Manon Uphoff beschrijft de getroubleerde blik

uphoff, standaard.bebron beeld: standaard.be

Gemis is de bundel korte verhalen die ik las. Geschreven door Manon Uphoff. In Stad kruipen we in het hoofd van een jonge vrouw die leeft in de stad. Er zijn raakvlakken en er zijn situaties waarbij het moeilijk invoelbaar is welke keuze gemaakt wordt. Toch zijn de personages echt en overtuigend. Het is een getroubleerd hoofdpersoon die we volgen. Het verhaal handelt over alledaagse situaties en de keuzes die gemaakt worden.

Ons nieuwe huis had twee toiletten: een boven in de badkamer, een beneden in de hal. Tocht kon er, als mijn moeder uit bed kwam en hijgend van het hoesten op de deur van de badkamer klopte, van gescheiden gebruik kon geen sprake zijn. Volgens mijn moeder – dochter van oorlog en armoede – bestond privacy alleen in de geest en waren deuren niet bedoeld om iets af te sluiten, maar om te openen. Dus probeerden we niet te horen hoe haar peuken sissend doofden in de wasbak. Niet te kijken als ze in de pot spuugde. Niet te kijken als ze plaste.

‘Bij het bombardement lag ik twaalf uur onder het puin met een stuk graniet op mijn borst en een granaatscherf in mijn kuit. Er is niemand die me nu nog opsluit.’

Uphoffs taal is toegankelijk en kiest de juiste woorden om de hardheid en wreedheid van het bestaan uit te drukken. In een gezin waarin liefde niet vanzelfsprekend is, maar ook in de eerste relaties waarin seks en liefde niet hetzelfde blijken.

Kon je een ‘talent’ hebben voor een lichaam? Dat je precies wist hoe je het vast moest houden, tegen je aan moest drukken, toe moest laten? Baby’s ademen direct als ze geboren zijn, je hoeft het ze niet voor te doen of uit te leggen. Kon het zijn dat het met de liefde hetzelfde was?

fragmenten uit: stad; uit: Gemis, Podium Amsterdam, 1997

Manon Uphoff (1962, Utrecht)

Nieuwe naam, nieuwe identiteit

In het korte verhaal Wanda Lota van J. Bernlef volgen we een pubermeisje dat haar lichaam ziet en voelt veranderen. Ze woont bij haar moeder. Haar vader is vertrokken naar een nieuwe, jongere vriendin.

Ze had het warm, sloeg de dekens van zich af. Met haar kin op haar borst gedrukt keek ze over haar buik naar haar voeten. Haar vader had haar Jessica genoemd. Hij had haar naam bedacht. Mannen gingen over namen. Ze drukten een stempel op je dat je nooit meer kwijtraakte. Eerst gaven ze je een voornaam en later, als je ging trouwen, raakte je je achternaam aan een van hen kwijt. De moeder heette eigenlijk Loman. Zo werd ze als meisje genoemd, Jannie Loman.

Jessica mompelde haar eigen naam, wel twintig keer. Hij kwam haar even onwezenlijk voor als dit lichaam dat haar vertelde dat ze honger had, dat ze die beschuit moest opeten. Ze schudde resoluut haar hoofd. Waarom zou je je naam niet veranderen als je besloten had iemand anders te worden?

uit: Wanda Lota; uit: Cellojaren – Bernlef, Querido Amsterdam, 1996

bernlef; yasni.nl

bron beeld: yasni.nl

Tsjechov: Olenjka heeft geen mening

anton-chekhov; thefamouspeople.combron beeld: thefamouspeople.com

Olenjka is een mooie en lieve vrouw. In het korte verhaal Een schatje beschrijft Tsjechov haar levenswandel. Het gaat over drie liefdes die niet vervuld worden; die met Koekin, Poestowalow (overleden) en de veearts (verhuisd, andere vrouw). Kort van duur, zonder kinderen. Terugblikkend:

Nu was zij geheel en al verlaten. Haar vader was allang gestorven en zijn leunstoel slingerde met een afgebroken poot en onder stof bedolven ergens op zolder rond. Zij was vermagerd en er niet knapper op geworden en de mensen op straat keken al niet meer zoals vroeger naar haar, wanneer zij langs kwam en glimlachten haar niet meer toe; klaarblijkelijk waren de beste jaren voorbij; die had zij achter zich en wat nu aanving, was in zekere zin een nieuw, onbekend leven, waarin het beter was zich niet te veel te verdiepen. ’s Avonds zat Olenjka op haar balkonnetje en zij kon horen, hoe in pretpark Tivoli muziek werd gemaakt en hoe de vuurpijlen knetterend uiteenspatten, maar dit riep al helemaal geen associaties bij haar op. Zonder enige belangstelling liet zij haar blikken over haar lege binnenplaats dwalen, zij dacht nergens aan, wilde niets en als het donker was geworden, ging zij naar bed en droomde ze van haar lege binnenplaats. Zij at en dronk, alsof spijs en drank haar werden opgedrongen.

Maar het voornaamste, en het ergste van alles was wel dat zij er geen enkele mening meer op nahield. Zij nam de voorwerpen om zich heen wel waar en begreep alles, wat er zich om haar heen afspeelde, maar ze kon zich nergens een opinie over vormen en ze wist niet meer, waarover zij praten moest. En wat is dat verschrikkelijk, er geen eigen oordeel op na te houden! Bijvoorbeeld: je ziet ergens een fles staan, of je ziet het regenen, of hoe een boer in zijn kar langsrijdt, maar waarvoor die fles die regen of die boer bestaan, wat voor zin zij hebben, dat kun je niet onder woorden brengen en zelfs voor duizend roebel zou je er niets over kunnen vertellen. Toen Koekin en Poestowalow nog leefden en later bij de veearts had Olenjka overal een verklaring voor bij de hand gehad en met een oordeel over alles en nog wat klaargestaan, nu evenwel was het in haar geest en in haar hart al net zo leeg als op de binnenplaats, En wat gruwelijk was dat, zo bitter alsof zij alsem in de mond had genomen.

uit; een schatje; uit: Huwelijksverhalen – Anton Tsjechov, Muntinga Amsterdam, 1996; vertaling Charles B. Timmer

Tolstoj over ‘zijn krankzinnigheid’

ТОЛСТОЙ ПИСАТЕЛЬbron beeld: christianpacifism.info

In het korte verhaal Dagboek van een krankzinnige verhaalt de Russische schrijver Leo Tolstoj (1828-1910, Rus) over de depressieve gevoelens van zijn ik-figuur. Gevoelens die geworteld zijn in de jeugdervaringen waarin volwassenen niet zo lief tegen elkaar zijn als de ik-figuur hoopte en wenste. In het vervolg van het verhaal worstelt de ik met vragen over de zin van het leven: wat heeft godsdienst te bieden; wat de medemens; wat bezit? Steeds komt er maar geen afdoend antwoord en ondertussen beseft hij dat de dood hem op de hielen zit. Tot:

Niet ver van ons vandaan werd op bijzonder voordelige voorwaarden een bezitting te koop aangeboden. Ik ging erheen, alles was voortreffelijk in orde en voor mij voordelig. Bijzonder voordelig omdat de boeren alleen maar tuingrond bezaten. Ik zag meteen in dat ze dan gedwongen zouden zijn om de velden van de landeigenaar gratis als weidegrond voor hun vee in stand te houden en zo was het ook. Ik wist dit alles te appreciëren en toegevend aan mijn oude gewoonten lokte mij de zaak wel aan. Maar toen ik naar huis terugreed, kwam ik onderweg een oude vrouw tegen, aan wie ik de weg vroeg en ik raakte met haar in gesprek. Zij vertelde mij van haar nood en ontberingen. Thuisgekomen begon ik mij, toen ik aan mijn vrouw de voordelen van het landgoed uitlegde, plotseling te schamen. Ik walgde van alles. Ik verklaarde dat ik het landgoed niet kon kopen, omdat ons voordeel op de armoede en ellende van het volk gefundeerd zou zijn. En terwijl ik die woorden uitsprak ging eensklaps de waarheid van wat ik beweerde voor me open. Waar het allemaal om draaide was de waarheid dat de boeren net zoals wij willen leven, dat zij mensen zijn, – onze broeders, de kinderen van één Vader, zoals in de Evangeliën staat. Het was of plotseling een zware last van me was afgevallen, het was als een verlossing. Mijn vrouw werd kwaad en veegde me de mantel uit. Maar ik voelde me innerlijk vreugdevol gestemd. – En dit was het begin van mijn krankzinnigheid.

uit: dagboek van een krankzinnige – Leo Tolstoj, uit: De 43ste april, Het Dolhuys, Haarlem ism Van Oorschot, 2008

Kafka doelt op vertrekken

In een boekje over reizen en de koorts die dat bij sommigen van ons opwekt, kwam ik een fragment tegen van Franz Kafka (1883-1924, CZ) over het vertrek. Dat is per slot van rekening het begin van reizen: vertrekken vanaf de plaats waar je gevestigd bent.

Ik beval mijn paard uit de stal te halen. De bediende begreep me niet. Ik ging zelf naar de stal, zadelde mijn paard en besteeg het. In de verte hoorde ik een trompet klinken, ik vroeg hem wat dat betekende. Hij wist er niets van en had niets gehoord. Bij de poort hield hij me tegen en vroeg: ‘Waar rijdt mijnheer heen?’

‘Ik weet het niet,’ zei ik, ‘vóór alles weg van hier, vóór alles weg van hier. Voortdurend weg van hier, alleen zo kan ik mijn doel bereiken.’

‘Je kent je doel dus,’ vroeg hij.

‘Ja,’ antwoordde ik, ‘ik heb het toch genoemd. Weg van hier – dat is mijn doel.’

uit: zeven verhalen, Reflex Joost Nijsen Amsterdam, 1982; vertaling Thomas Graftdijk

kafka; pinterest.com

bron beeld: pinterest.com

Munro leert onderscheid te maken

In het korte verhaal Doop schrijft Alice Munro (1931, Canada) over ontmoetingen van een jonge vrouw met het andere geslacht. Haar eerste vriendje is Jerry Storey, een jongen met een hoog IQ.

Jerry Storey en ik raakten bevriend. We praatten in de gangen. We ontwikkelden geleidelijk onze eigen taal, woordenschat en gespreksthema’s die we met niemand anders deelden. Onze namen verschenen naast elkaar in het kleine, gestencilde, bijna onleesbare schoolkrantje.

(..) Ik vond Jerry duizendmaal eigenaardiger en veel minder aantrekkelijk dan ikzelf, en het was duidelijk dat hij vond dat je door mijn hersens en de zijne in dezelfde categorie te plaatsen liet zien dat je niet het minste onderscheidingsvermogen had. Het was alsof je zei dat Toscanini en de plaatselijke kapelmeester alleibei talent hadden. Wat ik bezat, vertelde hij me ronduit toen we het over onze toekomst hadden, was een eersteklas geheugen, een niet-ongebruikelijk vrouwelijk talent voor taal, een vrij zwak gevoel voor logica en nauwelijks aanleg voor abstract denken. Ik mocht dan oneindig slimmer zijn dan de meeste mensen in Jubilee, zei hij, maar daarom moest ik nog niet mijn ogen sluiten voor het feit dat ik in de intellectuele, prestatiegerichte buitenwereld algauw mijn grens zou bereiken.

(..) Ik nam zijn oordeel manhaftig in ontvangst, omdat ik het niet geloofde. Dat wil zeggen, ik wist dat het waar was, maar voelde me nog steeds sterk staan op terreinen waar hij geen oog voor had en waar zijn manier van oordelen volgens mij niet gold. Ik had geen bewondering voor zijn hersentoeren, want je bewondert nu eenmaal alleen capaciteiten die gelijk zijn, hoewel groter, aan die van jezelf. Ik vond dat zijn hersens op een circustent leken vol vage apparaten waarop hij, als ik er niet was, spectaculaire maar saaie kunstjes uitvoerde. Ik zorgde ervoor dat hij niet merkte dat ik dat dacht. Hij vertelde me blijkbaar eerlijk wat hij van mij dacht, maar ik was niet van plan om eerlijk tegenover hem te zijn. Waarom niet? Omdat ik in hem voelde wat vrouwen vaak in mannen voelen, iets kwetsbaars en verwaands, iets tirannieks en absurds, en dat ik nooit voor de gevolgen zou kunnen instaan als ik me daarin mengde; ik voelde een onverschilligheid, een verachting haast, die ik voor hem verborg. Ik dacht dat ik tactvol en zelfs aardig was; ik dacht nooit dat ik trots was.

uit: levens van meisjes en vrouwen, De Geus Breda, 2014; vertaling Pleuke Boyce

munro, alice; decorrespondent.nlbron beeld: decorrespondent.nl

Pirandello laat Tommasino afglijden

luigi-pirandello, metroct.itbron beeld: metroct.it

Het is het verhaal van Tommasino, de subdiaken die het epistel zingt, die uitgestoten door de mensen noodzakelijkerwijs kiest voor zich terugtrekken. Luigi Pirandello (1867-1936) schiep een kort verhaal waarin hij het malheur van Tommasino uit de doeken doet.

Nu is het zo dat het lichaam, ook als de geest zich vastzet in de diepste smart of in een koppig streven, dikwijls de geest laat zitten en stilletjes, zonder iets te zeggen, zijn eigen leven gaat leiden, genietend van de frisse lucht en van gezonde spijzen. En zo gebeurde het dat Tommasino binnen de kortste keren en haast spottenderwijs, terwijl zijn geest steeds meer wegkwijnde en versomberde in die wanhopige overpeinzingen, het welgevoede, weelderige lichaam had gekregen van een dikke abt.

Tommasino? Tommasone was hij nu, Tommasone zingt het epistel! Wie hem zag zou zijn vader gelijk geven. Maar in het dorp wist men wat voor leven de arme jongen leidde; en geen enkele vrouw kon beweren dat ze door hem was aangekeken, zelfs niet vluchtig.

Zich niet meer bewust zijn van zijn eigen bestaan, als een steen, een plant; zich zelfs zijn eigen naam niet meer herinneren; leven om te leven, zonder te weten dat hij leefde, als de dieren, de planten, zonder gevoelens of verlangens of herinneringen of gedachten, zonder nog maar iets dat het leven zin en waarde gaf. Zo: languit in het gras, zijn handen ineengestrengeld achter zijn hoofd, kijken naar de verblindend witte wolken in de blauwe lucht die bol stonden van de zon, luisteren naar de wind die in de kastanjebomen van het bos een geluid maakte als het ruisen van de zee, en in de stem van de wind  en in dat geruis als uit een eindeloze verte de vergeefsheid van alle dingen en de beklemmende eentonigheid van het leven horen.

Wolken en wind.

uit: hij zingt het epistel; uit: De bokkesprong, Coppens & Frenks Amsterdam, 1992; vertaald door Marije de Jager en Anthonie Kee

Luigi Pirandello (1867-1936, Agrigento, It)

Langs het water: de eigenschappen

HM-van-den-Brink; letempsretrouve.nl.jpegbron beeld: letempsretrouve.nl

Schrijver en journalist H.M. van den Brink (1956, Oegstgeest) schreef de novelle Over het water en werd daarmee bekend. In het korte verhaal Altijd naar zee gaat het onder andere over de herinneringen van het hoofdpersonage aan de Rijn en een dal waardoor de rvier stroomt. Vanaf de zolderkamer van het verblijf kijkt de jongen over het dal en naar de vloeiende verbindingsweg met de zee.

Zonder dat ik mij ervan bewust was, ontdekte ik tijdens die uren in het zolderraam een van de belangrijkste en merkwaardigste eigenschappen van het water. Water, dat zelf tijdelijk is en zich voortdurend wil verplaatsen, bepaalt het karakter van het landschap veel meer dan een berg, een bos, of een dal. Zo’n berg is niet meer dan een berg, die blijft wel staan, en een vlakte, aan zich zelf overgelaten, strekt zich altijd uit over het precieze aantal meters dat haar is toebedeeld. Behalve wanneer het water zich ermee bemoeit. Het water legt zijn wil op en is tegelijk ongrijpbaar, het lijkt of het zich aanpast aan de omstandigheden maar uiteindelijk schikken de omstandigheden zich altijd naar het water. Het water heeft de tijd; het is er en het is er niet want door een rivier stroomt nooit hetzelfde water; het water is de tijd en krijgt daarom altijd gelijk.

Zo komt het ook dat het water, dat zeer betrouwbaar en zeer onbetrouwbaar is, tegelijk geen kleur en alle kleuren heeft. water is blauw, het is groen, grijs en paars. Maar ook rood water heb ik gezien en water van goud. Zilverkleurig water is zelfs heel gewoon. Als de beweeglijkheid van het water zijn karakter is, dan is die veelkleurigheid het geheugen. Maar veel onderscheid tussen karakter en geheugen bestaat er naar mijn overtuiging niet. Probeer een foto te maken van stromend water. Wat je krijgt is een stilstaand moment uit de omgeving van een rivier.

uit: altijd naar zee, Atlas Amsterdam ism Unie van Waterschappen, samenstelling Marga Kool, 2002

H.M. van den Brink (1956, Oegstgeest)

Munro: het moederlijke verraad

munro; rtve.esbron beeld: rtve.es

Een opgroeiend meisje, een puber, verhaalt over haar eerste seksuele ervaringen met het andere geslacht in Levens van meisjes en vrouwen. Een kort verhaal uit de gelijknamige bundel verhalen van schrijfster Alice Munro (1931) die mij zonder moeite meeneemt in haar realistische verhalen waarvan je denkt (en verwacht) dat ze gebaseerd zijn op ware gebeurtenissen.

Maar eerst komt de verhouding van de hoofdpersoon met haar moeder aan de orde:

Dat ze over mijn kinderen sprak verbaasde me ook, want ik was niet van plan kinderen te krijgen. Ik was op glorie uit wanneer ik als een banneling of een spion door de straten van Jubilee liep, zonder te weten uit welke hoek die roem zou komen, er alleen in mijn hele wezen van overtuigd dat het zou gebeuren. Mijn moeder had deze overtuiging ooit gedeeld, ze was mijn bondgenoot geweest, maar nu besprak ik het niet meer met haar, want ze praatte haar mond voorbij en haar verwachtingen waren te concreet geworden.

uit: levens van meisjes en vrouwen – Alice Munro, De Geus Breda, 2014; vertaling Pleuke Boyce

Franca Treur lost een probleem op

IMG_5647

Problemen oplossen

Mary is op zolder bezig als de telefoon gaat. Op televisie was de lente uitgeroepen en ze heeft net de radiatoren uitgedraaid.

Ze komt haast nooit op zolder, ze heeft er weinig reden toe. Er staan alleen wat kampeerspullen die ze nooit gebruiken. Ze kunnen eigenlijk net zo goed weg, maar als Mary de tentzak richting het trapgat sleept, is hij zwaarder dan ze verwacht. Ze klopt het stof eraf en wordt daarbij overvallen door herinneringen. Herinneringen waarvoor ze zich een beetje schaamt. Ze hebben te maken met een man. Een man die niet Jake is, een andere man. Dan gaat de telefoon en voelt Mary zich betrapt.

Het is Ginny, de vrouw van een collega van Jake, met wie ze regelmatig uit eten gaan. Heb je het gelezen, zegt ze, van die kinderen uit Honduras en Guatemala? Ze komen naar ons toe, zonder ouders, zonder spullen. Ze slapen op de grond in de openlucht. We moeten iets doen.

Mary moet even bedenken waar Ginny het over heeft. Ze leest zelf geen krant, dan valt het haar in dat Ginny waarschijnlijk de kinderen bij de Mexicaanse grens bedoelt. Daar was laatst iets over op de televisie. Ze heeft niet het hele item gezien, ze was er middenin gevallen. Jake had er nog iets over gezegd.

Ja, verschrikkelijk, zegt ze tegen Ginny. Al die kinderen in de openlucht. Ze probeert hen voor zich te zien, onbeschermd tegen weer en wind.

Volgens mij hebben wij nog ergens een tent, zegt ze bedachtzaam, alsof ze net een inval krijgt. We gebruiken hem eigenlijk nooit.

Haar arm tast naar de muur. Ze voelt zich wiebelig. Hoe kan het, dat ze juist vandaag die tent heeft willen wegdoen? En dat juist nu Ginny belt`? Is dat niet meant to be? Geen mooiere bestemming dan een goed doel, voor iets wat zo besmet is.

Een groot geluksgevoel neemt bezit van Mary. Een tent voor onschuldige kinderen is een zuivere tent. Dit is vergeving! Haar zware last is ineens veranderd in een licht geschenk.

Een tent? vraagt Ginny verbaasd. John en ik willen proberen zo’n kind in huis te nemen, en ik dacht: jullie hebben daar zo’n grote lege zolder!

uit: x&y – Franca Treur, Prometheus Amsterdam, 2016; illustratie: Olivia Ettema