Seamus Heaney: de spoorwegkinderen

De spoorwegkinderen

Toen we de hellingen van de holle baan beklommen / Stonden we oog in oog met de witte knoppen / Van de telegraafpalen en de sissende draden.

Als sierlijk schoonschrift kromden zij zich mijlenver / Naar oost en west van ons vandaan, doorbuigend / Onder hun last van zwaluwen.

We waren klein en dachten dat we niets wisten / Dat het weten waard was. We dachten dat woorden langs de draden reisden / In de blinkende buidels van regendruppels,

Elk ervan geheel bevrucht door het licht / Van de lucht, het glimmen van de lijnen, en wijzelf / Zo onmetelijk verkleind

Dat we door het oog van de naald konden vloeien.

Uit: Mistroostig en thuis, Kwadraat Utrecht, 1987; vertaling Peter Nijmeijer

seamus heaneySeamus Heaney (1939-2013, Castledawson, UK)

Advertenties

Italo Svevo over de literaire roem (die laat kwam)

joyce en svevo, theirishtimesJames Joyce en Italo Svevo (rechts) kenden vanaf 1907 een hechte vriendschap. bron foto: irishtimes.com

De Italiaanse schrijver Italo Svevo (1861-1928, Triëst) heeft lang op zijn literaire doorbraak moeten wachten. Nadat hij al een aantal romans en verhalen had gemaakt en (een deel ervan) gepubliceerd, wachtte er stilte. Om in zijn levensonderhoud te voorzien stortte hij zich in het zakenleven.

In 1907 leerde hij James Joyce kennen. Ondertussen maakte hij kennis met het werk van Sigmund Freud. Hij kwam onder de indruk van Freud’s psychoanalyse. Dat alles leidde tot zijn meest bekende boek: Bekentenissen van Zeno. Die roman zou hem de lang uitgestelde roem brengen.

Over die frusterende situatie waarin de schrijver schrijft maar geen weerklank vindt (bij uitgever en publiek), gaat zijn korte verhaal (novelle) Een geslaagde grap. Daarin de volgende passage over literaire roem:

Bovendien droeg die vervloekte litertuur er haar steentje toe bij om Gaia’s ziel, die er toch volledig van bevrijd leek, te vertroebelen. Je koestert niet straffeloos, al is het maar heel kort, een droom van roem zonder er daarna eeuwig spijt van te hebben en degene die hem blijft koesteren te benijden, ook al zal hij die roem nooit ofte nimmer verwerven. Bij Mario sijpelde die droom uit elke porie van zijn huid, die zo gauw bloosde. De plaats die hem in de Republiek der Letteren niet werd gegund, eiste hij op en bezette hij, bijna tersluiks maar daarom niet met minder recht of met enige beperking. Hij zei wel aan ieder die het horen wilde dat hij al jaren niets meer schreef (waarbij hij gemakshalve de verhaaltjes over vogeltjes vergat), maar niemand geloofde hem, en dat was voldoende om hem met algemene instemming een hoger leven toe te schrijven, hoger dan alles wat hem omgaf.

Uit: Een geslaagde grap, Hema Amsterdam, 1989; vertaling Frans Denissen en Monique Wyers

Erich Fried: vluchtelingen

Vluchtelingen

Vele stierven / deze hier / werden gered

en sterven nu langzaam / aan de verschuldigde dank / jegens hun redders

aan hun dankbaarheid / of / aan hun ondankbaarheid

Erich Fried (1921-1988, Oostenrijk)

fried, tekstsqip

bron foto: teksteshqip.com

Uit: Honderd gedichten zonder vaderland, Van Gennep Amsterdam, 1988; vertaling Hans Bakx

S.Vestdijk: narcissus

Narcissus

De avondwind schudt blaad’ren droog, er stromen / Rimp’lingen, vissen over ’t zand voorbij, / Maar altijd weer maakt mijn gelaat zich vrij / En kan nog uit een steenworp bovenkomen.

Veranderlijk, en toch de eeuw’ge éne / Bezegeling van spiegelavonturen / Is deze glimlach zelfs niet weg te wenen / Door ontrouw water of betraander turen. –

’t Werd nacht, geen bleek gelaat staart meer omhoog, / Hoe ik ook buk en zoek: ik ben verdwenen. / Gevaarlijk krul ‘k mij om, – daar vangt mijn oog / Een laatste schemer op mijn eigen benen, / Gehurkt, en hunk’rend in hun teed’ren boog.

Uit: Vrouwendienst, Nijgh & Van Ditmar Voorburg, 1934

vestdijk06-literatuurmuseumbron foto: literatuurmuseum.nl

Simon Vestdijk (1898-1971, Harlingen)

Buddingh’: de halvemaanvis

De halvemaanvis

De halvemaanvis / Heeft toch zo’n verdriet, / Omdat niemand hem ooit eens / Voor vol aanziet.

Hij houdt zich stilletjes / Schuil tussen ’t wier, / En denkt: was het vast maar / Mijn laatste kwartier.

Soms rolt er een traan / Langs zijn neus naar benee; / Maar wat wil één zo’n traan / In die eindeloze zee?

Uit: Het mes op de gorgel, Bruna Utrecht, 1960

Kees_Buddingh, regionaalarchiefdordrechtbron foto: regionaalarchiefdordrecht.nl

Cees Buddingh’ (1918-1985, Dordrecht)

Gerrit Kouwenaar: nu

nu

Er is geen jezus veranderd / terwijl de geur / van brandend vlees zich verdikt / tot luchtige woorden en welvaart, veroudert / de taal, sneller dan ooit

ik dacht aan darmen plus deze rood / kleurige modder die de eigennamen vermengde / tot grondsop voor zonen, toen ik / uw veertjes uiteenschoof

de meisjes gaan gretiger open, onze kleuters / belikken de maan, in een hangmat / van napalm verdedig ik / het kwetsbare thuisfront –

Uit: 100 Gedichten, Querido Amsterdam, 1969

kouwenaar, Hollandse Hoogte, vk.nlbeeld: Hollandse Hoogte; bron foto: volkskrant .nl

Gerrit Kouwenaar ( 1923-2014, Amsterdam)

Komrij: hoog op de gele wagen

Hoog op de gele wagen

Je hebt goddank twee goede longen, want als je / Rookt, dan piep je niet. Je hebt ook een goed hart / Daarbij, want dans je voor je bed een walsje / Dan voel je je, dolgesprongen, niet benard.

Je hebt immers een zeer fijne neus voor vuile / Lucht, en slinks bespoten snijbonen en sla. / Om het zemelloze kadetje kan je huilen, / En je grijpt zesmaal ’s daags naar de tandpasta.

Doch iedere avond laat hoor je, als verlamd, / Weer die stem die je zegt dat je in alles faalde, / En: ‘Beter een half uur gelukkig in de zwaveldamp / Dan tien jaar maf tussen de dennenaalden.’

Uit: Je kon je redden langs een trap van vuur (Ragnarok! Ragnarok!5)

komrij, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Gerrit Komrij (1944-2012, Winterswijk)

Buddingh’: de lariekoekoek

De Lariekoekoek

(vrij naar het leven)

Al wat de lariekoekoek zegt / Wordt door het kleinste kind weerlegd.

Wat hem helaas niet mag beletten / Zijn stem eens extra uit te zetten.

Uit: Het mes op de gorgel, Bruna Utrecht, 1960

Cees-Buddingh-Archieffoto RTV Rijnmondbron foto: rijnmond.nl

Cees Buddingh’ (1918-1985, Dordrecht)

Gerbrandy: waar zoek je

Waar zoek je

waar zoek je / naar vriend is

het zwart is / het licht is / het schallende

stof zwaai / me op in je / blauw graai me

vast in je / dans voor we

vallen.

op meer dan respijt kan niemand aanspraak maken

gerbrandy, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Piet Gerbrandy (1958, Den Haag)

Uit: drievuldig feilloos vals, Meulenhoff Amsterdam, 2005

Erika Dedinszky: ijstijd

IJstijd

dit wordt de eeuw van ’t grauw

de tijd wringt / los en al losser zit ’t vlees om ’t bot/ de bomen dragen armbanden van rubber / vooruitzichten beslaan / en zelfs ’t licht smaakt wee als sperma, en lauw

je raakt verdoofd gewend tevreden

verloor immers spel na spel / en spelers aan spelers / met als slijmerige inzet: jouw Leed jouw Verleden

en irriterend ben je nou als ’n schaamluis met z’n / miljarden miniatuurdroppels van schier onoverwinnelijke neten

en steeds weer is ’t antwoord: naaien, in plaats van strelen / en spreken, in plaats van praten / en kijken, niet zien

een ijstijd begint met kou / in het vlees de loop de lach de ogen / in zinsbouw en stedenbouw

de ijstijd begint met de kou

erika dedinzsky, wikipedia

bron foto: hu.wikipedia.org

Erika Dedinszky (zie artikel via bijgaande link)

https://www.groene.nl/artikel/vergeten-dichter-erika-dedinszky

Uit: De ijstijd begint met de kou, In de Knipscheer Haarlem, 1980