Jan Arends: ik schrijf gedichten…

jan arends, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Ik schrijf gedichten…

Ik / schrijf gedichten / als dunne bomen.

Wie / kan zo mager / praten / met de taal / als ik?

Misschien / is mijn vader / gierig geweest / met het zaad.

Ik heb / hem nooit / gekend / die man.

Ik heb / nooit / een echt woord gehoord / of het deed pijn.

Om pijn / te schrijven / heb je / weinig woorden / nodig.

Uit: Vrijgezel op kamers. Verzameld werk, samenstelling en bezorging Thijs Wierema, Nico Keuning, Bezige Bij Amsterdam, 2013

Jan Arends (1925-1974, Den Haag)

Karel van het Reve over W.F.Hermans: ‘boosaardig en niet zonder elegantie’

van het Reve, Karel, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Karel van het Reve (1921-1999, Amsterdam) was ‘de broer van’, een groot kenner van de Russische literatuur (als slavist niet heel erg verwonderlijk) en een essayist en polemist die graag de mensen in de gordijnen joeg. Dat deed hij vaak zonder aanziens des persoons.

In de bundel Arnon Grunberg leest Karel van het Reve steekt Grunberg zijn bewondering voor Karel niet onder stoel of bank. Van Karel leerde Grunberg (polemisch) schrijven en nadenken. Nadenken met een dosis nuchterheid en een briljant gevoel voor humor. Dat Maarten Biesheuvel in Karel God zag, vindt Grunberg te ver gaan, maar een halfgod was Van het Reve zeker, drie keer per jaar bij lezing.

Dit gezegd hebbende, Karel van het Reve heeft met zichtbaar genoegen zijn tijdgenoot W.F. Hermans gevolgd. Ook geen gemakkelijke man in de omgang met zijn vakbroeders. Van het Reve schreef er het volgende over:

Zijn stijl is de moeite van het bestuderen waard. Hij weet de indruk te wekken dat hij zijn affecten zonder bijvoeging, gladschuring of achteraf-beredenering te boek stelt. Hij neemt alle dingen die hem in zijn vijand ergeren, (lichaamslengte, manier waarop hij naar meisjes kijkt, te laat komen, gebrekkige kennis van het Frans, redacteurschap van De Nieuwe Stem, spelfouten, gebruik van aan Nietzsche ontleende woorden, gebruik van aan Ter Braak ontleende woorden, kleding, lidmaatschap van commissies) voegt daar alles aan toe waarmee hij die vijand kan ergeren en kwakt het aldus ontstane geheel de lezer voor de voeten. Het resultaat is zeer boosaardig en vaak niet zonder elegantie…

Uit: Arnon Grunberg leest Karel van het Reve, Rainbow Amsterdam, 2004

Karel van het Reve (1921-1999, Amsterdam)

Romain Gary en Jean Seberg: turbulente levens eindigden dramatisch

gary & seberg, pinterest

bron foto: pinterest.at

Schrijver Romain Gary (eigenlijke naam Roman Kacew) werd geboren in Vilnius, Litouwen. Als jongen werd hij op jonge leeftijd in de steek gelaten door zijn vader.  Hij voelde dat als afwijzing, als een ontkenning van zijn bestaan. Gary hield er zelfverachting aan over. Zijn moeder Mina, Russisch van geboorte en met een Poolse jood getrouwd, leefde in het joods getto van Vilnius. Mina moest met Roman veel en vaak op de vlucht voor pogroms. Maar altijd weer die enorme overlevingsdrang en de hoop dat het met haar zoon goed zou komen. Zij hoopte dat haar zoon zou slagen als ambassadeur voor Frankrijk. Roman zelf zag dat anders. Hij wilde vliegenier worden (wat hij deed). Daarna was het adagio: schrijver. Ook dat lukte. Hij won met zijn schrijven zelfs tweemaal een Prix Goncourt.

In het leven van bekende schrijvers duiken soms bekende actrices op. In het geval van Gary was dat niet anders. Rond 1960 ontmoetten Gary en de Amerikaans-Franse actrice Jean Seberg elkaar. Dankzij Seberg werd Gary wereldberoemd. Maar actrice en schrijver werden er niet gelukkig van. Beiden pleegde zelfmoord.

Hoe vaak hij het ook probeerde, Romain Gary kwam zijn zelfverachting niet te boven. Uit angst voor de ouderdom en de aftakeling maakte hij op zesenzestigjarige leeftijd een einde aan zijn leven. Op 2 december 1980 legde hij bij hem thuis, in de rue du Bac in het zevende arrondissement van Parijs, een handdoek op het kussen, ging op bed liggen, stak een revolver in zijn mond en haalde de trekker over.

Vijftien maanden eerder was in Parijs in een Renault 5 het stoffelijk overschot van Jean Seberg gevonden. Na zeven zelfmoordpogingen was de achtste haar fataal geworden. De actrice stierf aan een overdosis slaappillen, kalmerende middelen en drank.

De auto van Jean stond op enkele honderden meters van de ru du Bac geparkeerd.

Op het bed waar Romain Gary de trekker overhaalde, werd een brief gevonden.

“D-day

Geen enkel verband met Jean Seberg. De liefhebbers van gebroken harten wordt verzocht zich elders te vervoegen.

Men kan dit natuurlijk toeschrijven aan een depressie. Maar dan moet men toegeven dat deze al duurt vanaf het moment dat ik volwassen werd en dat deze me toegestaan heeft een literair oeuvre tot stand te brengen.

Dus, waarm? Misschien moet het antwoord gezocht worden in de titel van mijn autobiografische boek De nacht zal kalm zijn en in de laatste woorden  van mijn laatste roman: ‘Want beter kan het niet gezegd worden.” Ik heb me eindelijk volledig uitgedrukt.

Romain Gary”

Zo eindigde het leven van een man die aan de hel van Vilnius was ontsnapt, die twee wereldoorlogen had overleefd, de Eerste in het Oosten, de Tweede in het Westen… Met een paar haastig geformuleerde zinnen, lelijke zinnen, die schreeuwen van eenzaamheid.

Uit: Baltische zielen – Jan Brokken, Atlascontact Amsterdam, 2010

Romain Gary (Roman Kacew) 1914-1980, Vilnius, Litouwen

Tolstoj over Toergenjev volgens Karel van het Reve

Ongeveer een jaar na Toergenjevs dood heeft zijn leerling Tolstoj in een brief getracht een karakteristiek te geven van de man, van wie hij veel geleerd had, die hem in het Westen beroemd gemaakt had en met wie hij het persoonlijk nooit goed had kunnen vinden – het was zelfs een keer bijna tot een duel gekomen. Er zijn drie factoren, schreef Tolstoj, die in een geschrift van belang zijn: wie aan het woord is, hoe hij spreekt, goed of slecht, en: of hij oprecht is. Toergenjev was volgens Tolstoj iemand die op zeldzame wijze deze drie dingen verenigde. Verder, zegt Tolstoj – en men kan de nu volgende formulering niet anders dan gelukkig noemen – vindt men bij Toergenjev drie dingen: geloof in de schoonheid, in vrouwenliefde, in kunst, twijfel aan deze dingen en twijfel aan alles, en, tenslotte, een beschaamd, zich zelden helemaal uitsprekend, ongeformuleerd geloof in het goede.

Uit: Arnon Grunberg leest Karel van het Reve, Muntinga Amsterdam, 2004

Tolstoj (1828-1910, Yasnaya Polyana, Rusland)

Toergenjev (1818-1883, Orjol, Rusland)

Karel van het Reve, groene.nlbron foto: groene.nl

Karel van het Reve (1921-1999, Amsterdam)

Elly de Waard: muze aan de telefoon

Mijn kabels liggen naar je uitgestrekt, / Het net is open, / Cijfers regenen over het landschap, / Lijnen, vaten van communicatie, / Beginnen in patroon te lopen, / Het bloed gaat in galop, het raast en klopt, / En vraagt bellend belet – ben je al op?

O dat het bij je binnen dringt, je lippen / Wijken en ik voel / Hoe je mij toestaat ze met mijn lippen / Te bestrijken. Kussen spatten uit de hoorn. / De muze aan de telefoon! / O help mij dit labyrint / De draad te volgen die ons bindt.

Uit: Furie, De Harmonie Amsterdam, 1981

de waard, elly, deharmonie.nl

bron foto: deharmonie.nl

Elly de Waard (1940, Bergen)

Isaak Babel en de pikante vrouw

Een situatieschets: stel je voor je bent redacteur bij een (literair) tijdschrift en aan de deur verschijnen kandidaten voor een functie. In dit geval zijn het er 9. In onderstaand fragment gaat het om de tweede kandidaat die een gooi doet naar… ja, wat eigenlijk?

Nummer twee is een juffrouw, mager, verlegen en heel mooi. Ze komt al voor de derde keer. Haar poëzie is niet voor de druk bestemd. Ze wil weten – en dat is alles wat ze wil – of het voor haar de moeite waard is met schrijven door te gaan. De redacteur spreekt haar vriendelijk toe. Af en toe ziet hij haar op de Newski Prospekt, in gezelschap van een lange meneer die dan soms heel omstandig een half dozijn appelen voor haar koopt. Die omslachtigheid geeft te denken. De gedichten leggen er getuigenis van af. Zij behelzen de ongekunstelde geschiedenis van haar leven.

Wil je mijn lichaam, -schrijft het meisje – neem het dan, mijn vriend, mijn vijand, maar – waar vindt mijn ziel haar droom?

De redacteur denkt na. Dat lichaam krijgt die meneer straks wel. Alles wijst erop. Kijk maar eens naar die verwarde, hulpeloze blik in die mooie ogen van je. Je ziel zal haar droom minder gauw vinden, maar als vrouw zul je pikant zijn.

In haar gedichten beschrijft het meisje, het ‘waanzinnig-schrikwekkende’, of het ‘waanzinnig-verrukkelijke’ leven, plus een aantal kleine onaangenaamheden en verder nog klanken, klanken, klanken om mij heen, die mij dronken maken, klanken zonder eind…

Je kunt er zeker van zijn dat, als de solide heer zijn werk tot een goed einde heeft gebracht, het meisje zal ophouden met het verzen schrijven en een vroedvrouw zal raadplegen.

Uit: Mijn blocnote; uit: Miniaturen, verspreide verhalen en dagboekbladen, Moussault Amsterdam, 1970; vertaling Charles B. Timmer

Babel, Isaak, groene.nlbron foto: groene.nl

Isaak Babel (1894-1940, Odessa, Oekraïne)

Gerhardt: biecht

Biecht

Ruzies met mijn collega’s hebben niets om ’t lijf. / Ik mag hen graag; vooral de krommen en scheven. / – ik sta ook trouwens zelf van de gebreken stijf – / Alleen, die éne Streber kan ik niet vergeven.

Mijn rector gunt me veel; en zèlfs wel dat ik ‘schrijf’. / De school gaf ik de beste jaren van mijn leven. / Sòms zeg ik dat ik ga, toch weet ik dat ik blijf. / Alleen, die éne Streber kan ik niet vergeven.

Hij is correct; hij heeft mij waarlijk niets misdreven. / Maar gruwelijk strooit distels tussen ’t kiemende zaad / hij, die maar één beginsel heeft: zijn eigen voordeel.

’t Is om dit minne onkruid, dat ik hem zo haat. / Ik werd de laatste tijd toch zachter in mijn oordeel… / Vergeef het mij, ik kan … ik kàn hem niet vergeven!

Uit: Vroege verzen, Atheneum Polak & Van Gennep Amsterdam, 1984

gerhardt, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Ida Gerhardt (1905-1997, Gorinchem)

Het virus: vermoeidheid

Vermoeidheid

gaan liggen / in het bos / en met de keel van de merel / de zon naar de horizon zingen

gaan liggen / en wachten op het groeien van het gras / een woning zijn voor ontheemde slakken

gaan liggen / de regen door mij heen laten spoelen / om elke versteende gedachte te doordrenken

de zon mij laten bleken / om ieder verstard denkbeeld te verteren

gaan liggen / en opstaan / zonder woorden / in een lege wereld

Uit: Kraaiepoten, Nijgh & Van Ditmar Den Haag, 1983

zanger_jan de, nederlandsepoezie.org

bron foto: nederlandsepoëzie.org

Jan de Zanger (1932-1991, Schiedam)

Het virus: eindstation

Eindstation

Onder de dienstregeling / verschieten de wissels / levens die heel anders hadden willen verlopen / maar nu staan te wachten / op een tochtig perron.

Er is geen uitweg zeggen de regenjassen / de koffers, de tassen.

Een luidspreker meldt een wijziging / niemand beweegt.

Onder de draadglazen overkapping / koeren de duiven.

Uit: Wolftoon, Querido Amsterdam, 1986

BERNLEF, wikiwand.combron foto: wikiwand.com

J. Bernlef (1937-2012, Sint Pancras)

Poëzie im Frage: het gedicht als stem, brief

Manifest

Nee, spreek me niet van deze diamant, de ronde kei / Die elk gedicht zou moeten zijn. / Ik wil je stem horen. Je stem

(..)

Ik wil je stem horen. Je stem. Ik wil je stem / Van tollende steden vol zinloze binnenplaatsen, / Je stem die mij kan kleden en mijn ouwe dorst kan lessen / En je stem die alle lauwte uit mij weggestenigd heeft, / Je stem die mij de mens als brood heeft voorgesneden / En je stem die straks mijn keel zal zouten,

(..)

Ja je stem die heftig licht heeft opgehoopt / In de nog niet gelaagde mens, je stem die zingt / Of snikt, je stem die jent / Of mint, maar toch je stem, je stem, tenminste / Een stem.

Uit: Alle tijd van de wereld, Leonard Nolens, Manteau Antwerpen, 1979

Veel duidelijker kan het niet, een stem die in alle toonaarden zingt, snikt, jent, mint. Niet zomaar een anonieme stem, maar – gezegd tegen een dichter – ‘je stem’, waarin die dichter als persoon met zijn hele hebben en houden aanwezig is. Een stem die ook de toehoorder, de lezer, mij, ik, in al zijn vezels raakt, die hem verrukt, houvast geeft, pijn doet en troost, voedt en laaft, die hem doet leven. Inderdaad allerminst een diamant of een ronde kei, geen visselip die lispelt, geen ding. Zozeer als Kouwenaar zich als persoon uit zijn gedichten terugtrekt tot er alleen nog maar het timbre van zijn stem overblijft, zozeer dringt Nolens zich met zijn volle lichaamsgewicht het vers binnen, dat zijn stem nog bijna louter klinkt als de manifestatie van die aanwezigheid. Zijn gedichten zijn als brieven, ze spreken de lezer direct aan met ‘je’, of ze dragen titels als: Tien gedichten voor een vrouw; Tien gedichten voor een vriend; Brief, toevallig in versvorm geschreven; Exit, brief aan een dode, of gewoonweg Brief.

Uit: Over poëzie, Hugo Brems, Arbeiderspers Amsterdam, 1991

nolens, leonard, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Leonard Nolens (1947, Bree, België)