Lorenzo Lotto: portret van een jonge man

Lorenzo_Lotto-_Portrait_of_a_Young_Man

Het is eigenlijk niet te bevatten dat dit portret door Lotto in 1506 geschilderd werd. Niet omdat er iets met de schilder aan de hand was (kwalen of erger), maar omdat dit schilderij modern aan doet voor de tijd waarin het geschilderd werd. Kijkt u maar eens goed naar dat gezicht van deze jongeman. Zijn huidkleur, de wenkbrauwen, zijn oogopslag, royale neus en dat geheimzinnige glimlachje. Het doet niet snel denken aan de late Middeleeuwen waarin God gebood en de adel heerste. De tijd ook waarin beiden verheerlijkt werden op veel schilderijen en in portretten. Nee, dit lijkt wel een beetje op de jongen van hiernaast. Zo aards en werelds. En de gedachten gaan helemaal niet over welke adellijke jongeman hier veel geld uitgetrokken heeft om zo geschilderd te worden. Eerder: waarom dat trekje om zijn lippen en die oogopslag?

Advertenties

Fronsen en glimlachjes

Met de Schrikkelkalender in de hand: viel er nog wat te lachen in deze schikkelmaand?

Ronald Snijders en Fedor van Eldijk geven antwoord:

Als je iets onvoorstelbaar vindt, dan heb je gewoon te weinig fantasie (waar, RE).

Koekje van eigen deeg voor de sceptici: “Ik moet nog maar zien dat het allemaal niet waar is.”

Onderzoek (tijdens Carnaval) wijst uit dat Brabantse nachten even lang zijn als in de rest van Nederland.

Idee voor verbetering van Twitter: minmaal 1600 woorden in plaats van maximaal 140 tekens en een moderator die de opbouw controleert.

(Nieuw format, meneer Endemol let U even op!) TV-programma: Vallende Sterren. Amper bekende Nederlanders worden een ravijn in geduwd om bekender te worden.

Meten met twee maten vind ik eigenlijk altijd wel gezellig.

(Deze is totaal van seksisme ontdaan want waar!) Van Eldijk: “Vrouwen zeggen vaak dat ze twee dingen tegelijk kunnen, maar het tweede ding is vaak zeggen dat ze twee dingen tegelijk kunnen.”

Van uitslapen blijf je jong, van inslapen ga je dood.

Haatcavia: rancuneus knaagdier.

haat-cavia

Typisch voorbeeld van een haat-cavia.

Snijders: “Opmerkelijk veel reacties gekregen op mijn plannen voor de bouw van een USB-poort naast het Centraal Station Amsterdam.”

Rest de vraag: kunnen we nog wel schrikkelen nu februari voorbij is? Volgende keer meer!

Over smaak: Frans Kellendonk

Het is zaterdagavond. Etenstijd. Geuren wakkeren de trek aan. Een biertje als aperitief. En ondertussen Mystiek Lichaam van Frans Kellendonk. Als aperitief? Dan een alinea die de leeshonger aanwakkert. Lees zelf:

Hij was achter in de twintig toen hij naar New York was gekomen. Hij geloofde in de gezondheid van zijn smaak en meende er groots werk te kunnen verrichten. Maar hij had al snel ontdekt dat smaak overbodig was geworden in de hemel der ideeën. Smaak heeft de pad die naar de weegbree kruipt wanneer hij door een spin gebeten is. Smaak leidt het varken naar de truffel, de misselijke hond naar het gras, de bizon over duizenden mijlen naar de zoutsteen. Smaak heeft de zwaluw die de blindheid van haar jongen wil genezen en vanzelf de weg vindt naar het sap van de stinkende gouwe. Smaak is weten wat goed voor je is, maar op de steenrots waar de hoogmoed zijn kerk had gebouwd waren alle functies van het instinct uitbesteed aan specialisten en hun technologie. In plaats van hersens hadden de rotsbewoners micro-elektronica, in plaats van papillen diëtisten, in plaats van gezondheid een medische wetenschap en wat ze mooi moesten vinden werd voor hen uitgemaakt door de kunsthandel.

madonna in de kerk Jan van Eyck

Madonna in de kerk, Jan van Eyck, 1439 ‘Bewijs van goede smaak, schilderij der schilderijen’, aldus 1 van de hoofdpersonages, Leendert Gijselhart, uit Mystiek Lichaam.

Thomas Müntzer: radicale Luther

thomas muntzer

Portret van Thomas Müntzer

Ik las over deze historische figuur in een Duitstalig boekwerk dat handelt over ongemakkelijke, schurende personen uit de Duitse historie. Want wat is er met Müntzer aan de hand?

Müntzer leefde van 1489 tot 1525. In een Duitsland dat zuchtte onder de macht van de kerk en de adel. Boeren waren nog lijfeigenen in die dagen. Slaven zouden we nu zeggen. Tijd voor veranderingen!

Die veranderingen kwamen toen Martin Luther zich roerde. Hij bond de strijd aan met de hoge geestelijkheid en de manier waarop de katholieke kerk het godsgeloof inrichtte. Luther stoorde zich aan het feit dat de katholieken meer op macht uit waren dan aan het dienen van God en diens woord. Omdat alle teksten in het Latijn werden voorgedragen in de kerk, dat voor veel gelovigen niet te volgen was, vond Luther dat die teksten vertaald moesten worden naar gewone-mensentaal. Dan konden mensen begrijpen waar Gods woord over ging. De boekdrukkunst, net uitgevonden, hielp om dat woord onder brede lagen van de bevolking te verspreiden. Luther zette de Reformatie in gang en deze beweging zou zich niet beperken tot Duitsland.

In eigen land had Luther volgers en bewonderaars. Eén daarvan was Thomas Müntzer. Hij was priester en onderschreef de denkbeelden van Luther. Maar Müntzer ging verder in zijn uitwerking van die ideeën. Hij vond dat Luther niet ver genoeg ging door alleen maar de kerkelijke macht af te wijzen. Müntzer, die als priester veel en vaak geconfronteerd werd met de gevolgen van het machtsmisbruik door geestelijkheid en adel,  vond dat Luther zich ook moest uitspreken tegen het machtsmisbruik door de wereldlijke heersers. Zijn strijd tegen de gevestgde orde maakte van Müntzer een sociaal-revolutionair en uiteindelijk ook tegenstander van Luther.

In Thüringen, waar Müntzer als priester praktiseerde, organiseerden vrijgemaakte boeren zich. Die geweldloze opstand van boeren kreeg de volledige steun van Müntzer. Hij riep vanaf de kansel op tot opstand. Maar dat niet alleen. Müntzer probeerde de nieuwe rechtvaardige samenleving niet alleen uit te dragen maar ook uit te voeren. Privileges werden opgeheven; kloosters gingen dicht; er kwam daklozenopvang en er was bed, bad en brood voor de havelozen.

Of dat nog niet genoeg was, ging Müntzer voorop in de strijd van de boeren. In 1525 was hij leider van de opstand die leidde tot de slag van Frankenhausen. Deze boerenopstand werd hard onderdrukt door de adel, die over betere wapens en meer geld en middelen beschikte.

Müntzer werd gevangen genomen, gefolterd en terechtgesteld. Hij werd onthoofd. Zijn lichaam gespietst en zijn hoofd op een paal gezet om af te schrikken.

Müntzer is ook in Duitsland geen al te bekend figuur en zeker geen historische held! In de voormalige DDR wist hij het ooit tot afbeelding op het vijf Mark-biljet te brengen.

Bron: Wolfgang Korn, Von der Lust am Eigensinn, 2012

Salter eert Saint-Exupéry

Antoine-de-Saint-Exupéry

Antoine de Saint-Exupéry

De Amerikaanse schrijver James Salter is gevechtspiloot geweest bij de luchtmacht. Hij voerde meer dan 100 gevechtsvluchten uit tijdens de Korea-oorlog. Daarover schrijft hij in zijn autobiografische roman Dwars Door De Dagen. De volgende alinea uit dat boek is gewijd aan een andere piloot die onsterfelijk werd door een boek: Antoine de Saint-Exupéry. Deze Fransman schreef De Kleine Prins.

Gevechtsvliegers vechten niet, zoals Saint-Exupéry zei, ze moorden. Hij (Saint-Exupéry) was zelf geen gevechtsvlieger – hij sprak als mogelijk slachtoffer, wat hij ten slotte ook is geworden. Hij vloog in een verkenningsvliegtuig toen het gebeurde, ongewapend en vertrouwend op zijn snelheid, hoewel de machines nooit echt zo snel zijn. Hij was te oud voor de oorlog en te beschaafd. De gevechtsvliegers die aces waren, hadden namen zoals Adolph en Sailor, Ginger en Don. Een ace had vijf of meer vliegtuigen neergehaald, hij verscheen plotseling en onzichtbaar en liet in de eerste verschrikkelijke seconden een stroom geschutsvuur los. Er stroomde een soort bloed uit het getroffen vliegtuig – in werkelijkheid was het zwarte rook, maar het voorspelde alles. Er vlogen stukken metaal in het rond, de hele zorgvuldig gebouwde machinerie kilometers boven de aarde viel uit elkaar, de vleugels lieten los en het vliegtuig werd onbestuurbaar.

In Pointe de la Baumette aan de zuidkust van Frankrijk is een vuurtoren met een plaquette die aan het einde van Saint-Exupéry herinnert. Hij verdween in juli 1944, zijn machine was een van de vele die gewoon spoorloos verdwenen in de grote opruiming van de oorlog. Blauwe zee van schitterende schoonheid, de zee waarop Cervantes vocht (Don Quichote, RE) en waar de geschiedenis werd geboren – ergens daarin liggen de beenderen van deze wereldlijke heilige.

Een ode van Salter aan die andere Brother in Arms.

Schrijver James Salter schildert

Schrijver James Salter (1925-2015) schildert dat wil zeggen, wordt met schilders vergeleken. Bijvoorbeeld met Edward Hopper omdat in zijn korte verhalen de tijd niet belangrijk is, maar wel het licht. Met de Franse Pointillisten omdat de pennenstreken en accenten die Salter plaatst pas een beeld vormen als je er met enige afstand naar kijkt. Met John Singer Sargent omdat Salter’s stijl ook direct en economisch is.

hopper night windows

Edward Hopper Night Windows

Zelf zei Salter eens dat hij bij het schrijven van zijn roman Lichtjaren de Franse schilder Pierre Bonnard in het hoofd had. Vanwege de sfeer, de eenzame manier van werken en zijn onverschilligheid tegenover roem en glamour. Salter is gekend vanwege zijn gave zinnen en poëtische beelden; zijn beschrijvingen van vrouwen; zijn psychologische portretten en zijn melancholie.

earthly-paradise-1920.jpg!Large

Pierre Bonnard, Aards Paradijs

Ik lees Dwars Door De Dagen, een roman met veel autobiografische kenmerken. Daaruit deze passage:

We gingen het leger in en dat was een reusachtig, diep meer, trager en dieper dan je had gedroomd. Het werd van onderen gevoed door bronnen, fris en eeuwig zuiver. Aan de oppervlakte, bij het afvoerkanaal, was het water ouder en minder helder, maar dat zou er snel uitlopen. Wij waren het nieuwe, onbezoedelde water.

Bron: Steinz, Gids voor de wereldliteratuur, 2015 

Frans Kellendonk: Mystiek lichaam

kellendonk_1983

Frans Kelledonk in 1983

Frans Kellendonk (Nijmegen, 1951 – Amsterdam, 1990) Nederlandse schrijver, anglist en vertaler. Zijn bekendste boek is Mystiek lichaam (roman, 1986). In dat boek lees ik.

Het cliché zegt dat literatuur heilige huisjes omverhaalt. Deze roman neemt het huisraad uit het heiligste van alle huisjes, de kerk zelf, en zet het op zijn kop.

De roman vertelt het allegorische familieverhaal van een gierige weduwnaar met antisemitische trekjes, zijn dochter Magda, die Prul genoemd wordt en een naïeve kletskous is, en zijn zoon. Een boek met een merkwaardig aansprekende toon. Onderhuids voel ik woede, frustratie, iets wat lijkt op humor, maar bovenal onvermijdelijkheid. Dit verhaal moest verteld worden.

Een voorbeeld van die toon. Over Prul (dochter Magda) gaat de volgende alinea:

En hij had zoveel om over na te denken. Bijvoorbeeld hoe onbegrijpelijk het was, achteraf dat hij er jaren over gedaan had om van zijn dochter te leren houden. Maar de liefde was een hoge wetenschap, hijzelf hardleers, Prul een taaie les. Om te beginnen had ze niet eens geboren willen worden, die zaterdag, dertig jaar geleden, toen suiker en textiel nog op de bon waren en het gezin wegens de woningnood op een zolderverdieping in de stad huisde. Haar moeder was al dertien dagen uitgeteld en nog kwamen er geen weeën. De dokter, die dat weekeinde naar buiten wilde, naar zijn paarden, had haar pillen gegeven. De bevalling duurde van één uur ’s middags tot vier uur ’s nachts en alles wat dat titanenwerk voortbracht was een onooglijk ding van amper vier pond, vol rimpels en blauwe plekken. Gijselhart had het op het eerste gezicht Prul gedoopt. Het had dauwworm en moest elke dag gebaad worden in zemelenpap en stijfsel. Het wilde niet eten, niet slapen, alleen zo zenuwsterkend krijsen dat hij het op een nacht uit de wieg had genomen en uit het raam van de dakkapel had laten hangen, dertig meter boven de rijweg. ‘Nou is het uit of ik smijt je naar beneden!’ Hij had dat verhaal nog dikwijls moeten horen, het was een van Prulletjes dierbaars anekdotes geworden.

Mystiek lichaam is een omstreden boek in onze literatuur. Al lezend wil ik begrijpen waarom.

Thomas Kneubühler: kunstlicht

Thomas Kneubühler is van geboorte Zwitser maar woont en werkt in het Canadese Montreal. De eerste drie foto’s laten de kantoorflat zien tijdens de donkere uren. Bij daglicht hebben we geen zicht op wat daar allemaal gebeurt. In het donker, als de lichten aan gaan, kunnen we pas zien wat zich daar afspeelt. Kneubühler fotografeerde vanaf een hoog standpunt zodat de inkijk beter is.

De onderste drie foto’s hebben het skiën bij avondlicht als thema. Als je nog met het romantische idee rondloopt dat skiën te maken heeft met sneeuw, kou en het bedwingen van de natuur, komt hier bedrogen uit. Het is toeristische industrie met kunstlicht, parkeerplaatsen en grote verlichte pistes. Aan alles wordt gedacht om het de moderne mens naar de zin te maken: gemak dient de mens en daarna Après Ski!

Thomas Kneubühler-2

þ

 

Thomas Kneubühler-3

mt tim hortons 001

cosco

ste anne track 400 001

Nuchtere humor

Wij Ollanders zijn nogal een nuchter, aards en bedeesd volk. Ons maaiveld is het moeras en met moeite ontworstelen we ons aan het water dat vaak aan de lippen staat. In de vaderlandse gedichten zien we dat terug. Dichten mag, maar dan wel leuk! Van no-nonsence naar nonsens is een kleine stap in de lage landen-poëzie. Drs.P kwam op de proppen met plezierdichten en terstond wist iedereen dat deze sympathieke Zwitser de juiste snaar had geraakt.

In navolging van en ter ere: desgevraagd een paar pleziergedichten. Met dank aan Vic van de Reijt, die ze bijeenbracht in: Ik Wou Dat Ik Twee Hondjes Was. (Uitgeverij Bert Bakker, 1982)

van het reve k

Karel van het Reve

Kleine Jantje

Kleine Jantje likte van de – Keukenspiegel al het kwik, – In zijn jeugdige onschuld menend – Dat dit hielp tegen de hik.

Op het kerkhof sprak zijn moeder – Snedig tot mevrouw van Valen: – “’t Was een zure dag voor Jantje – Toen het kwik begon te dalen.”

Cees Buddingh’, 1960

H2O JÉ

In Connecticut – in ‘ n waterput – verdronk mijn tante Eefje

Nog jaren later – dronk oom ’t water – uitsluitend door een zeefje.

John o’Mill, 1956

Er staat een boom in Nederland – Dicht bij het plaatsje Duiven. – Daar groeien rode neuzen aan – En al die neuzen snuiven.

Zodra het echter winter wordt – En het begint te vriezen, – Dan worden al die neuzen paars – En al die neuzen niezen.

Daan Zonderland, 1952

Een rijksambtenaar tweede klasse – Zat ’s avonds zijn voeten te wassen. – Hij wou op het zand – Van het Tesselse strand – Ontkleed zijn verloofde verrassen.

Karel van het Reve, 1954

Jeugdidolen: Tom Sawyer en Huckleberry Finn

De introductie van Huckleberry Finn als personage:

huck finn

Kort daarop kwam Tom de jeugdige dorpsparia tegen, Huckleberry Finn, de zoon van de plaatselijke dronkaard. Huckleberry werd door alle moeders in het dorp met hart en ziel gehaat en gevreesd omdat hij lui was, en bandeloos, en grof, en slecht – en omdat hun kinderen hem zo bewonderden, en zo genoten van zijn verboden gezelschap, en wensten dat ze net zo durfden te zijn als hij. Net als de andere jongens van fatsoenlijke huize benijdt Tom Huckleberry om zijn opzichtige status van verschoppeling en was het hem ten strengste verboden om met hem te spelen. Daarom speelde hij met hem wanneer hij zijn kans maar schoon zag. Huckleberry was altijd gekleed in de afdankertjes van volwassen mannen, die in eeuwige bloei verkeerden en aan fladderende flarden hingen. Zijn hoed was een aftands geval van enorme afmetingen met een rand waaruit een sikkelvormige hap leek te zijn genomen; zijn jas hing, als hij er een droeg, bijna tot op zijn hielen, met de achterknopen ver onder zijn rug; zijn broek werd opgehouden door slechts één bretel; het zitvlak van de broek hing haast tussen zijn knieën en bevatte niets; de gerafelde pijpen sleepten door de modder wanneer ze niet waren opgerold. Huckleberry kwam en ging naar het hem beliefde. Bij mooi weer sliep hij op de stoepen, bij slecht weer in lege vaten; hij hoefde nooit naar school of naar de kerk, hij hoefde in niemand zijn meerdere te erkennen en hij hoefde nooit iemand te gehoorzamen, hij kon gaan vissen of zwemmen waar en wanneer hij dat wilde, en net zo lang blijven als het hem uitkwam; niemand verbood hem om te vechten; hij kon zo lang opblijven als hij verkoos; hij was altijd de eerste jongen die in de lente op blote voeten liep en de laatste die in de herfst het leer weer droeg; hij hoefde zich nooit te wassen of schone kleren aan te trekken; hij kon prachtig vloeken. Die knaap beschikte kortom over alles wat het leven de moeite waard maakt.