Robert Bly: de schildpad

zeeschildpad

De zeeschildpad legt eieren op het strand, bron: WNF

De schildpad

Hoe glanst niet de schildpad / die uit het water komt, de rots beklimt / alsof haar lichaam door haar pantser schemert! / Alsof snelle schildpadvleugels opwieken uit de duisternis / een paar hinderpalen namen / en nieuwe ogen vonden. / Een oude man met zijn stok struikelt. / Later vinden wandelaars gaten in de zwarte aarde. / De slak klimt glinsterend langs de natte stam omhoog / als een vliegende engel met slierende zwarte banieren. / Niemand vindt de reusachtige schildpadeieren / die in het binnenland liggen op de bodem van de oude zee.

Robert Bly (1926) Amerikaans

vertaling J. Bernlef

Advertenties

The Murder Ballad

erik kriek in the pines 1

The Murder Ballad is het lied dat de moord tot onderwerp heeft. Er zijn wellicht meer liefdesliedjes dan liedjes die over moord en doodslag gaan. En toch: waarom niet? Waarom alleen zingen over de mooie kanten van het leven als er ook de duisternis is? Het biedt namelijk de mogelijkheid om die duistere kant eens nauwkeurig onder de loep te nemen en precies te beschrijven. Wie vermoordde wie en vooral waarom? Hoe komt de dader tot zijn daad?

Niet gek dat de ‘murder ballad’ een populair lied is bij blues en folk. Blues gaat al over de minder mooie kanten van het bestaan. Folk beschrijft het dagelijks leven in al haar facetten, dus ook de donkerte.

Hieronder enkele voorbeelden van murder ballads. Artiesten als: Nick Cave, Johnny Cash, Sufjan Stevens en Odetta hielden zich bezig met die minder mooie en duistere kant van de mens. Ze deden dat vaak op onnavolgbare wijze. Overtuigend en raak, met zorg en smaak.

erik kriek in the pines 2

De illustraties bij dit bericht zijn van de Nederlander Erik Kriek, die een prachtig stripalbum (graphic novel) op de markt bracht dat In the pines heet. Het boek verstripte een aantal murder-ballads in prachtige, aan houtsneden denkende, stijl.

Gerrit Achterberg: typiste

gerrit achterberg door Bantzinger cab

Gerrit Achterberg getekend door C.A.B. Bantzinger

Typiste

Morgen. De stad ontstaat. / Ik loop in haar geboorte / met zoete ruggegraat.

Een doffe perzikhuid / van jonge ochtendvochten / ligt op het asphalt uit.

De schoenen aan mijn voeten / geven een kusgeluid.

De tram, mijn gele bruidegom, / houdt voor mijn kleine voeten stil / en ik beklim het voorbalkon.

De conducteur kijkt achterom. / De directeur, de handelsman / zijn ook van gisteren weerom.

Een paar kruimels beschuit / veeg ik nog van mijn lippen, / die ik naar voren tuit.

Er zinken rose stippen / tussen mijn ogen en de ruit.

De schrijfmachine staat al klaar. / Kleine piano van mijn ziel, / waarop ik tik wat hem geviel / mij te bevelen, sterk en zwaar.

Gerrit Achterberg (1905 – 1962)

Uit: Verzamelde gedichten, Querido Amsterdam, 1963

De vrije wil in Slachthuis 5

barnsteen_met_insecten

Insecten in barnsteen, bron: Wikipedia

‘Waar ben ik?’ zei Billy Pilgrim.

‘U zit weer gevangen in een klodder barnsteen, meneer Pilgrim. We zijn precies waar we op dit moment horen te zijn – driehonderd miljoen mijl van de aarde, op weg naar een tijdkronkel waardoor we er slechts uren over zullen doen om op Tralfamadore te komen, in plaats van eeuwen.’

‘Maar hoe – hoe ben ik hier terechtgekomen?’

‘Dat zou alleen een andere Aardling u kunnen uitleggen. Aardlingen zijn enthousiaste uitleggers, ze verklaren waarom deze gebeurtenis in elkaar zit zoals hij in elkaar zit, hoe andere gebeurtenissen tot stand komen of vermeden kunnen worden. Ik ben een Tralfamadoriër en ik zie de ganse eeuwigheid zoals u een bergketen van de Rocky Mountains zou zien. Eeuwigheid is eeuwigheid. Hij verandert niet. Hij leent zich niet voor waarschuwingen of verklaringen. Hij bestaat. Bekijk hem moment voor moment en dan zult u zien dat wij allemaal, zoals ik eerder al zei, insecten in barnsteen zijn.’

‘U praat alsof u niet gelooft in de vrije wil,’ zei Billy Pilgrim.

‘Als ik niet zo’n langdurige studie gemaakt had van Aardlingen,’ zei de Tralfamadoriër, ‘zou ik geen idee hebben wat vrije wil betekende. Ik heb eenendertig  bewoonde planeten in het heelal bezocht en rapporten over honderd andere bestudeerd. De Aarde is de enige plaats waar over een vrije wil gesproken wordt.’

Uit: Slachthuis 5 – Kurt Vonnegut, Bodoni Baarn, 1970, vertaald door Else Hoog

Charms: je dromen richten je te gronde

Je dromen richten je te gronde

Je dromen richten je te gronde. / Je aandacht voor het bars bestaan / Verdwijnt als rook. De hemelbode / Komt in die tijd niet bij je aan.

Verlangens, hartstochten verwelken, / Het jeugdig vuur gaat snel voorbij… / Dus laat het, laat het vriend, dat dromen, / Maak van de dood je denken vrij.

1937

daniil charms

Daniil Charms (1905 – 1942) afkomstig uit een intellectueel, revolutionair gezin in Petersburg. Een van de oprichters van Oberioe, een dichtersgroep die zich inzette voor de verdediging van de experimentele kunst tegenover het officiële ‘realisme’. De groep werd in 1930 verboden en Charms werd in 1931 gearresteerd en naar Koersk verbannen wegens ‘organisatie en deelname aan een anti-sovjetgroepering van literatoren’. Eind 1932 mocht hij naar Leningrad terugkeren. Hij schreef experimenteel toneel, nonsens-poëzie, korte verhalen en gedichten. In 1941 werd hij opnieuw gearresteerd. Hij stierf in 1942 in een gevangen-ziekenhuis.

Uit: Bloemlezing van de Russische poëzie – Marja Wiebes en Margriet Berg, Plantage Leiden, 1997

Go-Betweens: Won Seoung Won

Er zijn fotografen die aan de werkelijkheid genoeg hebben. Die laten zien wat er in de wereld gebeurt en waarom dat voor ons kijker van belang is. Er zijn fotografen die niet genoeg hebben aan de zichtbare werkelijkheid. Die voegen er graag iets aan toe. In die laatste categorie valt de (zuid)Koreaan Won Seoung Won (1972). Won Seoung voegt voortdurend iets toe aan de gefotografeerde werkelijkheid. Een besneeuwd landschap met kassen, bruggen en een beer. Maar dan zien we ineens bloeiende bloemen en een stukje ontdooid landschap. In de winter?

Maar ook een kind in iets dat op een kamer lijkt. Weer zet Won Seoung ons op het verkeerde been. De natuur sluipt de kamer in. Een droom? Verzonnen werkelijkheid? Fantasie? Landschappen, huizen, kamers, meubelen en de mens; in steeds wisselende samenstellingen maar altijd vanuit de fantasie van de maker. Dat is de essentie van kunst ook een beetje: bevalt de werkelijkheid niet? Schep dan je eigen werkelijkheid.. met kunst!

gobetweens, won seoung won 6

gobetweens, won seoung won 5gobetweens, won seoung won 4

gobetweens, won seoung won 3go-betweens won seoung won 2go-betweens won seoung won 1

Thom Puckey: oude beelden, nieuwe inhoud

Thom Puckey (1948, Brit) is beeldhouwer. Volgde zijn opleiding in zijn moederland maar verkaste in 1978 naar Nederland, Amsterdam. Gaf les in Groningen, Enschede, Amsterdam en sinds 2004 is hij verbonden als docent aan de Sint Joost in Den Bosch. Zijn werk is in tal van Nederlandse steden te vinden.

In onderstaand bericht gaat het over zijn werk I.S. with Beretta 92 semi-automatic uit 2011.

is with berretta 1

Bij eerste indruk een vrij traditioneel beeld. Marmer, duidelijk herkenbaar figuur. Zo zelfs dat het uitnodigt tot aanraken. Je wilt voelen of dit echt is.

Bij nadere beschouwing is er iets vreemds met dit beeld. Zoals onderstaande detail-foto toont.

is with berretta 2

Het afgebeelde meisje richt een pistool op haar voetzool. Dat maakt waarom dit een oud beeld is met moderne inhoud.

In Filosofie Magazine nummer 6 2017 legt Laura Bertens uit waarom.

‘Ze lijkt hier te spelen met haar eigen kwetsbaarheid … lijkt te spelen met de gedachte van geweld, misschien omdat ze niks beters te doen heeft. Ze heeft een soort lijzige, verveelde, 21ste-eeuwse-generatie-nietszeggendheid over zich – ze ziet er zeker niet vastberaden of wanhopig uit. De vraag is vooral óf  hier überhaupt iets gaat gebeuren. … Omdat ze in deze houding is vastgelegd, lijkt ze een soort tijdloze besluiteloosheid uit te beelden. … Het is zeer waarschijnlijk dat ze niet van plan is om te schieten, want wat voor nut heeft het om jezelf in de voet te schieten?

Het beeld ironiseert zo de onschuld en vroomheid die in het 19-de eeuwse neoclassicisme vaak werden gekoppeld aan het vrouwelijke. … Puckey speelt met het moderne, platte idee van chicks & guns.  In onze tijd gebruiken we soms een verhaal als excuus om gewoon naar vrouwelijk naakt te kijken – denk bijvoorbeeld aan Kill Bill of Lara Croft. In die zin laat dit beeld de overeenkomsten zien tussen onze tijd en de Renaissance. Tegelijkertijd wordt er, doordat het zo openlijk seksueel, banaal en gewelddadig is, afbreuk gedaan aan de zogenaamd integere boodschap uit die tijd.

In die zin is het een typisch postmodern werk: het probeert alles wat het modernisme karakteriseert omver te werpen. Het modernisme wordt getekend door de geniale mannelijke, individuele kunstenaar die met elitaire materialen werkt. … Dit meisje is misschien de personificatie van een generatie die juist voortdurend besluiteloos is.’

Waarvan acte.

Fragmenten uit: Chicks & Guns – Laura Bertens, Filosofie Magazine juni 2017

Mysterie: kyrie

Kyrie

Soms sloeg mijn leven zijn ogen in het donker op. / Een gevoel alsof volksmassa’s blind en onrustig / door de straten trokken op weg naar een wonder, / terwijl ikzelf onzichtbaar blijf staan.

Als het kind dat doodsbang in slaap valt / luisterend naar de zware stappen van zijn hart. / Lang, lang tot de ochtend zijn stralen in de sloten steekt / en de deuren van het donker opengaan.

Thomas Tranströmer (1931 – 2015), Zweeds

Uit: Het Wilde Plein, Bezige Bij Amsterdam, 1992, vertaling J. Bernlef

Waarom Slauerhoff? Arjen Mulder legt uit

Arjen Mulder (1955) is bioloog, essayist en redacteur van De Gids. In het themanummer over de schrijver Slauerhoff legt hij aan de hand van het gedicht In mijn leven uit waarom Slauerhoff nog steeds voor ons lezers van belang is. Ik wil het u niet onthouden in mijn hoedanigheid als romanticus.

Eerst het gedicht:

In mijn leven

In mijn leven, steeds uiteengerukt / Door de vlagen waar ‘k aan blootsta, / Daar ik niet hechten kan aan liefde en geluk / Die mij zullen drijven tot ik doodga, / Ontstaan soms plotseling enkle plekken / Van een stilte zo onaangedaan, / Dat ik geloof in slaap te zijn gekomen / Bij de diepten waar geen onderstromen / Meer door ’t eeuwig stilstaand water gaan.

arjen mulderEn nu dan waarom Slauerhoff hier iets waarachtigs raakt in de ogen van Arjen Mulder:

In de eerste vier regels roept Slauerhoff zijn publieke imago op, vrij stereotiep en ook een beetje onhandig, met dat uitleggerige ‘daar ik niet hechten kan…’ Er spreekt trots uit deze woorden. Dan volgt de omslag die Slauerhoff zo’n groot dichter maakt: die plekken zonder onderstromen in het eeuwig stilstaand water herkennen wij, dat gaat over ons, daar spreekt een ziel onze ziel aan. Dat water ligt buiten de tijd en generatie na generatie kan er gaan pootjebaden. Het voorzichtige ‘ik geloof’ in zin zeven, waar de dichter poogt uit te leggen wat voor stilte hij ervaart, schept genoeg ruimte om ook door ons te kunnen worden ingevuld en nagevoeld. Wij leren ontdekken wat al in ons was, zonder dat we er de vinger op konden leggen. Deze stilte in onszelf wordt in dit gedicht erkend. Slauerhoff zegt niet of het goed of vervelend is om bij die diepten te komen, hij schrijft niets voor, hij vindt een beeld voor een universeel levensgevoel. Dat is genoeg.

Uit: Ter inleiding: Gelezen worden ze ontelbare malen – Arjen Mulder, De Gids nummer 4, 2008

Ernst Moritz Arndt: aan de leeuwerik

Ernst-Moritz-Arndt

Aan de leeuwerik

Vogelkijn met eindloze adem, / leeuwrik, die ten hemel zweeft, / en omlaag in bloemenwadem, / en in ’t groen der velden leeft; / zoete keel, die ‘k mij zou wensen, / meer dan schatten van een vorst, / wees gegroet! het leed der mensen / zingt gij uit eens een mensen borst.

O hoe zoet naar ’t zongewemel, / met u fladdrend, op te zien! / met u stijgend naar de hemel / aan het aards gewoel te ontvliên! / In een lieflijk lied te tuigen / van wat stil het harte trof, / en uit vol gemoed te juichen: / liefdeslust en hemellof.

Ernst Moritz Arndt (1769 – 1860), vertaling S.J. van den Bergh 

Uit: Aan een droom vol weelde ontstegen – Gerrit Komrij, Meulenhoff Amsterdam, 1982