Warren: de zwaan en de zeug

De zwaan en de zeug

Waarom niet ronduit toegegeven / dat gedichten vaak gedichten baren. / Vanavond de fragmenten / van Alkman van Sardes weer eens herlezen. / ‘Maar zij zingt zoals een zwaan / op de stromen van de Xanthos.’ / Woorden, bevracht met zevenentwintig eeuwen / hoge, stervende sirenenzang, / blank over het blonde water. / Daarna, als tegenpool, in ’t zelfde boek / een brok oudgriekse folklore: / ‘Een zeug, die een eikel vindt, / verlangt al naar de tweede; / Ik, met een mooi meisje op schoot, / verlang al naar een ander.’ / Die zeug, kostelijk dier, brengt me / lachend naar een spaanse herberg, maar bij de plotse klaroen van de zwaan / over de wateren van de Xanthos / huiver ik, begint het opnieuw.

Uit: Maatstaf 4,5 1970, Zeeland, Arbeiderspers Amsterdam, 1970

hanswarren.nl, hans warren en Albertina

Hans Warren en dochter Albertina, bron foto: hanswarren.nl

Hans Warren (1921-2001, Borssele)

Thomas Rosenboom: de ontdekking van een mierenhoop

Hij raapte een stok op en met het schepnet in de andere hand schreed hij voorwaarts, beschroomd, zonder zijn ogen nog af te laten van de mierenhoop. Op een platte steen bleef hij stilstaan, vlak voor het nest dat van hier af met de eik op een lijn lag. Kleine spatjes zonlicht besproeiden de wollige, heuphoge verhevenheid waarin hij uit alle macht de wemel van talloze mieren trachtte te ontdekken, maar de aardhoop scheen ontvolkt. Reeds liet hij stok en schepnet beduusd wat zakken toen hij, heel geleidelijk aan en niet door zijn ogen nog meer in te spannen maar enkel door te blijven kijken, als naar een sterrenhemel, een nerveus beweeg ging ontwaren op het oppervlak van naalden en twijgjes, een krioelende schaduw die echter steeds tastbaarder werd en allengs ook tot de substantie van de aardhoop zelf scheen te gaan behoren; de duizenden mieren, in hun volstrekt ernstige wanorde, leken wel een onscheidelijk bestanddeel te zijn van hun eigen bouwwerk, ze maakten er deel van uit als luchtbellen van kokend water.

Uit: Het zoute water, verscheen in De Revisor, nummer 1, 1989

Thomas_Rosenboom, wikipedia.orgbron foto: wikipedia.org

Thomas Rosenboom (1956, Doetinchem)

Jeugd Cees Nooteboom: ‘posthume helderziendheid heeft iets onaangenaams’

1FC22E38-87C5-49A8-9074-45415FE94753_1_201_aEen kasteelruïne in de buurt van Well, niet ver van Venray, waar ik als intern bij de fransiscanen op kostschool zat (Gymnasium Immaculatae Conceptionis). Het jaar zou 1948 kunnen zijn.

Er hangt een mooie schaduw over deze vroege foto, en toch schijnt de zon. Alles klopt, het ruïneuze sentiment, het ouwelijke pakje – met plusfours – de bestudeerde pose, de omgevallen zuil, de open deuropening die door geen muur meer gestut wordt, verval. De vraag is of ironie ten opzichte van het vroegere beeld is toegestaan. Degene die later naar die ander van vroeger kijkt weet gewoon te veel, zijn anachronistische blik heeft iets schennends, de ander kan zich tegenover die blik niet verdedigen, want al leest hij dan al Cicero en Livius, hij weet nog niet dat hij later een romanfiguur over het Forum Romanum zal laten lopen tussen andere, dezelfde, brokstukken en afgeknotte zuilen. Historici zijn naar achteren gerichte profeten, heeft Schlegel gezegd. Vooral in het eigen leven heeft die postume helderziendheid iets onaangenaams.

Cees Nooteboom (1933, Den Haag)

Uit: De gevoelige plaat, Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1995

Sjuul Deckwitz: zij huilt, zij lacht

Zij huilt, zij lacht

Zij had twee liefdes en heeft hen verloren. / Vlak na elkaar. / Zij schreide zich onmachtig, / blondeerde heur haar, / sloop, vol doodsgedachten, / langs kleine, louche grachten. / Clara! Emilie? / Zwijgen was haar evenknie.

Zie haar nu lachen naar Evelien – / Nog twee jaar. Dàn zal de gracht / haar schreien weer zien.

Uit: Niet wachten op ontspanning, De Bonte Was Amsterdam, 1985

vrouwennuvoorlater.nl, deckwitz

bron foto: vrouwennuvoorlater.nl

Sjuul Deckwitz (1952)

Rubem Fonseca: ‘een schrijver is geen banketbakker noch een pedagoog’

‘Heeft een schrijver goedheid nodig?’ vroeg Amanda. ‘Wat is dat weer voor een idioot geklets?’  viel Luiza haar in de rede, en Amanda vertelde dat ik haar aan het uitleggen was aan welke vereisten zij diende te voldoen om schrijfster te worden. ‘Recepten voor oven en fornuis?’ vroeg Luiza. Ik antwoordde dat volgens sommige auteurs literatuur aangenaam en versterkend dient te zijn, dat wil zeggen: voldoende zoet en smakelijk om bij fijnproevers in de smaak te vallen en de lezer moreel en geestelijk te verfijnen, maar dat de auteur geen banketbakker noch een pedagoog was; goede schrijvers, zoals De Sade, vulden hart en hoofd van de mensen met angst en afgrijzen, omdat het leven nu eenmaal zo was: vol angst en afgrijzen.

Uit: In mijn door lust verdorven leven heb ik slechts liefde voor de sigaar behouden, Wereldbibliotheek Amsterdam, 1999

fonseca, rubem

Rubem Fonseca (1925, Juiz de Fora, Brazilië)

Bernlef: horloge

horloge, bernlefbron foto: gewoonvoorhem.nl

Horloge

Ik zat op de huisbank van een Zuid-Afrikaan / toen jou alles afgenomen werd / verder was ik nooit van je vandaan

Terwijl mijn gastheer krakend koersen controleerde / en zijn dikke dochter zocht naar gave popmuziek / wat zag jij toen, in je laatste val?

Dit gedicht even duidelijk als de dood / een open boek, een afgesloten hoofdstuk / woorden weggevloeid in aarde, als water

Voor jou werd het nooit meer later / op je horloge dat ik nu verder draag / de tijd door die voor jou noch mij bestaat.

Uit: Aambeeld, Querido Amsterdam, 1998

J. Bernlef (1937-2012, Sint Pancras)

Ten Berge: ochtend/het gebeuren

Ochtend/het gebeuren

Bijna winter, spreeuw / Bespiedt de lijsterbes / En steekt zich in de veren

Berijpte snavels, dode vogels in de tuin

Vroege vorst witselt / Het veilig hout. je koude hand / Tast langs mijn huid

As

Bedekt het pad. met zacht getik / Verkilt de norton

En wordt wit

Uit: de cyclus ‘Kockyn’, een Kermiskroniek, Merlyn, jaargang 3, 1965

ten berge, contact.nlbron foto: contact.nl (Zutphen-Warnsveld)

H.C. ten Berge (1938, Alkmaar)

De creoolse kruidenier gezien door Patrick Chamoiseau

tripsavvy.com, local-products

bron foto: tripsavvy.com

De creoolse kruidenier is een wereld op zich. Een rommelkamer die ongetwijfeld beïnvloed is door de praktijk van de Chinese immigranten. Zodra deze het werk in de suikerriet op de velden van de blanken ontvlucht waren, openden ze zo ongeveer overal op het eiland winkels waar ze wat dan ook verkochten van welk gewicht en in welke maat dan ook. In die tijden dat iedereen platzak was, was dat een geniale vondst. De kleine straatkruideniers in Fort-de-France gingen van hetzelfde principe uit. Op de bovenste planken schaarden de rariteiten die maar zelden besteld werden zich aaneen: Noilly Prat, vermout, whisky. Daaronder de planken met wijn. Die droegen lange flessen met een onbepaalde wijn, bedekt met een stof van weleer, die niemand leken te intersseren. Daaronder waren de conservenblikken opgestapeld (sardines, worst, linzen, cassoulet, gezouten boter, margarine of orleaanboter). De grote blikken met reuzel die per afgestreken houten lepel verkocht werd, sloten de schappenwand af. Op de grond rond de toonbank stonden de zakken (rijst, bonen, Franse bloem) en de vaten (gezouten vlees, olie, petroleum, rum) waarop meestal een pomp geplaatst was. Aan het plafond slingerden de vliegenvangers, de worsten, de strengen knoflook en de gedroogde kruiden. Op de toonbank zelf vond je het papier, de weegschaal, de chocoladebrokken, de zeepspaanders, de gewichten, de maatbekers, de bakken met Franse uien, de opgestapelde broden, oudbakken hier, verse daar, de bossen inheemse uien, de bokalen met gedroogde kruiden. Bij gebrek aan plaats werd alles tot in het onbeschrijflijke op alles gestapeld.

Uit: Creoolse kindertijd – Patrick Chamoiseau, Ambo Baarn, 1996

Patrick Chamoiseau (1953, Fort-de-France, Martinique)

Kopland: licht

Licht

Vanavond zou ik dingen willen zeggen / terwijl er eigenlijk geen dingen voor zijn

zoiets als licht – willen uitleggen / wat licht is voor de dood / ons meeneemt in de nacht

de nacht in terwijl ik ons / probeer terug te denken naar / elkaar vanavond –

maar zie de glazen in onze handen / tot de randen gevuld gevuld met licht

Uit: Geluk is gevaarlijk, Maarten Muntinga Amsterdam, 1999

kopland, literatuurmuseumbron illustratie: literatuurmuseum.nl

Rutger Kopland (1934-2012, Goor)

Grunberg: ‘ik wek vertrouwen op’

U neemt alles zo letterlijk. Als ik zeg dat ik voor altijd bij u wil blijven, denkt u dat ik u aan het verleiden ben. Als ik schrijf dat uw ogen veel ellende hebben gezien, vraagt u zich af hoe lang ik uw ogen heb bestudeerd en waarop ik dat baseer. Liefste, ik werk met woorden, niet met ogen. Ik wek vertrouwen op, u wekt begeerte op, bij sommigen. Zo heeft iedereen wat.

Als ik ergens tabak van heb, dan zijn het wel mensen die mij begeren om mijn hersenen. Ik wens niet meer om mijn hersenen te worden begeerd. Ik heb geen levenswijsheid in de aanbieding, ik ben geen boeddha, ik weet niets. Laat dit misverstand voor eens en voor altijd uit de weg zijn geruimd. Nog liever word ik begeerd om de restanten van mijn geld.

Uit: Omdat ik u begeer, brieven 2001-2007, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 2007

vn.nl, grunbergbron foto: vn.nl

Arnon Grunberg (1971, Amsterdam)