Éric Fottorino beschrijft een andere blik

Overzichtelijk belooft het te worden: Breekbaar lichaam van schrijver Éric Fottorino. Weinig personages, hun indrukken van omgeving en omstandigheden, hun geschiedenis en hoe die bij elkaar komt in dit verhaal. Hun stemmen komen allemaal aan bod. Zoals die van Clara, die op de vlucht is en in het Noorse Bergen terechtkomt.

Ik wist niets van hanzesteden, ze waren mij net zo vreemd als de sprookjes van de gebroeders Grimm of de liederen van Grieg, waarvan ik heb leren houden. Ik stelde me voor dat ik, door naar een witte vlek op de kaart te vluchten – en voor mij was Bergen helemaal blanco, het had ook Oslo of Reykjavik kunnen zijn -, ik stelde me voor dat ik zo ver noordelijk, zo dicht bij de noordpool, in een land aan zee, wat handig was als ik nog een keer zou moeten vluchten, voorgoed bevrijd zou zijn van Noord-Afrika, van de blikken van de mannen. Net als in Marokko maakte de zon in Bergen de zee het hof. Maar het was niet dezelfde zon en niet dezelfde zee. Hier brachten ze blonde mensen met een lichte huid voort, meisjes die ondanks het klimaat allesbehalve koudwatervress hadden. De zon was niet agressief, verhitte hart en bloed niet meer dan de vlammen van de kaarsen in de houten kerkjes die in het land van de fjorden staan. In Bergen werden geen schapen op straat gekeeld, een vrouw kon er haar gezicht en haar blote armen tonen zonder ander risico dan een longontsteking op te lopen; een vrouw mocht een blik weerstaan, haar haren los laten hangen, glimlachen.

Ik wist dat ik het Noors met die ø’s, doorboord als de appel van Wilhelm Tell, nooit zou begrijpen, en ik vond het rustgevend dat ik niets begreep. Ik weet niet zeker of iemand mij, als het donker was geworden – maar het kwam voor dat de nacht niet de moeite nam om te vallen aangezien de dag was vergeten aan te breken-, ik weet niet zeker of iemand zou kunnen zweren dat hij mij tussen al die winkelende mensen in Bergen gezien heeft. Verrukt versmolt ik met dit vlekkeloze universum dat door de oude panden van de hanzekooplieden met hun levendige kleuren en puntgevels werd opgevrolijkt.

uit: breekbaar lichaam – Éric Fottorino, Wereldbibliotheek Amsterdam, 2001; vertaling Alfred Engelander en Anna Sikora

eric-fottorino;rtl.frbron beeld: rtl.fr

Éric Fottorino (1960, Nice, Fr)

Bisa Butler bracht quilten op een hoger plan

bisa butler; quilt2bisa butler; quilt4bisa butler; quilt6Bisa Butler (1973, Orange, USA) schept portretten die naald en draad als basis hebben. Die portretten zijn kleurrijk, gemaakt van lappen stof, en vertellen over het leven van zwarte mensen in de Verenigde Staten. Haar techniek komt voort uit wat een oude basistechniek is, het quilten. Quilten, in ons land doorpitten genoemd, is een handwerktechniek waarbij drie lagen textiel met een doorstiksteek op elkaar genaaid worden.

Als basis voor haar quilten gebruikt de Amrikaanse vaak foto’s als bron. Butler herschept de geportreteerden door lagen op elkaar te leggen en details te stikken. Die lagen zijn van verschillende opvallende kleuren. De textiele kunstenares selecteert haar lappen kritisch waarbij gelet wordt op de geschiedenis van de lap of de gebruikte prints. Beiden moeten iets zeggen over het verhaal dat ze wil vertellen. Gelaagdheid, materialen en bedoelingen zijn belangrijke items in haar werk. Butler wil graag dat de kijker nauwkeurig kijkt en haar pogingen om persoonlijke en historische verhalen van haar geportreteerden onder de aandacht te brengen, gezien wordt. Haar werk moet tot nadenken stemmen over de levens van zwarte mensen.

bisa butler; quiltbisa butler; quilt3bisa butler; quilt5

Het harde lot van Francesco di Grisogono

Lampi-del-pensiero

Een blik op Lampi del Pensiero geschreven door Francesco di Grisogono; bron beeld: misangf.it

Aan elke plek zit een verhaal van de mens die er leefde, dat noemen we historie. Als dat verhaal tijdloos is, herkenbaar en direct van toepassing op jezelf of iemand uit je omgeving, is dat een geschiedenis.

In de microcosmos van Claudio Magris duikt Francesco di Grisogono op. Een verre voorouder, ‘grootvader van moeders kant, die op het geniale af was geweest, de melancholie door en door had gekend en de wereld had willen opsluiten in een kooi van tekens en woorden’. Deze man had een tijdloze geschiedenis, zoals blijkt:

‘hij had opgehouden te bestaan zonder ooit te zijn begonnen te leven’, beweerde Francesco in zijn laatste geschriften, opgesteld om te worden gelezen na zijn dood.

Hij had algauw gemerkt dat zijn ‘vurige roeping’ bestemd was om op te branden in absolute eenzaamheid, en dat het verdere verloop van zijn leven zou afhangen van zijn vermogen te verhinderen dat zijn intelligentie tot steriele, bijna geniale excentriciteit zou degeneren en de rijkdom van zijn hart tot dwangmatige wrok, als gevolg van verbittering en zijn isolement.

Francesco werd in 1861 geboren in Sibenik, Dalmatië. Kon zijn geliefde studies filosofie en mathematica niet voltooien in Wenen. Was officier bij de keizerlijke en koninklijke marine. Was een verwoed pleitbezorger van de Italiaanse zaak, maar ook verliefd op de Duitse en Kroatische cultuur. Hij werd een bescheiden leraar aan een lagere beroepsopleiding in Triëst. Werd zijn levenlang gedwarsboomd door tegenslagen en buitengesloten van elk contact met de wereld van het wetenschappelijk onderzoek. Bekend in kleine kring werd hij met zijn publicatie van aforismen: Lampi del Penseiro en met zijn Grondslagen van nieuwe wetenschappen.

Zelf zei hij dat de projecten en ideeën die zich in zijn hoofd vermenigvildigden zonder dat hij ze kon realiseren, kiemen waren die terechtkwamen op een terrein zonder zon waardoor ze verzwakten, hem teneerdrukten en hem oplaadden als een machine onder stoom die wordt verhinderd zich voort te bewegen en gedwongen wordt zich bewust te worden van zijn eigen toestand.

Francesco ontwikkelde een systematiek die de menselijke creativiteit bevrijdde van de grillen van het toeval en het onrecht van het lot. Zijn systeem stond alle mogelijke bewerkingen toe en onderwerpt ze aan logica, boven het toeval dat de mensen verstrikt.

De hoogmoed waarmee hij alles wil omvatten en de almacht speelt, onthult de weerloze nietigheid van het individu verloren te midden van het oneindige en nog meer tussen het raadselachtige eindige, en ook zijn roerende liefde voor het leven, dat hij tracht te grijpen als een visser die de zee in zijn net wil vangen.

(..)

Francesco di Grisogono kende de inwendige nederlagen van het isolement en de melancholie, de doodlopende weg waarin een hart dat al rijk is en te groot voor de beperkte en verstikkende werkelijkheid waarin hij zich bevindt, kan geraken en vastlopen. Zoals hij over zichzelf zei: ‘hij verdroeg gelaten en met humor dat al zijn dromen een voor een stierven… en bij een zo bittere desillusie vatte hij geen haat op tegen mensen of dingen en werd hij ook niet moe het leven lief te hebben dat hem alleen met doornen had toebedeeld… Zo ging hij voort, door de jaren heen, in kalme melancholie en droeg hij het kruis van zijn duistere noodlot, zich voordoend als een gewone man om zich niet belachelijk te maken als miskend genie.’

uit: microcosmi, Bert Bakker Amsterdam, 1998; vertaling Anton Haakman

 

Het drama van de oorspronkelijke Mexicaan

cortes-moctezuma; thoughtco.com

bron beeld: thoughtco.com

Begin april 1519 liet Cortés zijn vloot voor anker gaan aan de rede van Veracruz. Door zijn spionnen op de hoogte gebracht van al die onheilspellende verrichtingen aan de kust, stuurde Moctezuma 2, de luisterrijke keizer van het Azteekse rijk, hem gezanten vanuit de hoofdstad Tenochtitlán. In het slaperige Cholula, in die verre tijd nog een befaamd bedevaartsoord en centrum van de pottenbakkerij met honderdduizend inwoners, moeten zij voorbijgekomen zijn. Op de plek waar nu de negenendertig kerken staan, verrezen hun piramiden met de tempels erbovenop. Spionnen en gezanten, dat primitieve verbindingsmidddel van dwars door het ruwe hooggebergte van de Sierra Madre over een afstand van vierhonderd kilometer heen en weer rennende mannen? Hadden zij een systeem van estafettes? Maar de gids uit het archeologisch museum vertelt me nadien over de nog steeds geïsoleerd levende Tarahumara-indianen uit de westelijke sierra, die beroemd zijn om hun langeafstandlopers die tot tweehonderd kilometer per dag afleggen.

Moctezuma’s boodschappers traden Cortés tegemoet op het strand van Veracruz. Voordien volstrekt onwetend van elkaar, kwamen hier afgevaardigden van de Mexicaanse keizer en de representant van Karel V, net tot de machtigste keizer van Europa gekroond, voor de eerste keer oog in oog te staan. Deze confrontatie zat vol grotesk misverstand. De Azteken beschouwden de veroveraar als bekleed met een gevreesde goddelijke zending, en overlaadden hem met geschenken, vooral met goud, als symbool van hun eigen zonnegod Huitzilopochtli. Door dit gebaar hoopten zij Cortés af te houden van een verdere expeditie naar Tenochtitlán, terwijl het tastbare edelmetaal juist de veroveringskoorts in hem aanvuurde. Het was een vergiftigd geschenk, de indianen gaven er de vijand de voornaamste drijfveer tot hun eigen uitroeiing mee in handen.

uit: Mexico in de achteruitkijkspeigel; uit: Cuba en andere reisverhalen – Paul de Wispelaere, Areapagus Antwerpen, 2005 

Paul de Wispelaere (1928-2016, Assebroek, Be)

Thomas Rosenboom en de nieuwe man

In de roman De nieuwe man beschrijft Thomas Rosenboom (1956, Doetinchem) de geschiedenis van scheepsbouwer Bepol die een scheepswerf bezit in het Groningse Wirdum. Verdere hoofdpersonen zijn dochter Ilse en meesterknecht Niesten.

Verblind stond Bepol dan zo enige ogenblikken aan de vensterbank, roerloos luisterend naar die doorgaande kakafonie van klappen, waarin toch telkens één klap anders klonk. Zodra hij zijn ogen weer kon openen keek hij werktuiglijk in die richting om te controleren wat hij al zo vaak had gecontroleerd, en ja: het was altijd Niesten, of hij nu op het middenterrein de mallen uitklopte of ginds op de helling de klinkenploeg leidde; het was altijd de hamer van Niesten die tegelijk met dat accent ergens neerkwam; het was altijd zijn jonge meesterknecht Niesten die harder sloeg dan de anderen, daarom leek hij ook altijd dichterbij…

Onwillekeurig deinsde Bepol iets terug wanneer zijn blik op Niesten viel, even onwillekeurig bleef hij hem vervolgens gadeslaan zoals hij werkte, hard en schoon, zoals hij er ook uitzag, heel anders dan de anderen: hij droeg geen pikpet of een gebreide muts, maar een pet met een klep; geen ketelpak maar ’s winters een zwart klettervest en zomers een wijd hemd met brede bretels, die tussen zijn schouderbladen bijeenkwamen, zodat zijn broek van achteren op één plaats, in het midden, omhooggetrokken werd, en altijd had hij een witte poetslap om de hals, die hem stond als een zijden cravatte. Zijn leiding werd even stilzwijgend aanvaard als uitgeoefend, met niets dan zijn helle blik en het overwicht van zijn harde lichaam en harde werk – hij kon alles, bestierde alles, kende ieder schip van klik tot kluiver, ook jaren later nog, als het in onderhoud kwam, en was voorslager onder de plaatwerkers; gewone voorslagers tekenden met een natte vinger de plaats waar de anderen moeten slaan, Niesten deed het door erop te spuwen, een krachtig, maar onzichtbaar dun straaltje – ineens glom de plek, verder niets. Bepol durfde er nooit te lang naar te kijken als hij voorbijkwam, bang dat Niesten zich plotseling zou omdraaien en hem aanzien, met die vreemde, lichte ogen, die gloeiden onder de schaduw van zijn pet…

uit: de nieuwe man, Querido Amsterdam, 2004

rosenboom, thomas; nrc.nlbron beeld: nrc.nl

Thomas Rosenboom (1956, Doetinchem)

Bella Ormseth verwijst met haar paddestoelen naar de Gouden Eeuw

Bella-Ormseth; paddestoel6Bella-Ormseth; paddestoel4Bella-Ormseth; paddestoel2Haar schilderijen vormen een serie: Human Nature. Ik heb het over Bella Ormseth (1968, Den Haag), geboren in NL en tegenwoordig zetelend in Puget Sound, USA. Ze schildert genrestukken in de traditie van de Hollandse meesters van de Gouden Eeuw maar laat paddestoelen de plaats innemen van mensen. De paddestoelen worden geflankeerd door planten en buitensporig grote insecten. Ze hebben menselijke trekken, in gebaren en poses. Ze hangen over een stoel als ze slapen, drinken wijn of staren uit het raam.

Eigenlijk zijn haar schilderijen studies naar het typische Hollandse genrestuk, zoals dat triomfen vierde in de Gouden Eeuw. Ze probeert hetzelfde licht te vangen; dezelfde compositie; het kleurenpalet en dezelfde technieken als de Hollandse meesters voor haar. Denk aan Johannes Vermeer of Pieter de Hooch.

‘Het Hollandse genrestuk is met het uitbeelden van alledaagse taferelen uit het gewone leven een kantelpunt in de westerse kunst geweest. Ver weg van bijbelse en historische taferelen. Het raakte me het dagelijks leven te zien als een onderwerp van kunst. Men zocht niet alleen naar de schoonheid maar vond ook iets wezenlijks in dat dagelijks leven. Ik gebruik de geschiedenis als gids, maar mijn schilderijen gaan over mijn eigen tijd. Mijn ideeën voor een schilderij beginnen met een emotioneel antwoord op iets dat in de wereld gebeurt. In mijn eigen leven, of in dat van de rest van de wereld,’ aldus Ormseth in een toelichting.

Bella-Ormseth; paddestoelscan by Bellevue Fine ArtBella-Ormseth; paddestoel5

Papyrus – dreigende woorden

Lezen over het lezen, ja, dat is interessant, zeker als de Spaanse schrijfster Irene Vallejo dat opdient in haar boek Papyrus. Een boek dat gaat over de geschiedenis van onze wereld zoals die zich openbaart in boeken. In de volgende passages gaat het over dreigende woorden. Want het boek is een (kunst)schat en die schat is niet alleen voor lezers belangrijk.

Een nog samen te stellen bloemlezing zou moeten beginnen met de dreigende woorden die te vinden zijn in de bibliotheek van het klooster Sant Pedre de les Puelles in Barcelona en die Alberto Manguel citeert in Een geschiedenis van het lezen (aanrader voor wie graag leest over het lezen): ‘Aan wie een boek steelt of leent en niet teruggeeft: moge je hand veranderen in een slang die vervolgens verscheurd wordt. Moge verlamming je deel zijn en al je ledematen vervloekt worden. Moge je creperen van de pijn en gillend smeken om genade zonder dat iets je kwellingen verlicht tot je er uiteindelijk aan bezwijkt. Mogen de wormen van de boeken aan je knagen zoals nimmer aflatende wroeging doet. En moge, als ten slotte de eeuwige straf over je neerdaalt, het hellevuur je voorgoed verteren.’

Dat lijkt erg, deze tirade om wat een doodzonde is. Ook in de oudste ons bekende bibliotheken vinden we dergelijke verwensingen. Die bibliotheken bevinden zich in het Nabije Oosten (Mesopotamië, Syrië, Klein-Azië en Perzië). Daar zijn teksten te vinden die dieven en schenders vervloeken, zoals:

kleitablet, lezen; ad.nlbron beeld: ad.nl

‘Al wie zich meester maakt van een kleitablet door roof of ontvreemding of zijn slaaf daar opdracht toe geeft – moge Shamash zijn ogen uitsteken, moge Nabu en Nisaba hem met doofheid slaan, moge Nabu zijn leven oplossen als water.’

‘Al wie dit kleitablet breek of dompelt in water of uitvlakt zodat niet meer te lezen is wat erop staat – mogen de goden en godinnen van de hemel en de aarde hem straffen met een vervloeking die niet opgeheven kan worden, vreselijk en genadeloos, zolang hij leeft, zodat zijn naam en zijn zaad van de aarde weggevaagd worden en zijn vlees voedsel voor de honden zal zijn.’

U bent gewaarschuwd.

uit: papyrus, Meulenhoff Amsterdam, 2021; vertaling Adri Boon

Irene Vallejo (1979, Spanje)

Bijna iedere dag muziek: Bill Evans

De aanleiding was meervoudig. Een uitgebreid artikel in het Engelstalige Uncut Magazine en de aankondiging van Tony Bennett om te stoppen met optreden. Verbindende factor: jazzpianist en componist Bill Evans (1929-1980, Plainfield, USA). Evans werkte samen met Bennett aan een aantal albums van de crooner.

Op 6-jarige leeftijd zat de enigszins schuchterige Bill al achter de piano. Schoolde zich in de klassieken en speelde viool en fluit. Hij behaalde zijn diploma’s als muzikant en mocht les geven. Na zijn diensttijd begaf hij zich in het muzkantenbestaan in New York waar zijn spel snel naam maakte. In 1956 kwam New Jazz Conceptions uit met daarop Waltz for Debby. Het duurde twee jaar voor de volgende kwam. ‘Ik had niets nieuws te melden’, aldus de verlegen pianist. Ondertussen waren zijn typische piano-geluid en zijn vloeibare ideeën opgevallen bij anderen, waaronder Miles Davis. In 1958 vroeg Davis hem mee te gaan op torunee. In de toenmalige Davis-band speelden grootheden als John Coltrane en Cannonball Adderly. In die tijd werd ook de jazz-klassieker Kind of Blue van Davis opgenomen waarop we Evans horen spelen. Na een jaar touren en het vestigen van een grote naam in de jazz-scene, begon Evans met zijn eigen trio. Bassist Scott LaFaro en drummer Paul Motian waren zijn kompanen in wat de beste tijd van Evans zou blijken te zijn. LaFaro kwam twee jaar later bij een auto-ongeluk om het leven. Iets wat Evans zo aangreep dat hij zich een poosje terugtrok uit het volle licht. Daarna volgen successen, drugsgebruik, een rustloze natuur en drama’s in de persoonlijke sfeer elkaar in snel tempo op. In 1980 sterft hij, veel te jong, aan complicaties van aandoeningen aan longen en lever.

Bill Evans stond open voor nieuwe muzikale ideeën in de jazz-scene maar bleef tergelijkertijd trouw aan zijn eigen compositorische beginselen. Voor hem waren de pure songstructuur en de jazzgeschiedenis de kurken waarop hij dreef. Tot op latere leeftijd ontwikkelde hij zich in zijn composities, op zoek naar de ideale song. Daarbij ook gebruikmakend van de overdub-techniek als hij vond dat 1 piano onvoldoende was om zijn ideeën te tonen. Evans is een jazz-icoon geworden, voorbeeld voor navolgers en bron van inspiratie voor creatieve muzikanten.

Geert Mak: als iedere ziel zwaar telt

geert-mak; welingelichtekringen.nlbron beeld: welingelichtekringen.nl

Schrijver Geert Mak is de maker van het boek Hoe god verdween uit Jorwerd. Ik las Een vreemde tijd in Jorwerd dat gaat over de ingrijpende veranderingen waaraan het platteland in NL onderhevig is. De stad dringt zich op, niet alleen fysiek maar ook mentaal. Want er is toch een verschil in beleving bij de bewoners van de (grote) stad en de dorpsbewoners. In het volgende fragment duidt Mak dat verschil:

Zo werden alle gebeurtenissen binnen de dorpsgemeenschap beheerst door de wet van het kleine getal, een wet waar men in de stad nauwelijks weet van heeft. In een kleine gemeenschap telt iedere ziel zwaar. Een rijtje nieuwe woningen valt in een stadsbuurt nauwelijks op, maar in een dorp, met misschien honderd huishoudingen, hebben twintig nieuwe gezinnen een enorme invloed. Het succes van veel uitvoeringen, wedstrijden, samenkomsten en andere projecten is dikwijls te danken aan de inzet van een of twee gangmakers, maar het omgekeerde gaat ook op. Zeker als de belangrijkste onderlinge economische banden verbroken zijn en alleen nog emotionele en culturele bindingen tellen is een dorpsgemeenschap vaak zo broos dat een paar enkelingen veel kapot kunnen maken, en voor lange tijd.

Dat gold ook voor Jorwerd. Een handvol mensen had het dorp gemaakt, de feesten en bijeenkomsten georganiseerd, de clubs bijeengehouden, de school gesteund, decennia lang. Maar er hoefde maar één keer een tijdelijk schoolhoofd  aan de drank te raken – zoals in een naburig dorp was gebeurd – of de school zou verdwijnen, voorgoed. En toen er een aggressieve schreeuwlelijk in de nieuwbouw kwam wonen hoefde die maar een paar weken in het café rond te zieken, of er bleven klanten weg. Goddank kraste hij snel weer op, maar anders zou het belangrijkste sociale centrum van het dorp serieus in de problemen zijn gekomen.

fragment uit: Een vreemde tijd in Jorwerd; uit: Het beste van Atlas, Atlas Contact Amsterdam, 2015, samenstelling Emile Brugman

Geert Mak (1946, Vlaardingen)

Wieringa over de reiskoffer als ijkpunt

Het laatste verhaal in de bundel Ik was nooit in Isfahaan van schrijver Tommy Wieringa is gewijd aan het reizen in het algemeen en de reiskoffer in het bijzonder. De koffer als ijkpunt.

Ik weet het nog goed, gewicht was voor toeristen. Mijn reizen zouden licht zijn, met wind onder mijn zolen. Met tien kilo bagage kon ik een halfjaar toe. (..) Gewicht was een hindernis voor wie deel wilde hebben aan het mysterie van de wereld.

Nu kijkt een grondstewardess van de KLM naar de transportband als ze me incheckt, en ziet net als ik 26.5 staan, in groene cijfers. ‘Het spijt me, meneer, maar u mag twintig kilo meenemen. U moet bijbetalen.’

Een flits van schaamte, ik ben te zwaar geworden.

Ik herinner me de verkoopster van de kofferwinkel aan de Overtoom in Amsterdam, hoe ze zei: ‘Maar als je nou echt wat wilt, dan moet je deze nemen.’ Ik keek naar een forse koffer op wieltjes, van het merk Victorinox. De verkoopster ritste hem vlot open en toonde één voor één de verborgen voordelen van deze moeder aller koffers. Mijn pak kon kreukloos mee. Een rits om het volume nog met een paar kilo te vermeerderen. Levenslange garantie. En tien procent korting voor de snelle beslisser. Ik verliet de winkel met een koffer waar personeel bij nodig was.

De grondstewardess wacht, ga ik nou bijbetalen of niet. ‘Ik haal er wel wat uit,’ zeg ik, en hevel boeken over naar mijn handbagage. Ik voel hoon in mijn rug, de rij leest het verraad aan mijn vroegere zelf. Ik zet de koffer terug op de band en kom uit op eenentwintig kilo. De grondstewardess schenkt één kilo genade.

De overgang van de jeugd naar de volwassenheid en uiteindelijk de dood is de overgang van een rugzak naar een koffer op wieltjes. Van een draagbaar, nomadisch bestaan naar het overgewicht van de buitenwijk. De traagheid van verdediging, niet de snelle vlucht.

Uit: Koffer; uit: Ik was nooit in Isfahaan, reisverhalen; Bezige Bij Amsterdam, 2009

wieringa, tommy;hebban.nlbron beeld: hebban.nl

Tommy Wieringa (1967, Goor)