Uitsluiting en onveiligheid bij Hugo Claus

Hugo_claus; cityofliterature.nlbron beeld: cityofliterature.nl

Het is een boek uit de Vlaamse Bibliotheek-reeks: De zwarte keizer van Hugo Claus (1929-2008). Het zijn zijn eerste schrijfselen. Korte verhalen die een voorbode zijn van wat later komt (Het verdriet van België). In Het huis in de struiken vertelt de ik-figuur, Lena, over haar beklagenswaardige jeugd-ervaringen. Uitsluiting door vriendinnen en onveiligheid in de eigen familie.

De hele bende met Frieda en Mia Schapers en Monique kwam rond mij staan tijdens de speeltijd. Zij zongen over een meisje en haar moeder in het bos. En ik stond tegen de ijskoude stenen van de schoolmuur en ik voelde hoe het in mijn hoofd en in de korrelige stenen klopte. ‘Je moeder gaat niet naar de Mis. Je kent je lessen niet,’ zong Frieda Coppens en Monique zong: ‘Ze hebben geen wc. Zij pissen in de struiken.’ De hele lange weg heb ik toen gelopen naar huis. Langs de stallen van het kasteel, door het dreefje en langs het voetbalveld heb ik geschreeuwd, zo hard dat mijn stem oversloeg en mijn keel pijn deed, dat wij wel een wc hadden.

Het is waar ook. Moeder had aan Monique gezegd dat zij maar in de struiken moest gaan want de wc was verstopt. Het zijn allemaal leugenaars, zondaars, met verrotte zielen.

(..)

Nooit heb ik zo dicht bij grootvader gezeten. Ik kan in zijn harige oren blazen, aan zijn neus trekken, aan zijn wenkbrauwen likken, alles met hem doen als met een pop. Toen moeder hem kamde en hij, mors-hartstikke-dood, liet begaan, haperde de kam in zijn grauw krulhaar. Toen kon zij er met trage, lange streken door. Ik ben vaak bang geweest voor grootvader, toen hij leefde. En kwaad op hem. Zoals toen hij mijn hond heeft doodgeslagen met een baksteen. En ik Bobbie terug uit de put haalde, waar hij hem gauw begraven had. Ik heb de hond op de keukentafel gelegd ’s avonds, de uitgerafeld, verhakkelde Bobbie met zijn gebroken linkeroog. En op de binnenkaft van mijn klasdagboek heb ik alle straffen opgeschreven die ik voor grootvader heb bedacht en die ik, als ik groter word, zou…

uit: het huis in de struiken; uit: De zwarte keizer – Hugo Claus, De Prom Baarn, 2001

Hugo Claus (1929-2008, Brugge, Be)

Fabels? Aesopus!

Ik kende de fabels van La Fontaine (1621-1695, Fr). Zo leerde ik dat toen, lang geleden. Nu kwam ik een boekje tegen: Fabels van Aesopus, bijeengebracht door Phaedrus en in een Nederlandse bewerking door Johan van Nieuwenhuizen. Wat bleek? De fabels worden toegeschreven aan Aesopus, een tot slaaf gemaakte dichter, die rond 550 v. Chr. geleefd zou hebben in Phrygië, Klein Azië. De man, die gebocheld was, leefde op het Griekse Samos, werd vrijgemaakt en ging reizen, onder andere naar het Verre Oosten. Het verhaal gaat dat hij in Delphi gewelddadig om het leven kwam.

Deze Aesopische fabels werden voor het eerst bijeengebracht door de Syriër Babrius of Babrios. 40 na Chr. is het Phaedrus die ze in het latijn bewerkt en er een aantal aan toevoegt. In de Middeleeuwen komen de fabels in de uithoeken van Europa terecht. In Nederland volgde in 1699 een bewerking door David van Hoogstraten. De versie van Van Hoogstraten is de basis voor de bewerking door Johan van Nieuwenhuizen. Uit deze bundel Fabels van Aesopus de volgende fabel die uiteraard de wolf als thema heeft.

De wolf en het lam

aesopus fabel, wolf lam

Dorst bracht de wolf en ’t lam eens saam bij een rivier. Stroomopwaarts dronk de wolf; veel lager ’t andere dier. Het lam deed dit bewust om niet de wolf te hindren, maar deze, dwars van aard, voelde zich nu de mindre. Twistziek, op ruzie uit, roept weldra dus de wolf: ‘Houd op! Je maakt dat hier het water vreselijk golft. Ik ging, als ik je was, mijn dorst maar elders lessen!’ Het lam, geschrokken wel, vraagt fier: “Wil je mij pressen van hier te gaan? Maar wolf, je klacht is heus misplaatst. Bedenk: het is de stroom, die jou bij het drinken plaagt.’ De wolf, verbrouwereerd, weet eerst niets terug te zeggen. Het spijt hem, dat het lam zijn klagen kon weerleggen. Onredelijker nog voegt hij er dan aan toe: ‘Een halfjaar terug alreeds was jij onheus, en hoe!’ ‘Maar wolf, dat kan toch niet! ‘k Was toen nog niet geboren.’ ‘Wat maakt dat voor verschil? Dan was ’t je vaders horen die mij gekwetst heeft, knaap. Hij heeft het nooit geboet…’ En met dat hij dit zegt, drinkt hij het lam zijn bloed.

uit: fabels van Aesopus – Johan van Nieuwenhuizen; Het Spectrum Utrecht, 2000

illustratie: J. van Vianen

Nieuwe naam, nieuwe identiteit

In het korte verhaal Wanda Lota van J. Bernlef volgen we een pubermeisje dat haar lichaam ziet en voelt veranderen. Ze woont bij haar moeder. Haar vader is vertrokken naar een nieuwe, jongere vriendin.

Ze had het warm, sloeg de dekens van zich af. Met haar kin op haar borst gedrukt keek ze over haar buik naar haar voeten. Haar vader had haar Jessica genoemd. Hij had haar naam bedacht. Mannen gingen over namen. Ze drukten een stempel op je dat je nooit meer kwijtraakte. Eerst gaven ze je een voornaam en later, als je ging trouwen, raakte je je achternaam aan een van hen kwijt. De moeder heette eigenlijk Loman. Zo werd ze als meisje genoemd, Jannie Loman.

Jessica mompelde haar eigen naam, wel twintig keer. Hij kwam haar even onwezenlijk voor als dit lichaam dat haar vertelde dat ze honger had, dat ze die beschuit moest opeten. Ze schudde resoluut haar hoofd. Waarom zou je je naam niet veranderen als je besloten had iemand anders te worden?

uit: Wanda Lota; uit: Cellojaren – Bernlef, Querido Amsterdam, 1996

bernlef; yasni.nl

bron beeld: yasni.nl

Bijna iedere dag muziek: Bob Dylan en The Byrds

Er moet toch, zei de clown tegen de dief, / een uitweg zijn uit al dit ongerief? / De patsers drinken wijnen uit mijn gaarde, / ploegen mijn grond, maar niemand kent de waarde.

De dief zei: Hou je rustig, heb geen grief. . Voor velen mist het leven perspectief. / Wij laten achter ons wat ons bezwaarde. / Niet kwaadspreken. Het wordt al laat op aarde.

En langs de wachttoren, waar prinsen staarden, / was het verkeer van vrouwvolk intensief, / rond wie blootvoetse dienaren zich schaarden.

Een kater jankte verre van poeslief. / Twee ruiters kwamen nader op hun paarden, / terwijl de wind zich huilende verhief.

Zijn de verhalen over het begin / van Mr. Tambourine Man dus, nou waar? / Spelen Lou Adlers sessiemensen daar, / Met als enige echte Byrd McGuinn?

Ja, van Columbia moest het vlug klaar, / en hun manager vond ze nog te min. / Alleen het zingen doen ze zelf erin, / En Roger speelt de twaalfsnarige gitaar.

Het lijkt op Sweetheart of the Rodeo / net of Gram meedoet met een zangsolo, / hoewel hij er niet bijstaat. Is dat zo?

Lee Hazlewood had een contract met hem. / Oorspronkelijk werd het gedaan door Gram. / Wat toen vervangen is door Rogers stem.

uit: 1000 sonetten 1966-1996 – Jan Kal, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1997

Bernlef beschrijft de bevrijding door de zintuigen van een vrouw

bernlef; nrc.nlbron beeld: nrc.nl

Bernlef heeft als schrijver naam gemaakt met Hersenschimmen, een boek over dementie vanuit het oogpunt van de dementerende. Hoe de wereld langzaam afbrokkelt en je uit het normale doen raakt, werd raak beschreven. Wat mij daarbij opviel is hoe het Bernlef lukte zijn empathie om te zetten naar een geloofwaardig verhaal, naar echte taal die binnendringt.

Iets dergelijks gebeurde bij het lezen van het korte verhaal Bevrijding. In flarden trekken de belevenissen van een vrouw tijdens de Tweede Wereldoorlog voorbij. Aldus:

De radio was ook weg op het laatst. Ingeleverd. Dat moest. Je mocht niet meer luisteren. Voor mij was dat het ergst. Dat begrijpt u toch? Zolang er nog radio was ging het wel. Maar toen werd het stil. Dat is het eerste wat ik mij herinner. Het was stil. Doodstil. Ik zat altijd op dezelfde plaats, in de erker. Ik luisterde naar buiten. Hoorde de metalen banden rond de wielen van een handkar. Dat geratel weerkaatste de huizen.

(..)

En altijd die brandlucht. Schroeilucht. Dat was het meer. Alles werd in zo’n kacheltje, zo’n noodkacheltje gestopt. Oude schoenen, karton, hout. Het hele dressoir hebben ze opgestookt. Een mens doet wat om warm te blijven.

(..)

Je hoorde ze wel eens voorbijkomen. Het ijzerbeslag van hun laarzen. En alles in de maat. Soms met gezang erbij. Opgewekt en toch diep treurig. Jongens waren het, zo te horen. Maar hier voor de deur bleven ze nooit staan. Misschien zagen ze me zitten, misschien ook niet.

Ik zat voor het raam. Al die tijd. Alleen als er in de lucht gevochten werd dan haalden ze me weg. Dan moest ik onder tafel. Dicht tegen hen aan. Iedereen rook naar zweet. En buiten de flak. Flak-flak-flak. Van die korte rafelende stoten achter elkaar. En hoog daarboven dat doffe brommen. dan kwamen ze over.

(..)

Bang ben ik nooit geweest. Bang werd ik pas toen het bevrijding werd. U moet zich goed voorstellen hoe of dat was. Iedereen liep opeens de straat op. Waren ze mij toen maar vergeten. Hadden ze mij toen maar laten zitten. Zoals nu, hier op mijn gemak, met mijn tas. U luistert. U blijft op uw plaats zitten. Er is een zekere afstand. Ik voel me veilig. De tas staat open maar ik weet dat u er niets uit zult halen.

(..)

Hij nam me mee. Weg uit het lawaai. Ik was ze kwijtgeraakt. Niemand luisterde. Ze leken wel gek geworden met z’n allen. Schreeuwden als beesten. Hij sprak Engels dus het zal wel een Canadees zijn geweest. Hij nam me mee, weg van dat geschreeuw, een plek waar het stil was. Om ons heen hoorde ik kievieten roepen. Ik hoor ze nog om me heen terwijl ik op mijn rug lag. Ze riepen elkaar. Hij praatte Engels. Het hoorde bij de bevrijding. En wat kon ik anders. Ik had er wel van gehoord maar het nooit gevoeld. Het was vlug voorbij. Een beetje pijn. Niet erg. Dat was alles. Hij had een mooie spitse kin en harde wenkbrauwen. What’s your name. Ik heet Liza zei ik.

(..)

Het was een jongentje. Ze hebben het meegenomen. Het is naar een tehuis gebracht. Hoe moet een blinde nu voor een kind zorgen, zeiden ze.

(..)

Hij weet niet eens dat ik nog leef. Dat ik zijn moeder ben. Straks ben ik dood en dan weet hij het nog niet. Nooit. Dat hij er nooit naar gevraagd heeft. Raar. Je wil toch weten wie je moeder is? Of misschien ook niet.

uit: bevrijding; uit: Doorgaande reizigers, Querido Amsterdam, 1990

J. Bernlef (1937-2012, Sint Pancras)

Herman Leenders Dicht de Dag

h.leenders; hln.bebron beeld: hln.be

Deemoed

Deemoed is een deugd / van lage deuren / en van boer Bral. Hij loopt gebogen / zoals een dak van het dragen.

Zoals bomen naar het oosten groeien / met diepe kloven in hun schors / en ogen als verse wonden / in het oude uitgedroogde hout.

Hof van Eden

Zij wil over het muurtje gluren / waar de appelbomen bloeien. / Zij zet haar sandaal in mijn gevouwen handen / maar schiet naar beneden.

Zacht als een hondensnoet / is het tussen haar benen / warm en klam, voor ik loskom / uit mijn gebeden.

Deemoed uit: Ogentroost, gedichten, Prometheus Amsterdam, 1991; Hof van Eden uit: Landlopen, gedichten, Prometheus Amsterdam, 1995

Herman Leenders (1960, Brugge, Be)

De absurde gedichten van Hans Arp bevielen Bernlef

Een oude catalogus van het Limes Verlag in Wiesbaden bracht mij op het spoor van de gedichten van beeldhouwer/dichter Hans Arp (1887-1966). De absurde gedichten van Arp, vooral in zijn bundel Auf einem Bein uit 1955, bevielen mij omdat Arp er in die bundel in was geslaagd nonsensicale gebeurtenissen binnen de strenge vorm van een sprookje te brengen. In die gedichten heerste een vrolijk soort causaliteit die steevast uitliep op het uit elkaar vallen van vaststaande afspraken en vormen. Zo zijn ook deze gedichten een afspiegeling van wat Arp in zijn beeldende werk interesseerde: het punt waar de vorm terugkeert naar het vormloze (en het vormloze naar een vorm op zoek gaat).

uit: alfabet op de rug gezien – J. Bernlef, Querido Amsterdam, 1995

hans arp; stiftungarp.de

Hans (Jean) Arp tussen enkele van zijn beeldhouwwerken. bron beeld: stiftungarp.de

Met een groen lijf

De stad en alles daarin is groen / Binnen de kortste keren worden reizigers / die deze stad bezoeken groen. / Velen komen uit verre landen aangesneld / om groen te worden. / Enkelen brengen hun paarden en honden mee / opdat ook zij groen zullen worden. / Alle bewoners van deze stad / op enkele uitzonderingen na / zijn grasgroen en benijden de paar / die al groen als dennebomen zijn. / Slechts één bewoner van deze stad wordt niet groen. / Wat zou hij er niet voor geven om groen te worden! / Volgaarne zou hij dagelijks kleiner en kleiner worden / als hij maar groen was. / Hij lijdt er verschrikkelijk onder / en verkeert in een uiterst opgewonden toestand. / Uit jaloezie slaat hij zachte groene planten kapot. / Hij is ontroostbaar / omdat hij niet groen is. / Met een groen lijf / zo denkt hij / zou het leven kinderspel zijn.

uit: Auf einem Bein – Hans Arp, Limes Verlag, Wiesbaden; vertaling J. Bernlef

De Nijhoffs: ‘Dat ik liefheb, is dat uit, voorgoed?’

Nijhoffs in sankt moritz; fembio.orgDichter Martinus Nijhoff en zijn vrouw Netty op de ski in Sankt Moritz. bron beeld: fembio.org

Schrijfster Marja Pruis doet in De Nijhoffs of de gevolgen van een huwelijk, verslag van een zoektocht naar het ware verhaal achter het huwelijk van Martinus ‘Pom’ Nijhoff, de dichter, en zijn vrouw Netty. Daarbij verzucht zij ergens halverwege het boek:

een zekere mate van onbestemdheid lijkt noodzakelijk om mijn speurtocht naar haar leven voort te kunnen zetten. Het zolang mogelijk botvieren van de gedachte dat een levensverhaal minstens dertig kanten heeft. Maar eigenlijk is het natuurlijk pure angst.

Voorbij de helft van het boek worden de contouren wat duidelijker. Als het gaat om hoe de omgeving van de dichter hem heeft ervaren:

Hij had de gewoonte om alles en iedereen af te kammen, Slauerhoffs dichtkunst bijvoorbeeld (‘gejat en overschat’), volgens Vestdijk meer bij wijze van verbale training dan voortkomend uit jaloezie, zoals Du Perron dacht. Wat er ook over hem werd gezegd en gedacht, zijn meesterschap was onaantastbaar en onbetwist. ‘Je moet goed begrijpen,’ zei Marsman, ‘het is altijd Pom Nijhoff.’ Of het nu een speels booswichtje was (Vestdijk), een nomade met een leren koffertje (Faan, zijn zoon), of een prins in het kostuum van burgerman (Elschot), het was altijd: Pom Nijhoff.

‘Onder mijn huid leeft een gevangen dier / Dat wild beweegt en zich naar buiten bijt’ dichtte de dichter zelf. In De pen op papier uit 1926, zijn poëtische beginselverklaring, beschrijft Nijhoff de twee figuren die in de dichtersziel met elkaar in gevecht zijn: de burgerman en de avonturier. Een opvallend verhaal, een van de weinige prozastukken van Nijhoff, over een artistieke worsteling: Dichter laat pen boven papier zweven zonder resultaat en wordt uit impasse geholpen door een Rattenvanger van Hamelen-figuur. Vederlicht verteld als was het een sprookje, maar door de manier waarop de vrouw en de zoon van de dichter aan het eind een verlossende rol krijgen toebedeeld, wordt het zwaar melancholiek. Achter De pen op papier neemt Nijhoff dan ook nog eens zijn vertaling van een fabel van La Fontaine op, De twee duiven, waarin met grote weemoed een verloren liefdesgeluk wordt bezongen. Van een liefhebbend stel duiven houdt de een het thuis niet meer uit en gaat op reis, ondanks het verdriet van de ander. Onderweg overkomen de reisluchtige duif de verschrikkelijkste rampen. Zwaar gehavend keert hij terug op het nest. Moraal van het verhaal: ga nooit te ver weg van je geliefde, de rest heeft toch geen waarde. Tegelijkertijd weet de verteller van het verhaal maar al te goed hoe weerloos hij ooit was. Vertwijfeld vraagt hij zich tot slot dan ook af: Dat ik liefheb, is dat uit, voorgoed?

uit; de Nijhoffs of de gevolgen van een huwelijk – Marja Pruis, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1999

Marsman Dicht de Dag

hendrik marsman; linteratuurmuseum.nl

bron beeld: literatuurmuseum.nl

Zonder weerklank

Volk, ik ga zinken als mijn lied niet klinkt; / ik moet verdrogen als gij mij niet drinkt; / verzwelg mij, smeek ik – maar zij drinken niet ; / wees mijn klankbodem, maar zij klinken niet.

H.Marsman (1899-1940, Zeist)

uit: de dichter en de muze, boekenweekgeschenk 1964; bijeengebracht door Anthonie Donker