Luuk Gruwez: Estetika

Estetika

het sierlijkste is niet de zwaan, maar het water / waar de zwaan zich spoorloos in weerspiegelt / en de rimpeling van vriendelijke huiver / die zij door haar stil bewegen weeft.

het sierlijkste is niet je lichaam, maar de spiegel / waar het lichaam licht bezeerd weerspiegeld wordt / (en rimpels toont als rimpelen in water) / en hoe een hand ontastbaar haast / verschuift over je huid, / en hoe een streling dan, / als een omhelzing van zichzelf, / op jouw lichaam liggen gaat.

terwijl mijn blik die dat niet blijvend / vangen kan, gevangen blijft, en onomhelsd, / zoals wie ééns genodigd tot genot, / daarna voorgoed gegijzeld blijft in pijn.

gruwez, uitinvlaanderen.bebron foto: uitinvlaanderen.be

Luuk Gruwez (1953, Belgisch)

Uit: De feestelijke verliezer, Manteau Antwerpen, 1985

Advertenties

Jan Campert: sonnetten voor Cynara 14

Sonnetten voor Cynara 14

Rebel, mijn hart, gekerkerd en geknecht, / die aan de tralies van den al-dag rukt, / weest om uw tijdlijk lot geenszins bedrukt, / al zijn de kluisters hard, de muren hecht.

Want in den aanvang werd het u voorzegd, / dat het aan enkelen steeds is gelukt / het juk te breken, dat hun schouders drukt, / laat dus niet af maar vecht en vecht en vecht.

Breekt uit en blaast de doove sintels aan, / die zijn verdoken onder ’t rookend puin; / vaart storm-gelijk over den lagen tuin, / die Holland heet; slaat dood’lijk toe en snel / opdat het kwaad schrikk’lijk zal ondergaan, / o hart, mijn hart, o bloedroode rebel.

jan campert, literatuurpleinbron foto: literatuurplein.nl

Jan Campert (1902-1943, Spijkenisse)

Uit: Verzamelde gedichten, Stols Den Haag, 1947

Jeugd Rutger Kopland: ‘een paard te zijn in een weiland, onder de paarden’

Paard

kopland-paard2_FotorIn veel van mijn gedichten komen paarden voor. Dat komt, omdat ik een paard heb willen zijn. Het is minder geworden, maar overgaan zal het wel niet. Nu ik erover nadenk komt het zelfs weer vrij sterk terug. Ik herinner mij nu dat ik met mijn broer speelde, dat ik paard was en hij mij mende. Nog voel ik de ergenis over de geringe gelijkenis van mijn lichaam met dat van een paard. Het vervelendste was nog dat mijn broer mij af en toe vragen stelde die een paard nooit zou kunnen beantwoorden. Tot verbazing van mijn veel jongere broer hinnikte ik dan, want ik kon niet praten. Ik herinner mij ook hoe ik eindeloze pogingen heb gedaan om een paard te tekenen. Duizenden tekeningen heb ik gemaakt, ze zijn allemaal mislukt, allemaal hadden ze die ellendige houterigheid die de illusie verstoorde.

Maar het meest levendige gevoel dat ik uit mijn jeugd kan terugroepen is de droom een paard te zijn in een weiland, onder de paarden. Als dat even lukte, als ik even mijn eigen lichaam als het ware verlaten had, was dat geluk, dat woordeloze, gedachtenloze, lichaamloze gat, waaruit ik als een paard te voorschijn kwam, ver weg in een weiland. Dit fotootje maakt me weemoedig; ‘onze dromen zullen wijken voor de feiten, nooit andersom, nooit andersom,’ schreef ik ongeveer dertig jaar later. Er is niet meer dan een weiland en een elfjarig jongetje op zijn knieën met zijn gezicht in een pan. Niet andersom.

Rutger Kopland (1934-2012, Goor)

Uit: De gevoelige plaat – Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1995

Herman de Coninck: je truitjes en je witte en rode…

Je truitjes

Je truitjes en je witte en rode / sjaals en je kousen en je slipjes / (met liefde gemaakt, zei de reclame) / en je brassières (er steekt poëzie in / die dingen, vooral als jij ze draagt) – / ze slingeren rond in dit gedicht / als op je kamer.

Kom er maar in lezer, maak het je / gemakkelijk, struikel niet over de / zinsbouw en over de uitgeschopte schoenen, / gaat u zitten.

(Intussen zoenen wij even in deze / zin tussen haakjes, zo ziet de lezer / ons niet.) Hoe vindt u het / dit is een raam om naar de werkelijkheid / te kijken, alles wat u daar ziet / bestaat. Is het niet helemaal / als in een gedicht?

Uit: Onbegonnen werk, Gedichten 1964-1982, Manteau Antwerpen, 1984

de coninck, demorgen.bebron foto: demorgen.be

Herman de Coninck (1944-1997, Belgisch)

Roger M.J. de Neef: rivieren, zij zijn de bloedsomloop van de aarde

Rivieren, zij zijn de bloedsomloop van de aarde

Rivieren, zij zijn de bloedsomloop van de aarde. / Ook al sluiten zij de ogen, / Zij openen het land als verse lakens / En rusten nooit.

Rivieren, zij verwijderen zich van hun oorsprong, / Keren nooit terug en blijven aan zich zelve gelijk. / Meerdere malen leggen zij het oor te luisteren en / Horen hoe de vissen hun bolle buiken / Berijden en bereizen.

Rivieren vieren weleens feest of praten met de lucht. / Zij rapen de winden op en winden zich op / Zij vermenigvuldigen het voedsel / En in hun lenden landen de zo levendige steden.

Rivieren zijn minnaars, / Met hun laatste monden / Werpen zij zich in zee.

Uit: De vertelkunst van de bloemen, Manteau Antwerpen, 1985

De-Neef, schrijversgewijs.bebron foto: schrijversbewijs.be

Roger M.J. de Neef (1941, Belgisch)

Het schilderij spreekt tot u: Specht en zoon van Willem Jan Otten

Wat het werkelijk betekent om drager te zijn besefte ik pas toen ik in de imprimatuur stond. Er verschijnt iets op je, maar je krijgt het niet te zien. Daar komt het op neer. Steeds detaillerender blikken vang je, steeds minder begrijp je van jezelf.

Natuurlijk, het is een onbeschrijfelijke ervaring om voor het eerst bestreken te worden, aanvankelijk door de brede, platte kwast waarmee de imprimatuur wordt aangebracht, in dit speciale geval: rauwe omber; en daarna, enkele droogdagen later, door het spitse, vliegensvlugge penseeltje dat de omtrek van de voorstelling op je aanbrengt, met schetsende, zichzelf corrigerende bewegingen; en dan, vele weken lang, door de talloze, steeds in dikte en scherpte variërende penselen die langzaam maar zeker dat aan het gezicht onttrekken wat je tot die tijd bent geweest: het doek – maar hoe olieachtig, prikkelend de scheppingsperiode ook is, het doet je allemaal ook steeds schrijnender weten dat je van je eigen bestaan de grote onbekende zult worden.

Nu ik er echt over nadenk, vond ik het boven alles een hersenloze periode, hoe zinnelijk en zinderend het soms ook kon zijn om de verf te voelen opdrogen op mijn huid. Schepper deed niet anders dan neuriën, mompelen, koffiedrinken, een paar stappen achteruit zetten, op zijn lippen bijten, tussen zijn tanden sissen, zijn rechterpink in zijn neus steken, kijken wat hij te voorschijn had gepeuterd, weer naar mij kijken, een tube opduwen, naar het raam lopen, naar de tafel slenteren, de polaroid bekijken, weer op mij afbenen, zijn ogen samenknijpen, een veegje zetten… Hij was, vond ik, op zijn onappetijtelijkst, ik kreeg sterk de indruk dat hij zich om zo te zeggen volkomen onbespied waande, hij was een en al gekijk geworden, niet alleen naar wat hij aan het maken was, maar vooral naar niks, een beter woord heb ik er niet voor, ik vond dat hij heel vaak naar niks staarde, met een lege, om niet te zeggen dode blik, naar de tuin, waar het was gaan dooien, naar de nagelriemen van zijn duim, naar een detail op mij dat hij kennelijk afhad.

(..)

Eigenlijk alleen toen schepper op een plek in het midden, ongeveer een centimeter of twintig links van mijn midden, uitkwam, las ik iets van een schepperspanning van hem af, ik bedoel: leek hij op de schepper zoals ik mij die had voorgesteld en zag ik dat het werkelijk moeilijk en spannend was om te schilderen. Hij schilderde een kwartier lang met de schele aandacht van iemand die een bom demonteert. Welbeschouwd was dit het enige ogenblik waarop ik dacht: ik word iets bijzonders.

Uit: Specht en zoon, Muntinga Amsterdam, 2007

otten, mark krohn, groene.nlfoto: Mark Kohn; bron foto: groene.nl

Willem Jan Otten (1951, Amsterdam)

Komrij: hoog op de gele wagen

Hoog op de gele wagen

Je hebt goddank twee goede longen, want als je / Rookt, dan piep je niet. Je hebt ook een goed hart / Daarbij, want dans je voor je bed een walsje / Dan voel je je, dolgesprongen, niet benard.

Je hebt immers een zeer fijne neus voor vuile / Lucht, en slinks bespoten snijbonen en sla. / Om het zemelloze kadetje kan je huilen, / En je grijpt zesmaal ’s daags naar de tandpasta.

Doch iedere avond laat hoor je, als verlamd, / Weer die stem die je zegt dat je in alles faalde, / En: ‘Beter een half uur gelukkig in de zwaveldamp / Dan tien jaar maf tussen de dennenaalden.’

Uit: Je kon je redden langs een trap van vuur (Ragnarok! Ragnarok!5)

komrij, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Gerrit Komrij (1944-2012, Winterswijk)

Buddingh’: de lariekoekoek

De Lariekoekoek

(vrij naar het leven)

Al wat de lariekoekoek zegt / Wordt door het kleinste kind weerlegd.

Wat hem helaas niet mag beletten / Zijn stem eens extra uit te zetten.

Uit: Het mes op de gorgel, Bruna Utrecht, 1960

Cees-Buddingh-Archieffoto RTV Rijnmondbron foto: rijnmond.nl

Cees Buddingh’ (1918-1985, Dordrecht)

Gonzalo Millán: avond

Avond

Het wordt avond zoals een omgekeerde ochtend, / achterwaarts naar de nacht.

En als de avond valt, / weet niemand / of hij zijn ogen open of dicht doet, / of hij zich uit- of aankleedt, / of hij opstaat of naar bed gaat.

Niemand weet of hij aankomt of weggaat, / of hij de deur opendoet of sluit, / of dit de dromen van gisteren zijn, / of de nachtmerries van morgen.

Gonzalo-Millan, revistasantiago.clbron foto: revistasantiago.cl

Gonzalo Millán (1947-2006, Chileens)

Uit: Vida, 1984; vertaling Mariolein Sabarte-Belacortu

Middellandse Zee: Istanboul

Istanboul

Hagia-Sophia-Istanboel, getbybusbron foto: getbybus.com

Roept de man van de minaret / het simpel gebed: / Allah, Inschallah, / sterren die vallen / schachten van straten, / hopeloos verlaten / dool ik rond / als een hond / door de stad.

Ik wist niet waarheen ik ging / blind achter bittere herinnering / eis tein boulan.

Een vrouw in een donkere straat / ik ben met haar meegegaan; / zal zij mijn taal verstaan / zal zij weten wat mij dreef, wat ik deed? / Zal zij weten welk gruwelijk leed / mij herwaarts dreef naar de stad?

Eis tein boulein / waar armen en rijken zijn / ver van wat ik had en liefhad.

O alles is doelloos en wreed. / Ik weet nauwelijks nog hoe ik heet. / Ik ben zwervende, zwervende, / ik ben stervende, dervende, / maar ik ben dag en nacht wervende / naar een hart dat mijn smart heeft gekend.

Louis de Bourbon (1908-1975, Renkum)

Uit: Verzamelde gedichten, Orion Brugge, 1974