwam uit een streng joods-orthodox gezin in Polen voordat de oorlog hem naar de USA vedreef. Singer schreef veel over zijn joodse achtergrond en gaf stem aan de in de Tweede Wereldoorlog vermoorde getto-bewoners in Poolse steden. In zijn werk komen thema’s als menselijkheid, humor, erotiek en occultisme voor.

In De Spinoza van Warschau gaat het om dr. Fischelson uit Warschau. De dr. bestudeert al 30 jaar lang Ethica van Spinoza: ‘Hij kende elke stelling, elk bewijs, elke gevolgtrekking en elke notitie uit zijn hoofd.’ Fischelson is niet bang voor de dood. Hij is oud. In Ethica staat bovendien te lezen dat: ‘een vrij man nergens minder aan denkt dan aan de dood en zijn wijsheid een bespiegeling is, niet over de dood, maar over het leven.’ Verder schrijft Spinoza: ‘Dat de menselijke geest niet samen met het menselijk lichaam volledig teniet zal gaan, maar dat een deel ervan eeuwig zal voortbestaan.’

Fischelson peinst wat af in dit verhaal en zondert zich steeds meer af. Zich op de been houdend met de wijsheden uit Ethica:

Hij herinnerde zich dat zedelijkheid en geluk volgens Spinoza identiek waren en dat de zedelijk meest verantwoorde daad die de mens kon stellen, bestond uit het toegeven aan een genoegen dat in overeenstemming was met de rede.

Maar Fischelson moet tegenslag na tegenslag doorstaan. Er wordt hem onrecht aangedaan waardoor hij ook steeds meer het vertrouwen in zijn medemens verliest.

Deze lieden hadden zich overgegeven aan de laagste passies, ze waren dronken van emoties, en volgens Spinoza moest men emoties altijd vermijden. Ze joegen het aardse geluk na, maar slechts ziekte en kerkering was hun deel, de schande en het lijden, dat voortsproot uit onwetendheid.

De oorlog breekt uit. Er is nog meer leed. Fischelson leeft teruggetrokken op een zolderkamertje en komt nauwelijks de deur nog uit. Hij denkt aan zelfmoord, maar dat verbied Spinoza. Een vrouw, Zwarte Dobbe, komt in zijn leven. Zij verzorgt hem en laat hem opknappen. Uiteindelijk gevolg: een huwelijk. De bruiloft volgt en na een heftige bruidsnacht:

Dr. Fischelson keek naar boven. De zwarte hemelboog was dicht bezaaid met sterren: groene, rode, gele en blauwe sterren, grote en kleine, twinkelende en roerloze. Sommige groepten dicht op elkaar en sommige stonden alleen. In de hoogste sferen was klaarblijkelijk nauwelijks notitie genomen van het feit dat een zekere dr. Fischelson in zijn nadagen was getrouwd met een zekere Zwarte Dobbe. Van bovenaf gezien was zelfs de grote oorlog niets anders dan een modieus spelletje. De myriaden grote sterren beschreven hun vaste banen in de eindeloze ruimte. En om deze stralende lichtbronnen cirkelden de kometen, planeten, satellieten en astroïden eindeloos voort. Bij elke rilling die door de kosmos voer werden hele werelden tot leven gewekt of aan de vernietiging prijsgegeven. In de chaos der nevelen werd de oerstof geformeerd.  Af en toe scheurde een ster los, flitste door de hemel en liet een vurige streep na. De augustusmaand had zoals altijd een regen van meteoorstenen meegebracht. Ja, de goddellijke substantie was onmetelijk en zonder begin of eind; ze was absoluut, onsplitsbaar, eeuwig en zonder duur, oneindig in haar verschijningsvormen. Haar golven en borrelingen dansten in een universele heksenketel, ziedend van leven, in een onverbreekbare rij van oorzaken en gevolgen en hij, dr. Fischelson, met zijn voorbeschikt lot, maakt er deel van uit. De doctor sloot de ogen en stelde zijn bezwete voorhoofd en zijn wapperende baard bloot aan het koele windje. Diep ademde hij de nachtlucht in; hij hield zich met zijn bevende handen vast aan de vensterbank en mompelde: ‘Goddelijke Spinoza, vergeef het mij. Ik ben een dwaas geworden.’

Uit: De Spinoza van Warschau en andere jiddisje verhalen, Arbeiderspers Amsterdam, 1966; vertaling A.Polak-Lubbers.

Isaac Bashevis Singer (1904-1991, Leoncin, Polen)

John Updike: meer statige huizen

John-Updike; brittanica.combron foto: brittannica.com

Ik klonk geërgerd; de leerlingen sperden hun ogen open, degenen die hadden zitten luisteren. Ze weten vaak beter wat er aan de hand is dan jijzelf. De schelp had me aan Karen doen denken. Zij had van de natuur en haar verfijnde, gecompliceerde details gehouden. Hier in het helle licht van de hoge ramen van het klaslokaal lag er een glans op het wit-met-bleek-oranje paarlemoer, die van haar was. Terwijl ik de spiraal schematisch op het bord tekende, met pijlen omhoog en omlaag, en het sierlijke buisvormig orgaan waarmee de poliepslak zijn roofzuchtige hydrostatische magie bedrijft, stond ik aan haar te denken, aan hoe ze in de lichte, grote slaapkamer aan de achterkant van het huis haar zachte, bleek-oranje haar en haar kleine borsten over mijn penis streek om mijn begeerte op te wekken.

Die begeerte ontwaakte niet altijd meteen; vaak was ik nerveus, transpireerde, voelde me schuldig omdat ik tijd stal van het lunchuur, of zelfs – zo dringend leek het allemaal – er tijdens een tussenuur vandoor was gegaan (een lesuur duurt in ons systeem vijftig minuten), naar de andere kant van de stad was gereden om twintig minuten met haar door te brengen, de vijftien minuten terug te rijden en de oude Falcon die Monica’s ouders ons hadden gegeven met gierende remmen op het parkeerterrein van de school neer te zetten onder de ogen van de kinderen die bij de fietsenrekken rondhingen of daar stiekem een sigaretje stonden te roken. Misschien hebben ze weleens wat gedacht, maar leraren komen en gaan nu eenmaal, kinderen hebben er geen idee van wat het kost of niet kost om de wereld draaiende te houden, en hoewel ze ongeveer het grootste deel van hun energie besteden aan het bestuderen van ons, leraren, kunnen ze de peilloze diepte die het leven van een volwassene is, toch niet echt geloven; waar zij van dromen, doen wij. Ze konden niet weten, ongeacht de mededelingen op de muren van hun toiletten, dat Karens muskus echt op mijn vingertoppen en mijn gezicht zat, en dat achter mijn gulp mijn eigen kleine buisvormig lichaam nog een schrijnende paarlemoeren glans van bevrediging vertoonde.

Uit: Meer statige huizen; uit: De beste Amerikaanse verhalen uit Esquire, Meulenhoff Amsterdam, 1990; vertaling Loes Visser

John Updike (1932-2009, Reading, USA)

Maurits Mok: julinacht

mok, maurits, nl.wikipedia.orgMaurits (Mozes) Kok; bron foto: nl.wikipedia.org

Julinacht

Julinacht die in de bomen woelde. / Stoeten paarden renden door de bladeren. / Verticale kracht stond om ons heen. / Wij zeiden, het is zomer en ik wist, / dit komt niet weer, dit gaat / met ons verloren. Ook de bomen / zouden hun vergaarde eeuwen afstaan, / tot in hun wortels wankelen en terwijl / zij nog grijpgebaren in de ruimte maakten / prijsgegeven worden aan de dood.

Uit: Laat getijde, BZZTÔH Den Haag, 1985

Maurits Mok (1907-1989, Haarlem)

Andreus: liedje

literairecanon.be; andreus, hans

bron foto: literairecanon.be

Liedje

Alle roekoemeisjes / van vanavond / alle toedoemeisjes / van vannacht / wat zeggen we daar nu wel van?

Niets. / We laten ze maar zitten / maar zitten maar liggen maar slapen / maar dromen van jajaja.

Uit: Verzamelde gedichten, Holland Amsterdam, 2004

Hans Andreus (1926-1977, Amsterdam)

Bernlef: ziekenzaal

2doc.nl; bernlef. jbron foto: 2doc.nl

Ziekenzaal

Het wordt nacht. Hij was piloot. / Uit een trechter druppelen woorden. / Schietstoel. Parachute. De naam van een vrouw.

De jongen in het bed ernaast richt zich op en luistert / beantwoordt het ijlen: ‘Ze is er, / blijf bij je, laat je niet gaan.’

De jongen denkt aan zijn vriendin. Hoe zij / temidden van snippers en kadopapier / in snikken uitbarstte: ‘Nu ben ik 21.’

Het hijgen. Iedereen wil leven, tegen / de klippen op waar de piloot zich traag / te pletter vliegt onder het laken.

Uit: Tirade nr.399, Amsterdam, 1992

J.Bernlef (1937-2012, Sint Pancras)

Melville’s Billy Budd: ‘God zegene kolonel Vere’

Herman_Melville_by_Joseph_O_Eaton, en.wikipedia.orgMelville geschilderd door Joseph O. Eaton; bron illustratie: en.wikipedia.org

Herman Melville (1819-1891, New York, USA) kent u wellicht van Moby Dick. Het klassieke meesterwerk over kapitein Ahab, walvisvaarder Peqoud en de witte potvis, die de naam Moby Dick krijgt. Ik las de novelle Billy Budd, voormarsgast. Een boek over plicht en geweten en het conflict daartussen. Net als Moby Dick is Billy Budd een boek over het maritieme, over de eigen ervaringen van Melville. Ook in Billy Budd tot in de details nauwkeurige beschrijvingen van alles aan boord van het 19-de eeuwse (zeil)schip.

Billy Budd is een jonge en Knappe Matroos. Dit laatste met hoofdletters want Billy is eigenlijk de Ideale Schoonzoon. Een jongeman met een rimpeloos karakter en een positieve invloed op zijn omgeving. Voor kolonel Vere reden om hem te benoemen tot voormarsgast op zijn oorlogsschip. Vere heeft behoefte aan betrouwbare figuren, die leidinggevende taken kunnen uitvoeren op zijn schip. Er dreigt namelijk oproer en muiterij op de schepen van de marine. Te weinig manschappen, te weinig soldij en teveel taken.

Billy heeft één minpuntje: hij stottert. Verder is hij plichtsgetrouw en voert hij de bevelen uit zonder slag of stoot. Zijn ideale karaktereigenschappen werken als een rode lap op een andere leidinggevende op het schip: Claggart, de scheepsprovoost, degene die voor orde en recht aansprakelijk is. Claggart heeft een kleine aanvaring met Billy maar dat heeft grote gevolgen. Claggart beschuldigt Billy van het plannen van muiterij. Billy wordt bij de officiële aanklacht zo geëmotioneerd dat hij niet uit zijn woorden komt. Hij geeft Claggart een klap die dodelijk blijkt. Volgens scheepsrecht moet Billy daarna ter dood worden veroordeeld. Kolonel Vere twijfelt over de juistheid van de aanklacht en over het doden van de Knappe Matroos.

Melville heeft een stijl die heel gedateerd aandoet en toch is hij de man van het Modernisme. De hoofdstukken zijn kort. Hij last soms een tussen-hoofdstuk in om toelichting te geven op een aspect van het verhaal. Zijn karakterbeschrijvingen en de innerlijke beleving zijn uitgebreid en verhelderend. Het boek gaat over de innerlijke strijd die Vere voert tussen plicht en geweten. De zinnen van Melville nodigen vaak uit tot meerder keren lezen om precies te snappen wat hij bedoelt. De zinnen zijn lang, uitwijdend en van vaak van tegenstellingen voorzien. Geen makkelijk leesbare kost maar de karakters komen tot leven. Vere, Claggart en Budd zijn herkenbare karakters. Melville schuwt de emotie en de humor niet. Zoals uit onderstaande fragmenten moge blijken.

Een vlootpredikant is zo te zeggen de vertegenwoordiger van de Vredesvorst, dienend in het leger van de oorlogsgod Mars. Als zodanig is hij even misplaatst als een musket op een kerstaltaar. Waarom hij er dan is? Omdat hij zijdelings het doel dient, uitgedrukt door het kanon, en omdat hij de sanctie van het geloof der zachtmoedigen verleent aan datgene wat in werkelijkheid de terzijdestelling van alles behalve geweld betekent.

(..)

Billy stond met het gelaat naar de kampanje gericht. Op het allerlaatste ogenblik waren zijn woorden, de enige woorden, volkomen onbelemmerd in de uiting ervan, deze: ‘God zegene kolonel Vere!’ Deze woorden, zo onverwacht komend van iemand met het onterende hennep om zijn hals, een zegening door een algemeen als misdadiger beschouwde, gericht tot de ereplaats aan dek, woorden ook, geuit met de heldere melodie van een zangvogel op het punt om van een twijg op te vliegen, hadden een fenomenale uitwerking, nog verhoogd door de zeldzame persoonlijke schoonheid van de jonge matroos, nu vergeestelijkt door de laatste zo treffend diepe ervaringen.

Uit: Billy Budd voormarsgast, Wereldbibliotheek Amsterdam, 2006

Herman Melville (1819-1891, New York, USA)

Wolkers: ken jij ook dat meisje

Wolkers,Jan, literatuurmuseum.nlbron foto: literatuurmuseum.nl

Ken jij ook dat meisje

ken jij ook dat meisje / opgevouwen in een koffer leeft ze / van gebersten vreugden eet ze het avondbrood / als rode maïskolven handenstrekkend geeft ze

ik weet ook van reizen met haar / reigers en mos weten in oksels te schuilen / anemonen offert ze tussen haar dijen

dragen wij haar om de beurt / en lachen haar dood tussen de tanden / en maken haar egel en varen minded

dat meisje ken je dus ook / kokend en kokerjufferbevend / van gebartsen vreugde eet ze het abendkadmiumrot / als rode maïskolven handenstrekkend geeft ze

Uit: Verzamelde gedichten, Bezige bij Amsterdam, 2008; samenstelling Onno Blom

Jan Wolkers (1925-2007, Oegstgeest)

John Cheever: onbeminde grootheid

cheever, john, esquire.combron foto: esquire.com

Ik kende het werk van John Cheever (1912-1982, Quincy, USA) niet. Het wordt door literatuurkenners nogal eens vergeleken met dat van John Updike. Beiden zijn realisten, schreven korte verhalen voor The New Yorker en vonden hun inspiratie in suburbia. Hoofdpersonen zijn vaak welgestelde Amerikanen uit de vrije of dienstensector. Cheever en Updike schreven tot in detail over het leven van de middle-class Amerikaan. Over de groteske waanzin van het moderne, jachtige leven. Over de achterkant van The American Dream. Ik heb het over de jaren 50, 60 en 70 vorige eeuw.

Voor wie wil kennismaken: lees The stories of John Cheever, een mooi begin. Later las ik Bullet Park dat ook veel indruk maakte. Dat Cheever een onbeminde grootheid uit de Amerikaanse literatuur is, heeft wellicht te maken met de wereld waarop hij zich schrijvend richt: die van de middle-class. Bestaat die nog?

Schrijven kon Cheever wel. Voorbeeld:

Literatuur is kunst en kunst is de overwinning op de chaos (en niet minder dan dat) en we kunnen die alleen maar behalen door uiterst nauwlettend te kiezen, maar in een wereld die sneller verandert dan wij kunnen waarnemen bestaat altijd het gevaar dat onze selectieve vermogens het mis hebben en dat het visioen waarvoor we ons inzetten niets zal worden. We bewonderen fatsoen en we verachten de dood, maar zelfs de bergen lijken in één nacht tijds te verschuiven en misschien is de exhibitionist op de hoek van Chestnut Street en Elm Street betekenisvoller dan de mooie vrouw die met een streep zonlicht in het haar een nieuw stuk zeeschuim in de kooi van de nachtegaal legt. Laat ik u maar gewoon een voorbeeld van chaos geven en als u me niet gelooft moet u oprecht in uw eigen verleden kijken om te zien of u niet een vergelijkbare ervaring kunt vinden…

Ter introductie van het korte verhaal De dood van Justina, die vooral over dolgedraaide regelgeving en vervreemding gaat.

Een eind verderop in het verhaal moest ik even aan Nabokov denken: de schrijver die de oude en de nieuwe wereld zo prachtig tegenover elkaar kon zetten in zijn verhalen.

Er zijn Amerikanen die, hoewel hun vaderen drie eeuwen geleden uit de Oude Wereld hierheen zijn geëmigreerd, die overtocht nooit helemaal lijken te hebben volbracht, en zo iemand ben ik. Ik sta figuurlijk gesproken met een natte voet op Plymouth Rock en kijk met enige kiesheid naar binnen, niet in een ontzagwekkende, fascinerende wildernis maar in een halfvoltooide beschaving die glazen torens, boortorens, hele continenten van voorsteden en afgedankte bioscopen omvat, en ik vraag me af waarom iedereen in deze uiterst welvarende, gelijkmatige en ontwikkelde wereld – waar zelfs de schoonmaaksters in hun vrije tijd de etudes van Chopin studeren – toch zo teleurgesteld schijnt.

Uit: De dood van Justina; uit: De beste Amerikaanse verhalen uit Esquire, Meulenhoff Amsterdam, 1990

De (on)regelmatige dosis Nabokov: signalen en symbolen

nabokov, demorgen.bebron foto: demorgen.be

Uit: Signalen en symbolen

Dit, en nog veel meer, accepteerde zij – want ten slotte betekende leven toch dat je het verlies van de ene vreugde na de andere accepteerde, en in haar geval waren het zelfs geen vreugden – alleen mogelijkheden van verbetering. Zij dacht aan de eindeloze golven van pijn die zij en haar man om de een of andere reden moesten verduren; aan de onzichtbare reuzen die haar jongen pijn deden op een onvoorstelbare wijze; aan de onberekenbare hoeveelheid tederheid die de wereld bevatte; aan het lot van die tederheid, die of verdrukt wordt of verspild of getransformeerd in krankzinnigheid; aan verwaarloosde kinderen die in zichzelf neuriën in stoffige hoekjes; aan prachtig onkruid dat zich niet kan verstoppen voor de boer en hulpeloos moet toekijken hoe de schaduw van zijn aapachtig voorovergebogen lichaam een baan van vertrapte bloemen achter zich laat terwijl de monsterlijke duisternis nadert.

Een oudere man en vrouw gaan op weg naar hun ongeneeslijk krankzinnige zoon en nemen een kadootje voor hem mee. Hij is jarig. De weg naar de instelling, waar de zoon verblijft, is deze keer vol obstakels. Als het echtpaar bij de kliniek aankomt, blijkt dat de zoon een nieuwe zelfmoordpoging heeft gedaan. Onverrichterzake keren de ouders terug naar huis. Thuis bedenkt het echtpaar dat ze hun zoon de volgende dag willen ophalen en mee naar huis nemen.

De zoon leidt aan waanvoorstellingen. ‘Betrekkingswaan’ noemde een psychiater het ziektebeeld. ‘De patiënt verbeeldt zich dat alles wat om heen gebeurt een bedekte toespeling is op zijn persoonlijkheid en zijn bestaan. Alles is een code en van alles is hij het onderwerp.’

Hij had het al als klein kind. ‘Kleine ziekelijke angsten, die zijn ouders koppig hadden beschouwd als de buitensissigheden van een uitzonderlijk begaafd kind.’

Nabokov beschrijft in dit verhaal hoe signalen een rol spelen in het onderkennen van wat er mis is in de verhouding ouders-kind, maar ook in de verhouding van het emigranten-echtpaar met het nieuwe thuisland. Het is een gelaagde vertelling, zoals we van Nabokov mogen verwachten (het verhaal stamt uit 1948 en kreeg Boston als plaatsbepaling), die aanwijzingen geeft over hoe de schrijver zijn eigen werkelijke ervaringen beleefde. Bij Nabokov mag je ervan uitgaan dat ouders, krankzinnig kind, de mensen in de kliniek en de binnendringende onbekende beller symbolisch zijn. De sfeer is beklemmend, benauwend en grimmig. De zelfmoordpoging van de zoon is dan ook een signaal: ‘Wat hij in werkelijkheid wilde doen, was een gat scheuren in zijn wereld en ontsnappen.’

Uit: Lente in Fialta, Bezige Bij Amsterdam, 1981; vertaling M. Coutinho

Vladimir Nabokov (1899-1977, Sint-Petersburg, Rusland)