Bijna iedere dag muziek: Rossini

Zuivere instrumentale muziek zegt me niets, zelfs de muziek van de Sixtijnse Kapel en van het koor van het Kapittel van de Sint-Pieter kan me niet bekoren (dit is me opnieuw gebleken de 18-de januari 1836, de dag van de Catedra van San Pietro).

Alleen vocale muziek lijkt me een geniale prestatie. Een dwaas kan nog zo veel leren, hij kan volgens mij nooit een mooie melodie vinden als bijvoorbeeld: Se amor si gode in pace (eerste akte, en misschien eerste scene van de Matrimonio Segreto).

Als een geniaal man de moeite neemt een melodie grondig te bestuderen, bereikt hij de mooiste instrumentatie van het kwartet in Bianca e Faliero (van Rossini) of het duet uit Armida van dezelfde componist.

Wanneer ik in de hoogtijdagen van mijn liefde voor muziek, in Milaan van 1814 tot 1821, op de ochtend voor de uitvoering van een nieuwe opera, het libretto haalde in de Scala, kon ik niet nalaten onder het lezen zelf de muziek erbij te bedenken, en de aria’s en duetten te zingen. En als ik zeggen mag, soms vond ik dan op de avond van de uitvoering mijn melodie edeler en lieflijker dan die van de maestro zelf.

uit: hoofdstuk 38 uit: Het leven van Henry Brulard – Stendhal; Bezige Bij Amsterdam, 1980

Bijna iedere dag muziek: Emmy Verhey en David Ojstrach spelen Bach

De kanselier van onze ambassade laat mij twee Bachplaten horen. eerst een stukje Ojstrach, dan hetzelfde stukje Emmy Verhey. Voor mijn leken-oor zit het verschil niet in de techniek – hoewel dat verschil er toch wel zal wezen – en ook niet in de voordracht, maar in iets anders: het is of bij Ojstrach iedere noot niet alleen wordt aangeduid, niet alleen wordt aangegeven, maar ook volledig wordt ‘uitgespeeld’ – ongeacht de soms zeer korte duur van zo’n noot. Ik zeg dat tegen Emmy en zij antwoordt: ‘Ja, dat zegt Ojstrach ook. Hij zegt: zo’n noot leeft maar heel, heel kort, en hij komt nooit, nooit meer terug. Je moet er erg je best op doen.’

fragment uit: Emmy en Ojstrach, uit: Met twee potten pindakaas naar Moskou – Karel van het Reve, Van Oorschot Amsterdam, 1970

Van het Reve bezocht Emmy Verhey, die zich in Moskou bevond en in de leer was bij de Russische violist David Ojstrach

Kousbroek laat weten wat de 2CV betekende

2cv 1937-2; carthrottle.com

bron beeld: carthrottle.com

Er is reden om te geloven dat de 2 CV Citroën door grote groepen mensen, in de twintig jaar dat hij bestaat, nooit begrepen is. (..) Het is te vrezen dat hun aantal groot moet zijn, want de fabrikant heeft over de jaren steeds meer concessies aan hen gedaan. Die concessies bestonden uit pogingen om de 2 CV  – ik kan mij er haast niet toe brengen om het op te schrijven – uit pogingen om de 2 CV mooier te maken.

(..) De 2 CV werd ontworpen door de Franse ingenieur Lefebvre, dezelfde die verantwoordelijk was voor de zwarte Citroën oud model bekend als traction-avant, waarvan er nog steeds een stuk of wat rondrijden; dezelfde ook die het grootste aandeel had in het ontwerp van de DS 19.

(..) De 2 CV dateert van 1937 (zie foto’s). Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog waren een twintigtal prototypes gereed, maar als gevolg van de oorlog en de daarop volgende periode van schaarste en andere moeilijkheden begon de productie van de 2 CV pas in 1948.

Ook in Frankrijk werd de manier van denken die aan dit verbazende voertuig ten grondslag lag niet dadelijk, en ook op de lange duur, nog niet door iedereen begrepen. De gedachte dat in een auto dezelfde relatie tussen functie en vorm zou kunnen bestaan als bijvoorbeeld in een fiets zonder concessies, wordt ook inderdaad door niets in onze samenleving aangemoedigd.

De vorm van een moderne auto wordt grotendeels bepaald door criteria die meer te maken hebben met de leeftijd waarop de koper werd gespeend en zindelijk gemaakt dan met iets anders. Als gevolg daarvan is een automobiel een soort boodschap, bestaande uit tekens – tekens van viriliteit, van macht, van bevrijding, van weelde, van sociale status, van libido. De 2 CV is arm aan zulke tekens, vandaar dat een bepaalde categorie mensen maar niet kàn begrijpen waarom iemand er een hebben wil.

(..) Er bestaat vermoedelijk geen industriële vorm die helemaal niets betekent. Zelfs de oorspronkelijke 2 CV was niet vrij van tekens (bv. ik ben functioneel; ik ben non-conformistisch; ik ben goedkoop – tekens niet te verwarren met functionaliteit, non-conformisme en goedkoopte.)

(..) De oude 2 CV met het oude stuur, met de oorspronkelijke motorkap van gegolfd plaatijzer, met de linnen kap tot beneden aan toen in plaats van een metalen kofferdeksel en natuurlijk zonder de extra achterraampjes – is nu definitief klassiek aan het worden. Een toekomstig verzamelaarsobject, hoe onbegrijpelijk dat voor sommige mensen ook kan zijn.

fragmenten uit: anathema’s 3 – Rudy Kousbroek, Meulenhoff Amsterdam, 1971 

2cv 1937;cpauvergne.com

bron beeld: cpauvergne.com

De ‘schitterende’ gebouwen van Otto Wagner

OttoWagner-architect2OttoWagner-architect4OttoWagner-architect6Vanaf 1894 was Otto Wagner (1841-1918) de stadsbouwmeester van Wenen, Oostenrijk. Hij had al eerder de opdracht gekregen om het hart van het Oostenrijkse keizerrijk opnieuw vorm te geven en al snel was hij niet alleen bezig met grootse openbare gebouwen, maar ook met de Stadtbahn van Wenen – in 1901 had hij de leiding over het ontwerp van bruggen, viaducten en 31 stations – en het omleggen van de Donau.

Zijn eerste ontwerpen waren groots en klassiek, maar al snel werden zijn opvattingen radicaler. In 1899 werd hij lid van de kunstenaarsbeweging Wiener Sezession, waarvan bijvoorbeeld ook schilder Gustav Klimt lid was.

Zijn latere gebouwen vallen op door de heldere indeling en de schitterende versieringen.

Het beroemdste gebouw van Wagner is de postspaarbank. Achter de monumentale voorgevel gaat een ingenieus bankiersgebouw schuil dat het hart van een ontregelmatig bouwblok vormt. Het heeft een glazen vloer, waardoor er licht in de kelder valt, en een groot beglaasd gebogen dak. Dit wordt op zijn beurt beschermd door een glazen dak op de top van de zes verdiepingen hoge lichtkoker. De ruimte is zo licht en helder dat ze, mede door het geniale gebruik van het glas, op ieder moment eigentijds overkwam.

OttoWagner-architectOttoWagner-architect3OttoWagner-architect5

bron: de moderne architectuur 1900-2008 – Jonathan Glancey, Toth Bussum, 2007

Bijna iedere dag muziek: Weill en Eisler

https://youtu.be/aSLTvKC-P3Y

Op zondagavonden lag ik met mijn oor tegen de raio omdat ik geen noot wilde missen van De charme van het chanson, een uitzending van de betreurde Johan Anthierens. Anthierens heeft me vertouwd gemaakt met Barbara en Brel en Brassens. Dat lag in het verlengde van het Frans op school en op straat. Maar Anthierens gaf me ook de stem van Lotte Lenya, dus Weill, dus Brecht, dus Duits. Zodra ik Surabaya Johnny had gehoord, wilde ik alles horen. Ik heb sindsdien al veel, maar nog steeds niet alles gehoord. Want na Weill kwam Eisler. Ik kan niet met droge ogen luisteren naar Hans Eisler die kortademig zijn eigen muziek op de Kinderhymne van Bertolt Brecht zingt:

Anmut spare mich noch Mühe / Leidenschaft nicht noch Verstand. / Dass ein gutes Deutschland blühe / Wie ein andres gutes Land.

Behalve Weill, Eisler (en Dessau) ben ik niet in staat muziek van pakweg na de Eerste Wereldoorlog te waarderen. Webern, Alban, Berg, Bartók, zeker Berio of Ligeti, hoe ik het ook probeer, ik kom er niet in. Ik vrees dat ook op dat punt te zeer gedetermineerd ben door wat ik in mijn jonge jaren heb leren kennen. Alleen dankzij taal ben ik erin geslaagd langzaam door te dringen tot moeilijk werk als de suite voor septet van Eisler of het Berliner Requiem van Weill.

uit: van een jongetje dat piano moest spelen en Frans moest leren – Geert van Istendael; uit: Muziek in mijn leven, Prometheus Amsterdam, 2005

Bijna iedere dag muziek: Wolfgang Amadeus Mozart

Mozart (1756-1791, Oostenrijk) en zijn librettist Da Ponte (1749-1838, It) hebben in de opera Don Giovanni de beroemde catalogus-aria opgenomen, waarin de knecht Leporello een inventaris van zijn veroveringen geeft: ‘Dit is de catalogus van de vrouwen die mijn heer heeft liefgehad, een catalogus die ik zelf heb aangelegd. Kijk maar, lees met me mee. In Italië 640, in Duitsland 231, 100 in Frankrijk, in Turkije 91, maar in Spanje zijn het er al 1003!’ Net als Don Juan hadden de Ptolemaeën dienaren-boekhouders nodig die garandeerden dat de som van hun aanwinsten alleen maar toenam, dat ze het recht hadden om zich telkens belangrijker en machtiger te voelen. Net zo zijn de sociale netwerken de Leporello’s van onze virtuele wereld. Ze voeden het narcisme en de verzamelwoede die in ieder van ons zit en houden de rekening bij van het aantal vrienden, volgers en likes die we weten te scoren.

uit: papyrus – Irene Vallejo, Meulenhoff Amsterdam, 2021; vertaald door Adri Boon

Bijna iedere dag muziek: Robert Schumann

Als Lenny werkt luistert hij vaak naar muziek. Het klassieke pianorepertoire ken ik inmiddels vrij goed. Beethoven bevalt me het best. Maar een kort stuk van een andere componist, wiens naam ik niet ken, ontroert me altijd het meest.

Het gaat zo: een vogel kwinkeleert welluidend maar zinloos voor zich heen, zo’n anderhalve minuut lang, het lijkt lange tijd nergens over te gaan, maar dan zet er opeens een ruisende brede melodie in vol wijsheid, inzicht en belofte. Die breekt even plotseling weer af, de vogel kwinkeleert nog even onbeduidend voor zich heen, en dan is het afgelopen.*

*Robert Schumann, Vogel als Prophet

uit: het licht aan het einde van de loop, autobiografie van een kogel – Martin Michael Driessen, Van Oorschot Amsterdam, 2022

Robert Schumann (1810-1856, Zwickau, Dld)

Bijna iedere dag muziek: Willaert en Gombert

Even een moment van rust en zelfreflectie. In de muziek: terug naar dat enige instrument dat iedereen bezit en kan gebruiken: de stem. Eeuwen geleden werd dat op meesterlijke wijze ingezet: ter meerdere eer en glorie van Dieu himself. Als je solo zingt, klinkt dat best mooi. In combinatie met anderen zelfs weergaloos. Als je dan ook nog eens optimaal gebruik maakt van de soorten, hoogten en momenten klinkt het goddelijk. Zoals in bijgaande voorbeelden van de componisten Adriaan Willaert en Nicolas Gombert.

Schrijver Geert van Istendael zei er het volgende over:

Meer dan dertig jaar geleden zat ik voor het eerste te luisteren naar de magere fluiten en schrille stemmen van het Huelgas Ensemble. Ik was verbijsterd. Hoor, hoor, de avantgarde is niet van vandaag, maar van de zestiende eeuw, en ze snijdt je de adem af. Nog nooit heeft één concert, één cd van Huelgas Ensemble me teleurgesteld. Er zijn veel grote vertolkers van polyfonie maar dirigent Paul van Nevel laat ze allemaal achter zich. Hij is de grootmeester, de magister polyphoniae, zoals ik hem in een gedicht genoemd heb. Telkens opnieuw wil ik die zuiverheid. Telkens opnieuw wil ik ook de les: ware beschaving is helemaal anders dan wat wij vandaag beschaving durven te noemen.

Ik sluit me aan bij de conclusie dat zuiverheid in polyfonie een enorme kracht in de muziek is. Het brengt me terstond in een tijdloze sfeer waarin de tijd stil staat en je oog en oor krijgt voor de wonderbaarlijk scheppende schoonheid die de mens ook eigen is. Cultuur, politiek, doet ons beseffen wat schoonheid is. En dat is een waarde die maar al te graag vergeten wordt als het om gewin gaat.

Bijna iedere dag muziek: Sergej Prokofjev

https://youtu.be/aSJezJisLws

De Russische violist David Oistrach was 18 jaar oud toen hij Sergej Prokofjev (1891-1953) voor het eerst ontmoette. Ter ere van de componist was er een feestelijk concert in de badplaats Odessa. David speelde het scherzo uit het Eerste Vioolconcert in aanwezigheid van Prokofjev zelf. ‘Zo hoor je dat niet te spelen, jongeman,’ riep hij uit ten overstaan van een volle zaal. De componist betrad het podium en liet op de piano horen hoe het wèl moest klinken. Een pijnlijke situatie.

Bijna tien jaar later zagen ze elkaar weer. De ontmoeting vond plaats aan het schaakbord in het Centrum voor Kunstarbeiders in Moskou. Het was 23 oktober 1937. Na zeven partijtjes (uitslag onbekend) herinnerde de inmiddels gevierde violist zijn tegenstander aan het voorval in Odessa dat hem een klein trauma had bezorgd. De componsit schaamde zich en beloofde een sonate voor viool en piano te schrijven. Er ontstond een hechte vriendschap tussen twee muzikale grootmeesters.

Het duurde nog tot 23 oktober 1943 voordat de Sonate in F mineur voor het eerst werd uitgevoerd in de kleine zaal van het conservatorium in Moskou. Uiteraard door Oistrach, die de aanwijzingen van de componist ter harte nam. ‘Het eerste deel moet klinken als de wind die waait over het kerkhof,’ vond Prokofjev. Daar was een reden voor. Kunstenaars, zo had Stalin bevolen, waren arbeiders die hun talent onder streng toezicht van het politbureau dienden in te zetten voor het volk. Prokofjev begon aan de compositie nadat hij het werk aan de muziek voor Eisensteins film Alexander Nefsky had beëindigd. De sonate werd een tijdsdocument in noten. Een Hongaarse recensent die de première bijwoonde, schreef dat hij verbijsterd was door de impact die de sonate op het publiek bleek te hebben. Het gehoor voelde tijdens de première in de notenreeksen de beklemming van het sovjetregime. De pizzicato-akkoorden die door de piano worden beantwoord leken een ongehoorde aanklacht tegen de aanwezige kameraden uit het politbureau van dictator Stalin. Ze riepen het verlangen op naar een magische wereld zonder terreur en censuur.

Prokofjev liet zich zelf uit zelfbehoud niet uit over het provocerende karakter van zijn noten. ‘Het eerste deel is ernstig, het tweede deel levendig en het derde lieflijk en teder. De finale is weer snel en geschreven in een ingewikkelde ritmiek,’ lichtte hij toe.

uit: een ontmoeting aan het schaakbord; uit: In hoger sferen, Paul Witteman, Balans Amsterdam, 2005

Bijna iedere dag muziek: Richard Wagner

Er zijn maar weinig momenten beter geschikt om na te denken over de mythische oorsprong van Duitsland dan tijdens het beluisteren van het voorspel tot de tweede acte van Siegfried. Dit bijna onuitvoerbare muziekstuk roept in een vijftal minuten een ondoordringbaar, verstikkend, duister woud en een dreigende sfeer op (dat laatste met name door een slapende draak) en een gevoel van verwachting – de talloze jaren waarin dwergen en goden ongeduldig met de vingers hebben getrommeld in afwachting van de belangrijke (zij het aan dwaasheid grenzende) gebeurtenissen die zich eindelijk zullen ontvouwen.

Je kunt moeilijk ontkomen aan een gevoel van irritatie, vermengd met opluchting, dat niet-Duitsers zich zo indirect tot deze muziek verhouden. Er zijn nogal wat belangrijke niet-Duitse dwepers en Wagner-interpreten geweest, maar niemand van hen heeft zich zo aangesproken gevoeld door de wortels en de betekenis van dit muziekdrama als de Duitsers. Achter alle elementen van het voorspel in de bossen gaat iets schuil dat kenmerkend is voor de Duitse cultuur. Engelse bossen ben je voorbij voor je het weet en erin rondlopen stelt als vorm van lichaamsbeweging nauwelijks iets voor, met om de paar meter een speeltuin, patatkraam of picknicktafel. Maar in Duitsland kun je nog boven op een hoge heuvel gaan staan en zo ver de horizon reikt niets dan bomen zien. Het zijn weliswaar piekfijn verzorgde bomen, maar ze lijken deel uit te maken van een oerbos. De draak, de dwergen en de goden maken eveneens een overtuigende indruk. Het lijken onderdelen van een doos speelgoed met wezens die zich in bergen en wouden ophouden en steeds weer zijn geschilderd door generaties taalkundigen, folkloristen en componisten, en die de ziel vormen van talloze festivals en kinderboeken.

uit: Germania – Simon Winder, Unieboek, Het Spectrum Amsterdam, 2014; vertaling Margreet de Boer en Ronald Kuil