Malamud: durf te leven

malamud, bernard; tabletmag.combron foto: tabletmag.com

Etta staat op het Romeinse kerkhof bij het graf van haar pas geleden, jong gestorven man Armando. Daar ontmoet ze Cesare. Ook hij stond bij het graf van zijn echtgenote. ‘Op een dag toen ik op mijn werk zat, haastte ze zich naar een afspraak met een minnaar en werd op slag gedood door een taxi op de Piazza Bologna.’ ‘Rouwen valt niet mee,’ zei Cesare. ‘Als de mensen dat eens wisten, werd er minder gestorven.’

Tussen Cesare en Etta ontstaat een vertrouwensband. Dat vertrouwen leidt er toe dat Etta haar hart lucht over de dood van haar man. Etta en haar man namen een nichtje uit Perugia in huis. Haar man begon een affaire met het nichtje. Tot groot verdriet van Etta. Na een flinke ruzie belooft haar man beterschap. Het nichtje vertrekt weer naar Perugia en alles lijkt weer normaal. Maar manlief krijgt het nichtje niet meer uit zijn hoofd. Op weg naar Perugia om haar op te halen, verongelukt hij.

Tussen Cesare en Etta groeit langzaam een verhouding. Cesare wil verder en een nieuw liefdesavontuur. Etta rouwt nog en twijfelt.

‘Signora,’ zei hij, ‘waar uw man ook is, u helpt hem niet door uzelf deze straf op te leggen. Het beste helpt u hem door uw normale leven te hervatten. Anders zal hij dubbel blijven lijden, eerst voor iets waaraan hij schuld had, en dan nog eens vanwege de onredelijke last die uw ontkenning van het leven hem oplegt.’

‘Ik boet voor mijn zonden, ik straf hem niet.’ Ze was te ontdaan om meer te zeggen, overwoog zonder een woord naar huis te lopen en dan de deur in zijn gezicht dicht te slaan; maar ze hoorde zichzelf haastig zeggen: ‘Als we iets zouden beginnen, zou het overspel zijn. We zouden de doden verraden.’

‘Waarom draait u toch alles om?’

Cesare was onder een boom blijven staan en sprong haast op bij zijn woorden. ‘Zij… zij hebben ons verraden. Excuseert u mij, signora, maar eigenlijk was mijn vrouw een beest. Uw man was een beest. We rouwden omdat we ze haten. Laten we de waardigheid hebben dat onder ogen te zien.’

‘Hou op,’ kreunde ze, haastig doorlopend. ‘Hou erover op, ik wil het niet horen.’

‘Etta,’ zei Cesare hartstochtelijk en liep achter haar aan, ‘dit is mijn laatste woord, daarna nagel ik mijn tong aan mijn kaak. Bedenk één ding. Als Onze Lieve Heer zelf Armando op dit moment uit de dood liet opstaan om zijn leven op aarde te hervatten, dan lag hij vannacht bij zijn nichtje in bed.’

Uit: Durf te leven, Bernard Malamud; uit: De verhalen, Meulenhoff Amsterdam, 1986; vertaling Dorinde van Oort

Bernard Malamud (1914-1986, New York, USA)

John Updike: meer statige huizen

John-Updike; brittanica.combron foto: brittannica.com

Ik klonk geërgerd; de leerlingen sperden hun ogen open, degenen die hadden zitten luisteren. Ze weten vaak beter wat er aan de hand is dan jijzelf. De schelp had me aan Karen doen denken. Zij had van de natuur en haar verfijnde, gecompliceerde details gehouden. Hier in het helle licht van de hoge ramen van het klaslokaal lag er een glans op het wit-met-bleek-oranje paarlemoer, die van haar was. Terwijl ik de spiraal schematisch op het bord tekende, met pijlen omhoog en omlaag, en het sierlijke buisvormig orgaan waarmee de poliepslak zijn roofzuchtige hydrostatische magie bedrijft, stond ik aan haar te denken, aan hoe ze in de lichte, grote slaapkamer aan de achterkant van het huis haar zachte, bleek-oranje haar en haar kleine borsten over mijn penis streek om mijn begeerte op te wekken.

Die begeerte ontwaakte niet altijd meteen; vaak was ik nerveus, transpireerde, voelde me schuldig omdat ik tijd stal van het lunchuur, of zelfs – zo dringend leek het allemaal – er tijdens een tussenuur vandoor was gegaan (een lesuur duurt in ons systeem vijftig minuten), naar de andere kant van de stad was gereden om twintig minuten met haar door te brengen, de vijftien minuten terug te rijden en de oude Falcon die Monica’s ouders ons hadden gegeven met gierende remmen op het parkeerterrein van de school neer te zetten onder de ogen van de kinderen die bij de fietsenrekken rondhingen of daar stiekem een sigaretje stonden te roken. Misschien hebben ze weleens wat gedacht, maar leraren komen en gaan nu eenmaal, kinderen hebben er geen idee van wat het kost of niet kost om de wereld draaiende te houden, en hoewel ze ongeveer het grootste deel van hun energie besteden aan het bestuderen van ons, leraren, kunnen ze de peilloze diepte die het leven van een volwassene is, toch niet echt geloven; waar zij van dromen, doen wij. Ze konden niet weten, ongeacht de mededelingen op de muren van hun toiletten, dat Karens muskus echt op mijn vingertoppen en mijn gezicht zat, en dat achter mijn gulp mijn eigen kleine buisvormig lichaam nog een schrijnende paarlemoeren glans van bevrediging vertoonde.

Uit: Meer statige huizen; uit: De beste Amerikaanse verhalen uit Esquire, Meulenhoff Amsterdam, 1990; vertaling Loes Visser

John Updike (1932-2009, Reading, USA)

Andreus: liedje

literairecanon.be; andreus, hans

bron foto: literairecanon.be

Liedje

Alle roekoemeisjes / van vanavond / alle toedoemeisjes / van vannacht / wat zeggen we daar nu wel van?

Niets. / We laten ze maar zitten / maar zitten maar liggen maar slapen / maar dromen van jajaja.

Uit: Verzamelde gedichten, Holland Amsterdam, 2004

Hans Andreus (1926-1977, Amsterdam)

John Cheever: onbeminde grootheid

cheever, john, esquire.combron foto: esquire.com

Ik kende het werk van John Cheever (1912-1982, Quincy, USA) niet. Het wordt door literatuurkenners nogal eens vergeleken met dat van John Updike. Beiden zijn realisten, schreven korte verhalen voor The New Yorker en vonden hun inspiratie in suburbia. Hoofdpersonen zijn vaak welgestelde Amerikanen uit de vrije of dienstensector. Cheever en Updike schreven tot in detail over het leven van de middle-class Amerikaan. Over de groteske waanzin van het moderne, jachtige leven. Over de achterkant van The American Dream. Ik heb het over de jaren 50, 60 en 70 vorige eeuw.

Voor wie wil kennismaken: lees The stories of John Cheever, een mooi begin. Later las ik Bullet Park dat ook veel indruk maakte. Dat Cheever een onbeminde grootheid uit de Amerikaanse literatuur is, heeft wellicht te maken met de wereld waarop hij zich schrijvend richt: die van de middle-class. Bestaat die nog?

Schrijven kon Cheever wel. Voorbeeld:

Literatuur is kunst en kunst is de overwinning op de chaos (en niet minder dan dat) en we kunnen die alleen maar behalen door uiterst nauwlettend te kiezen, maar in een wereld die sneller verandert dan wij kunnen waarnemen bestaat altijd het gevaar dat onze selectieve vermogens het mis hebben en dat het visioen waarvoor we ons inzetten niets zal worden. We bewonderen fatsoen en we verachten de dood, maar zelfs de bergen lijken in één nacht tijds te verschuiven en misschien is de exhibitionist op de hoek van Chestnut Street en Elm Street betekenisvoller dan de mooie vrouw die met een streep zonlicht in het haar een nieuw stuk zeeschuim in de kooi van de nachtegaal legt. Laat ik u maar gewoon een voorbeeld van chaos geven en als u me niet gelooft moet u oprecht in uw eigen verleden kijken om te zien of u niet een vergelijkbare ervaring kunt vinden…

Ter introductie van het korte verhaal De dood van Justina, die vooral over dolgedraaide regelgeving en vervreemding gaat.

Een eind verderop in het verhaal moest ik even aan Nabokov denken: de schrijver die de oude en de nieuwe wereld zo prachtig tegenover elkaar kon zetten in zijn verhalen.

Er zijn Amerikanen die, hoewel hun vaderen drie eeuwen geleden uit de Oude Wereld hierheen zijn geëmigreerd, die overtocht nooit helemaal lijken te hebben volbracht, en zo iemand ben ik. Ik sta figuurlijk gesproken met een natte voet op Plymouth Rock en kijk met enige kiesheid naar binnen, niet in een ontzagwekkende, fascinerende wildernis maar in een halfvoltooide beschaving die glazen torens, boortorens, hele continenten van voorsteden en afgedankte bioscopen omvat, en ik vraag me af waarom iedereen in deze uiterst welvarende, gelijkmatige en ontwikkelde wereld – waar zelfs de schoonmaaksters in hun vrije tijd de etudes van Chopin studeren – toch zo teleurgesteld schijnt.

Uit: De dood van Justina; uit: De beste Amerikaanse verhalen uit Esquire, Meulenhoff Amsterdam, 1990

Rattawut Lapcharoensap over het leven als een (gok)spel

lapcharoensap, rattawut, sverigesradio.sebron foto: sverigesradio.se

Aangenaam verrast werd ik door een verhalenbundel van de Amerikaans-Thaise schrijver Rattawut Lapcharoensap. De schrijver droeg de bundel op aan zijn moeder, die met enige regelmaat terugkeert in de verhalen. Niet zo verwonderlijk want de verhalen gaan over familiebanden, jeugdliefdes, generatieconflict en onderhuidse culturele veranderingen. Dat maakte het voor mij herkenbaar als voormalig bezoeker van Thailand. Aangenaam verrast was ik door de toegankelijke stijl en de herkenbare verteltrant van de schrijver. In luttele pagina’s zit je in het verhaal; in het leven en de wereld van de hoofdfiguren, of ze nu mannelijk of vrouwelijk zijn. En wat verraste: de wijze waarop de Thai van binnenuit wordt beschreven. In het land van de glimlach en de uiterlijkheden is het moeilijk te doorgronden wat er in die koppies omgaat. Op dat verlangen: de Thai beter te leren kennen, geeft deze bundel een antwoord.

Ik ging zitten en probeerde te studeren voor een trigonometrie-proefwerk. Maar ik kon me niet concentreren. Rechte hoeken, schuine zijden, raaklijnen, sinus, cosinus: zonder iets te betekenen trokken ze aan mijn blik voorbij. Na een tijdje werden die lijnen en vergelijkingen een van de vele sporten die men gecreëerd had om de tijd mee door te komen, en ik bedacht dat het verschil tussen hanengevechten en trigonometrie een verschil in graad was, geen verschil in soort. Beide waren verstrooiingen, bedacht ter vermaak, spellen met verschillende winstkansen. Alle menselijke handelingen leken me opeens opgebouwd uit een dergelijk tijdverdrijf: we kozen het spel waarvan we dachten dat het rendement voor ons en onze familie het grootst zou zijn. We gokten, gokten zelfzuchtig, gokten meer dan we ons konden veroorloven, de winstkansen van anderen waren ontstellend veel hoger. Papa was natuurlijk een duidelijk voorbeeld. Maar mama ook. Een groot deel van haar leven had ze beha’s gemaakt voor vrouwen in verre oorden waar ze waarschijnlijk  nooit zou komen. Ze noemde het een eerlijke boterham. Maar terwijl ik in die kamer zat en de driehoeken in het boek me aanstaarden, leek het me geen lekkere boterham. Mama had haar kracht, haar arbeid, het zweet op haar voorhoofd en de beste jaren van haar leven op het spel gezet, maar uiteindelijk werd waarschijnlijk alleen Miss Mayuree er beter van. Noon ook, met haar monomane hang naar jongens, de manier waarop ze lukraak haar genegenheid inzette in de hoop op een beloning die onbereikbaar was. Omdat liefde de allergrootste gok was. Liefde had de laagste winstkans. De regels waren ingewikkeld en geheimzinnig en veranderden voortdurend. Zelfs papa’s zus moet dat beseft hebben. Het gokhuis zou dat klotespel altijd winnen, dus besloot ik op dat moment zijn eeuwige vijand te worden.

Uit: Kemphanen; uit: Sightseeing, Vassalluci Amsterdam, 2005; vertaling Dennis Keesmaat

Rattawut Lapcharoensap (1979, Chicago, USA)

Margaret Atwood over vrouw en paddenkusser

atwood maragaret, demorgen.bebron foto: demorgen.be

Met waar genoegen lees ik vrouwelijke schrijvers; om dat ze werelden en denkwijzen beschrijven die veelal iets nieuws bieden. Iets dat ik nog niet wist of me nog niet beseft had. Het vrouwelijk perspectief. Ik kom daarop bij het lezen van de korte verhalen van de Canadese Margaret Atwood. De verhalen in de bundel Wenken voor de wildernis gaan over vrouwen en hun relatie tot (meestal) andere vrouwen. Ik besefte dat vrouwelijke vriendschap andere kenmerken vertoont dan de mannelijke. Bij mannen gaat het vooral om wat ze doen en zeggen; bij vrouwen om wie ze zijn en wat ze (voor elkaar) voelen.

In het korte verhaal Gewicht gaat het bijvoorbeeld over twee vriendinnen die nogal uiteenlopende wegen bewandelen. De ene is bij voortduring bezig met loopbaan en stappen zetten op de maatschappelijke ladder; de ander verkiest een rommelig bestaan in de kantlijn. Beiden vonden elkaar in hun wederzijdse zucht naar verandering van de ongelijke wereld waarin systemen mannen bevoordelen.

Molly en ik hadden toen grootse plannen. We zouden alles veranderen. We zouden de code doorbreken, het netwerk van vriendjespolitiek omzeilen, bewijzen dat vrouwen het ook konden, wat het ook was. We zouden het opnemen tegen het systeem, zorgen voor betere echtscheidingsregelingen, strijden voor gelijke beloning. We streefden naar rechtvaardigheid en eerlijkheid. We dachten dat het recht daarvoor was.

We waren moedig maar we hadden het bij het verkeerde eind. We wisten niet dat je bij de rechters moest beginnen.

Maar Molly had geen hekel aan mannen. Bij mannen was Molly een paddenkusser. Ze dacht dat iedere pad in een prins kon worden veranderd als hij maar genoeg werd gekust, door haar. Ik was anders. Ik wist dat een pad een pad was en een pad zou blijven. Het ging erom de aardigste onder de padden te vinden en hun subtielere eigenschappen te leren waarderen. Je moest oog krijgen voor wratten.

Ik noemde dat een compromis. Molly noemde het cynisme.

Uit: Gewicht, uit: Wenken voor de wildernis, Bert Bakker Amsterdam, 1992; vertaald door Barbara de Lange

Margaret Atwood (1939, Ottawa, Canada)

De Balzac en de adelijke sex

Honore_de_Balzac, wikipediaDe Balzac, buste gemaakt door Jean-Alexandre-Joseph Falguière; bron foto: wikipedia.org

Hoe heurt  het eigenlijk? Bent u ook zo nieuwsgierig naar hoe de adel zich beweegt in het huidig tijdsgewricht? Ik niet. Maar met de adel heb je wel eens van doen als je een boek leest. Meestal zijn dat boeken uit een ander tijdsgewricht. Toen edelen maatschappelijk-economisch van belang waren. Die tijd ligt alweer wat verder weg op de balk, die het ordent.

Ik las Honoré de Balzac, een aantal van zijn korte verhalen. Daarin verhaalt jongeman Jacob van Baune hoe hij probeert de dochter van de koning te schaken zodat hij zicht krijgt op meer: eer, belang, welvaart, land, bezit. Sex dient hier als glijmiddel. De jongeman is van het opschepperige, blufferige type.

‘Laten we het eerst over iets anders hebben,’ sprak de dame. ‘Hebt ge niet een beetje gejokt en overdreven toen ge het had over…, over eh…, over het aantal maanden, dat het jaar telt en zo?’

‘Waarachtig niet,’ sprak hij vurig.

‘Nou, goed dan,’ antwoordde de koningsdochter. ‘Ik herroep niets van hetgeen ik u reeds gezegd mocht hebben. Gij zijt mij zeer welgevallig en ik zal uw beschermvrouwe zijn.’ En met deze woorden maakte zij het de jongeling duidelijk, dat het kleine donderhannesje, dat die onwetende heidenen Amor genoemd hebben, te springen stond van ongeduld. Waarop hij alles terzijde en zichzelf aan de voeten van zijn meesteres wierp, deze kuste, vervolgens haar handen, haar knieën en hogerop, terwijl zij zich als een ware regentes, aan wie grote, heuvelachtige, rijke en beboste goederen zijn toevertrouwd, tegen alle over- en invallen met vuur verdedigde. De strijdlust barsste haar als het ware uit alle poriën te voorschijn, zij schreeuwde woeste bedreigingen, trachtte de vijand van zich te werpen, zij maltraiteerde hem met knepen, knijpen, klappen, kloppen, kortom, zij was een formidabele tegenstandster. En wat Jacob van Baune betreft, hij vond de dame onder de lakens niet meer zo oud als hij eerst wel had gedacht, er brandde nog maar één, een zeer schuchter bedlampje, een betoverend lampje, een lampje dat behekste, dat alles door elkaar husselde, leeftijden, illusies, visioenen. Ja, zo is dat, menige vrouw die in vol daglicht vijftig jaren telt, wordt bij zulk bedrieglijk licht tussen de beddelakens twintig, terwijl menig twinitigjarige tussen een zelfde soort lakens opeens wel een honderdjarige lijkt. De jongeling evenwel was er niet rouwig om, om de donder niet, hij gaf geen acht op alle wee- en ach-gekweel, dat hij uit volle borst overbrulde, kortom, hij deed zijn best. En buiten zichzelf van ellende, of welk ander gevoel het ook geweest mag zijn, beloofde de regentes hem kermend dat zij hem de heerlijkheid Ridel-Alzay, de genade voor zijn vader, diens eerherstel, àlles wat maar goed en edel en heerlijk was, zou schenken, indien hij als triomfator zou voleinden.

Uit: Van dolle, drieste, dwaze dingen, Meulenhoff Den Haag, 1961; vertaling Tim Maran

Honoré de Balzac (1799-1850, Tours, F)

Grunberg over Malamud: ‘illusie is onze eerste en belangrijkste ervaring’

In de verzameling essays De troost van de slapstick buigt schrijver Arnon Grunberg zich over de kwaliteiten van de Amerikaanse schrijver Bernard Malamud (1914-1986). Hij bewondert Malamud om zijn romans en korte verhalen. ‘Malamud doorziet de ironie van het lot van zijn personages, maar hij beseft dat je de ironie van je lot kunt doorzien maar dat dat nog niet hoeft te betekenen dat je eraan ontkomt. Het lot van de personages is het lot van de verteller. Malamud zelf heeft gezegd dat in een verhaal personages be;angrijker zijn dan een plot.’

Verderop in zijn betoog heeft Grunberg het over illusies, waarnemingen en herinneringen, die bij de Amerikaanse schrijver zo belangrijk zijn in zijn verhalen.

In een interview zei Malamud: ‘Hoe langer ik leef, hoe meer ik besef dat illusie onze eerste en belangrijkste ervaring is.’ Deze observatie zegt niet alleen veel over Malamud en zijn werk, maar ook veel over ons. Als hij gelijk heeft, en ik denk dat hij dat heeft.

Wat betekent het dat illusie onze eerste en belangrijkste ervaring is?

Wij nemen niet alleen waar, maar interpreteren ook onze waarnemingen. Zonder die interpretatie zouden onze waarnemingen vrij zinloos zijn. Veel (niet alle) interpretatie is arbitrair. Om een simpel voorbeeld te geven: wat wij aanzien voor een knipoog kan een zenuwtrek zijn. Dit lijkt een onschuldig voorbeeld, maar een wereld van verwachtingen kan worden gebouwd op zo’n misverstand. Zoals de assistent van de schoenmaker een wereld bouwt op één opmerking van zijn baas. Een wereld van hoop is een eufemisme. Zijn leven. Als illusies onze belangrijkste ervaring zijn betekent dat ook de onherroepelijke eenzaamheid van ons, van de mens. Want hoe deel je illusies? Hoe deel je een wereld die gebouwd is op een misverstand? Een knipoog die een zenuwtrek was. Een opmerking van de schoenmaker die geheel verkeerd begrepen is. (Over de verradelijkheid van woorden hoef ik het hier niet te hebben.)

In het boek The Queit Room beschrijft Lori Schiller (samen met Amanda Bennett) haar leven als schizofreen. Dat wat haar opjaagt, dat wat haar ziek maakt en haar scheidt van andere mensen zijn stemmen in haar hoofd. Stemmen die niemand anders hoort, en die niemand anders kan horen. Woorden.

Ergens in het boek beschrijft ze een jeugdherinnering. Zo goed en levendig dat een professionele schrijver er jaloers op kan zijn. De herinnering eindigt met deze zin: ‘Maar er is één ding dat deze herinnering problematisch maakt. Zij is niet waar. Het is nooit gebeurd.’

Wat moet je doen met herinneringen die niet waar zijn? Als illusies al vrijwel ondeelbaar zijn, dan geldt dat helemaal voor herinneringen die niet waar zijn.

Toch is er een plaats waar je herinneringen die niet waar zijn met anderen kunt delen: literatuur, romans, verhalen, gedichten, toneelstukken. Er is een plaats waar je (in het gunstigste geval) zelfs beloond wordt voor die herinneringen die niet waar zijn. In ieder geval niet gestraft of uitgestoten. Of Malamud last had van herinneringen die niet waar zijn, weet ik niet. Volgens mij heeft iedere schrijver daar last van. In ieder geval besefte hij dat illusie onze eerste en belangrijkste ervaring is. En van illusie naar herinneringen die nooit gebeurd zijn, is een minder grote stap dan men denkt. Malamuds broer was overigens schizofreen, maar dat zijn autobiografische details die we verder maar zullen laten rusten.

Uit: De troost van de slapstick, essays – Arnon Grunberg, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1998

malamud, bernard, newyorktimesbron foto: nytimes.com

Bernard Malamud (1914-1986, New York, USA)

Mayra Montero vertelt waar de kikkers op Haïti zijn

U wilt weten waarheen de kikkers gaan. Ik kan het u niet zeggen, mijnheer, maar ik kan u vragen: waar zijn onze vissen gebleven? Bijna allemaal zijn ze uit de zee verdwenen, en uit het bos zijn alle wilde varkens verdwenen, en de overwinterende eenden, en de eetbare leguaan, die zijn ook weg. Kijk eens wat er van de mensen over is, bekijk ze eens goed: hun botten steken uit hun lijf, duwen van binnenuit tegen hun vel alsof ze willen ontsnappen, alsof ze het zwakke vlees waarin ze worden geslagen willen ontvluchten om zich ergens anders te verbergen.

Soms denk ik, maar ik zeg het niet, dat de dag nog eens zal komen waarop er een man als u komt, iemand die de zee is overgestoken om een paar kikkers te zoeken – wie kikkers zegt, zegt ieder ander dier – en hier op de oever alleen een grote berg beenderen vindt, een berg die nog hoger is dan de top van de Tête Boeuf. Dan zal men zeggen: ‘Haïti bestaat niet meer, grote God, die botten zijn alles wat nog over is.’

Uit: Jij, de duisternis, Wereldbibliotheek Amsterdam, 1996

laverdad.es, mayra-monterobron foto: laverdad.es

Mayra Montero (1952, Havana, Cuba)

Rubem Fonseca: ‘een schrijver is geen banketbakker noch een pedagoog’

‘Heeft een schrijver goedheid nodig?’ vroeg Amanda. ‘Wat is dat weer voor een idioot geklets?’  viel Luiza haar in de rede, en Amanda vertelde dat ik haar aan het uitleggen was aan welke vereisten zij diende te voldoen om schrijfster te worden. ‘Recepten voor oven en fornuis?’ vroeg Luiza. Ik antwoordde dat volgens sommige auteurs literatuur aangenaam en versterkend dient te zijn, dat wil zeggen: voldoende zoet en smakelijk om bij fijnproevers in de smaak te vallen en de lezer moreel en geestelijk te verfijnen, maar dat de auteur geen banketbakker noch een pedagoog was; goede schrijvers, zoals De Sade, vulden hart en hoofd van de mensen met angst en afgrijzen, omdat het leven nu eenmaal zo was: vol angst en afgrijzen.

Uit: In mijn door lust verdorven leven heb ik slechts liefde voor de sigaar behouden, Wereldbibliotheek Amsterdam, 1999

fonseca, rubem

Rubem Fonseca (1925, Juiz de Fora, Brazilië)