Buddingh’: obsessie

Obsessie

Uit de verschanste schoorsteen waait / roet in ons schamel eten; / een onervaren zoeklicht zaait / onkruid in ons geweten.

De wolf heft zijn bebloede klauw / over de laatste rozen; / het vuur danst vloekend door het woud / en doet de hemel blozen.

De leeuwrik klimt in ’t wolkenwant / en keert niet meer terug; / een argeloze vlinder plant / een mes in onze rug.

Uit; Het mes op de gorgel, Bruna Utrecht, 1960

Buddingh, literatuurmuseumbron foto: literatuurmuseum.nl

Cees Buddingh’ (1918-1985, Dordrecht)

Bas Heine en de eindigheid van de jeugd

Bas Heine is vooral essayist naast vertaler en interviewer. In zijn beschouwend proza buigt hij zich over tal van onderwerpen en kwesties. Thema’s die hij behandelt, bieden een ander zicht op de kwestie. Hij biedt (nieuwe) inzichten. Die inzichten voeden mijn nieuwsgierigheid en dat is wat ik aan zijn werk waardeer. Bovendien schrijft hij als een denker en denkt hij als een schrijver. In 2017 kreeg Heine de P.C. Hooftprijs voor zijn werk als essayist.

Wat je in je jeugd onherroepelijk verliest, wordt altijd onschuld genoemd, maar dat lijkt me het verkeerde woord. Het is het gevoel niet echt in de wereld te staan, niet te zijn vastgeklonken aan de ervaring. In plaats van de ervaring is er de sensatie. Die staat los van het leven, het is een wereld op zich, heftig en kortstondig, niet reëel. Het is oorzaak zonder gevolg. Ze gaat gepaard met een dronkenmakend gevoel van oneindigheid.

Die oneindigheid zat enkel en alleen in je hoofd, ontdek je later. Wat daden betreft stelt het achteraf niet veel voor. Het was een gevoel. Maar al zoek je nu de ervaring, al zou je nu nooit meer zo wezenloos in het leven kunnen staan, je mist de sensatie.

Op het moment dat je dat beseft, is de nostalgie geboren.

Uit: De wijde wereld, Prometheus Amsterdam, 2001

nos.nl, heine basbron foto: nos.nl

Bas Heine (1960, Nijmegen)

Barnard: het meer in mij

Het meer in mij

Het meer in mij vloeit uit een ander meer, / beneden, voort. Het is niet vergelijkbaar groot. / Het is een woord, waarvan de diepte anders is. / Je kunt erin verdrinken, maar je gaat niet dood.

Zijn oorsprongen verwisselbaar? Alles stroomt / ook naar boven, want wateren zijn van hun bron / al evenzeer de bron. Begin dat nooit begon. / Eeuwig is er een rivier, niets blijvends, tussenin.

Mijn meer is niet beneden. Beneden reflecteert / de zon, de schittering van het verleden. Je naam, / in water opgeschreven, vervalt nog niet daarom.

Uit: Het meer in mij, Arbeiderspers Amsterdam, 1986

knack.be, barnardbron foto: knack.be

Benno Barnard (1954, Amsterdam)

Omdat water onophoudelijk stroomt en terugkeert naar zijn bron, omdat water de ongrijpbare stroom én de vlakke spiegel van het meer is, omdat mijn meer, dat een woord is, anders is en hetzelfde als het meer daar beneden, omdat taal meer is dan water. Daarom verdwijnt en blijft je naam, opgeschreven in het water van tijd en taal.

Uit: De dichter is een koe – Hugo Brems, Arbeiderspers Amsterdam, 1991

Bernlef: heel iemand anders

Heel iemand anders

Volgens de bovenmeester was ik een mulo-kandidaat / voorbeeld van grijze middelmaat, onopvallend / verlegen, tot niet bijster veel in staat

Toen mijn vader verhaal kwam halen / keek meester peinzend voor zich uit / zat zo’n jongen werkelijk in zijn klas?

Vader kwam briesend thuis: hij wist / niet eens je naam of wie je was / ik knikte maar wist: meester had gelijk

Hij kon mij niet zien omdat ik jaren / getraind had op onzichtbaarheid / die kunst tot in de puntjes meester was

Vader kwam er later vaak op terug / wilde dat ik van alle markten thuis / de enig juiste richting vond

Ik trainde omgekeerd tot ik / tenslotte plotseling heel iemand / anders geworden voor hem stond.

Uit: Aambeeld, Querido Amsterdam, 1998

bernlef, deusexmachina.bebron foto: deusexmachina.be

J. Bernlef (1937-2012, Sint Pancras)

Eva Gerlach: schoon

Schoon

Twee meter. Almaar magerder. At je, / raakte je alles kwijt dus at je niet. / Die keer dat je? Schoon. Netjes. Pijn geeft niets. / Was naar de wasserette. Goede fiets

Die keer dat je niet. Deur geramd. Hoe kan je / vluchten wanneer je niet meer fietst? gewoon / stilzitten. Kwamen ze binnen, keken, / keek je terug, zei niets. Alles brandschoon.

Van je gedroomd vannacht. Je was weer van je / fiets gevallen, lag spierwit maar kalm / ademend naar de lucht te kijken. Iemand raapte / je spullen van het asfalt, iemand belde / 112, riep ‘nee laat maar’ toen je langzaam / opstond, jezelf afklopte, iemand zei / ‘eet nou eens wat u wordt zo mager,’ hoe je / glimlachte, altijd vriendelijk, omhoog / keek naar de mensen boven, achter ramen / en op balkons. Je boog heel licht je hoofd. / Zo lang. Die keer dat je niet opendeed. / Applaus klonk toen je rustig verder reed.

De eenzame uitvaartbron foto: biancasistermans.com

Eva Gerlach (1948, Amsterdam)

Bij het overlijden van meneer R. voor de Poule des Doods: een dichter schrijft en leest een gedicht voor tijdens een stille uitvaart van iemand zonder familie, vrienden of bekenden. (schrijnend verhaal in De Volkskrant van 9 oktober 2019)

Choman Hardi: de boeken van mijn vader

De boeken van mijn vader

Het was herfst 1988 / toen de boeken van mijn vader uiteenvielen. / Een voor een kwamen ze van de planken, / ontdeden zich van zijn handtekening / en groepeerden zich, naar gekozen bestemming.

De boeken met geweten spleten. / De koppige staken zichzelf in de fik, / té opstandig in hun bezwaren / verkozen zij de dood boven een leven in duisternis.

De andere prefereerden een schuilplaats. / Hopend het licht weer te zien / pakten zij zichzelf in een grote tas, / begroeven zich in de achtertuin, / om vele jaren later te worden opgegraven / verkruimeld, aangevreten door het vocht.

De rest koos duurzamer thuizen / waar ze niet weer verlaten zouden worden. / Ze straalden op de planken van andere mensen / en hielden hun geheim voor zichzelf.

Uit: Life for us, Bloodaxe Tarset UK, 2004; vertaling Bernadette Booij

hardi, crm.booksellers.co.nzbron foto: crm.booksellers.co.nz

Choman Hardi (1975, Sulaimaniya, Irak)

Buddingh’: de schommerhannep

De schommerhannep

De schommerhannep leest Lord Lister, / En vindt zich magisch en sinister.

Hij komt soms plotseling voor u staan, / En staart u enkel zwijgend aan.

Als ge dan beeft, of gilt van schrik, / Is hij een week lang in zijn schik.

Maar als ge net doet of hij er / Niet is, verschiet hij als een ster,

En dwaalt verbaasd langs stille stranden, / En knerst daar ijslijk met zijn tanden.

Uit: Het mes op de gorgel, Bruna Utrecht, 1960

C_Fotor-buddingh'

foto: Hans Peters; bron foto: tzum.nl

Cees Buddingh’ (1918-1985, Dordrecht)

Nijhoff: lied der dwaze bijen

Het lied der dwaze bijen

Een geur van hoger honing / verbitterde de bloemen, / een geur van hoger honing / verdreef ons uit de woning.

Die geur en een zacht zoemen / in het azuur bevrozen, / die geur en een zacht zoemen, / een steeds herhaald niet-noemen,

ried ons, ach roekelozen, / de tuinen op te geven, / riep ons, ach roekelozen, / naar raadselige rozen.

Ver van ons volk en leven / zijn wij naar avonturen / ver van ons volk en leven/ jubelend voortgedreven.

Niemand kan van nature / zijn hartstocht onderbreken, / niemand kan van nature / in lijve de dood verduren.

Steeds heviger bezweken, / steeds helderder doorschenen, / steeds heviger bezweken, / naar het ontwijkend teken,

stegen wij en verdwenen, / ontvoerd, ontlijfd, ontzworven, / stegen wij en verdwenen / als glinsteringen henen. –

Het sneeuwt, wij zijn gestorven, / huiswaarts, omlaag gedwereld, / het sneeuwt, wij zijn gestorven, / het sneeuwt tussen de korven.

nijhoff, toon kelder, lietratuurmuseum.nlGeschilderd door Toon Kelder; bron: literatuurmuseum.nl

M.Nijhoff (1894-1953, Den Haag)

Uit: Nieuwe gedichten, Querido Amsterdam, 1962

Leonard Nolens huurt een woning van de taal

Leonard Nolens (1947, Bree, België) zei: ‘De dichter is maar een huurder in de woning van de taal.’ En dichtte:

Dit is het huis waarin ik leef, / Mijn enige thuis en niet van mij. / Het wordt bewoond door onbekenden, / Steeds geruisloos in de weer / Met transparante troffels, ramen, / Waterpassen, mannenlijk plezier / In breken en bouwen (ik zit / In het hoofd dat dit alles bedacht). / Uit hun gestorven handen schiet / Het lood dat mijn diepte berekent, / Mijn snijlijnen tekent, het web / Waarin ik mij verloren spreek.

In zijn dagboek noteerde hij ooit:

‘Geld rot wanneer het opgeslagen wordt in kluizen en niet geïnvesteerd. Geld moet rollen. Hetzelfde geldt voor woorden: ze ontlenen groei aan het feit dat ze door zoveel handen (en monden) zijn gegaan; bij elk gebruik blijft zowel aan geld als aan woorden iets hangen van de intelligentie en intentie van de gebruiker en van de onnaspeurlijk subtiele beweging van de transactie.’

nolens, leoanrd, demorgen.bebron foto: demorgen.be

Gerbrandy: slikken? verboden

Slikken? Verboden

Slikken? verboden. / Slik je snijdt keel door je strot / guillotine van bladerend vlies.

Kijken? Dan moeten die ogen / eerst opengeweekt. / En naar wat?

Dat ene waarvan je de naam – / maar waarom als je weet hoe het afloopt.

Praten? Maakt erger. / Hoesten? Rasp van je pijp.

Denken. Houtmolen zaagt. / Everhoofd boven de drempel. / Wesp in je prik geur van gebakken –

ademen beter van niet.

Uit: Drievuldig feilloos vals, Meulenhoff Amsterdam, 2005 

gerbrandy, Beeld Koen Verheijden, trouw.nlfoto: Koen Verheijden; bron foto: trouw.nl

Piet Gerbrandy (1958, Den Haag)