Romain Gary en Jean Seberg: turbulente levens eindigden dramatisch

gary & seberg, pinterest

bron foto: pinterest.at

Schrijver Romain Gary (eigenlijke naam Roman Kacew) werd geboren in Vilnius, Litouwen. Als jongen werd hij op jonge leeftijd in de steek gelaten door zijn vader.  Hij voelde dat als afwijzing, als een ontkenning van zijn bestaan. Gary hield er zelfverachting aan over. Zijn moeder Mina, Russisch van geboorte en met een Poolse jood getrouwd, leefde in het joods getto van Vilnius. Mina moest met Roman veel en vaak op de vlucht voor pogroms. Maar altijd weer die enorme overlevingsdrang en de hoop dat het met haar zoon goed zou komen. Zij hoopte dat haar zoon zou slagen als ambassadeur voor Frankrijk. Roman zelf zag dat anders. Hij wilde vliegenier worden (wat hij deed). Daarna was het adagio: schrijver. Ook dat lukte. Hij won met zijn schrijven zelfs tweemaal een Prix Goncourt.

In het leven van bekende schrijvers duiken soms bekende actrices op. In het geval van Gary was dat niet anders. Rond 1960 ontmoetten Gary en de Amerikaans-Franse actrice Jean Seberg elkaar. Dankzij Seberg werd Gary wereldberoemd. Maar actrice en schrijver werden er niet gelukkig van. Beiden pleegde zelfmoord.

Hoe vaak hij het ook probeerde, Romain Gary kwam zijn zelfverachting niet te boven. Uit angst voor de ouderdom en de aftakeling maakte hij op zesenzestigjarige leeftijd een einde aan zijn leven. Op 2 december 1980 legde hij bij hem thuis, in de rue du Bac in het zevende arrondissement van Parijs, een handdoek op het kussen, ging op bed liggen, stak een revolver in zijn mond en haalde de trekker over.

Vijftien maanden eerder was in Parijs in een Renault 5 het stoffelijk overschot van Jean Seberg gevonden. Na zeven zelfmoordpogingen was de achtste haar fataal geworden. De actrice stierf aan een overdosis slaappillen, kalmerende middelen en drank.

De auto van Jean stond op enkele honderden meters van de ru du Bac geparkeerd.

Op het bed waar Romain Gary de trekker overhaalde, werd een brief gevonden.

“D-day

Geen enkel verband met Jean Seberg. De liefhebbers van gebroken harten wordt verzocht zich elders te vervoegen.

Men kan dit natuurlijk toeschrijven aan een depressie. Maar dan moet men toegeven dat deze al duurt vanaf het moment dat ik volwassen werd en dat deze me toegestaan heeft een literair oeuvre tot stand te brengen.

Dus, waarm? Misschien moet het antwoord gezocht worden in de titel van mijn autobiografische boek De nacht zal kalm zijn en in de laatste woorden  van mijn laatste roman: ‘Want beter kan het niet gezegd worden.” Ik heb me eindelijk volledig uitgedrukt.

Romain Gary”

Zo eindigde het leven van een man die aan de hel van Vilnius was ontsnapt, die twee wereldoorlogen had overleefd, de Eerste in het Oosten, de Tweede in het Westen… Met een paar haastig geformuleerde zinnen, lelijke zinnen, die schreeuwen van eenzaamheid.

Uit: Baltische zielen – Jan Brokken, Atlascontact Amsterdam, 2010

Romain Gary (Roman Kacew) 1914-1980, Vilnius, Litouwen

Osip Mandelstam: wij leven…

Wij leven en hebben geen voet aan de grond, / Wij spreken alleen met een blad voor de mond,

En waar wij vertrouwelijk raken, / Komt de man in het Kremlin ter sprake.

Zijn vingers zijn dik en als wormen zo vet, / En onder zijn woorden wordt alles geplet.

Zijn kakkerlakkensnorren smalen, / Zijn laarzenschachten stralen.

Om hem heen het gespuis dat beweegt op zijn wens, / Dunhalzige leiders, half monster, half mens.

Zij hinneken, blaffen, miauwen, / En hij alleen trekt aan de touwen.

Als hoefijzers smeedt hij bevel op bevel: / Jij moet zus, jij moet zo, jij moet niet, jij moet wel!

Hangop is zijn lievelingseten, / En breed de borst der Osseten.

Uit: De meisjes van Zanzibar, samengesteld door Karel van het Reve en Joep Schreurs, Plantage Leiden, 1999

mandelstam, osip,Mugshot van Mandelstam gemaakt bij zijn arrestatie nadat hij Stalin in bijgaand gedicht had beledigd. bron foto: wsj.com

Osip Mandelstam (1891-1938, Warschau, Polen)

Tolstoj over Toergenjev volgens Karel van het Reve

Ongeveer een jaar na Toergenjevs dood heeft zijn leerling Tolstoj in een brief getracht een karakteristiek te geven van de man, van wie hij veel geleerd had, die hem in het Westen beroemd gemaakt had en met wie hij het persoonlijk nooit goed had kunnen vinden – het was zelfs een keer bijna tot een duel gekomen. Er zijn drie factoren, schreef Tolstoj, die in een geschrift van belang zijn: wie aan het woord is, hoe hij spreekt, goed of slecht, en: of hij oprecht is. Toergenjev was volgens Tolstoj iemand die op zeldzame wijze deze drie dingen verenigde. Verder, zegt Tolstoj – en men kan de nu volgende formulering niet anders dan gelukkig noemen – vindt men bij Toergenjev drie dingen: geloof in de schoonheid, in vrouwenliefde, in kunst, twijfel aan deze dingen en twijfel aan alles, en, tenslotte, een beschaamd, zich zelden helemaal uitsprekend, ongeformuleerd geloof in het goede.

Uit: Arnon Grunberg leest Karel van het Reve, Muntinga Amsterdam, 2004

Tolstoj (1828-1910, Yasnaya Polyana, Rusland)

Toergenjev (1818-1883, Orjol, Rusland)

Karel van het Reve, groene.nlbron foto: groene.nl

Karel van het Reve (1921-1999, Amsterdam)

Igor Pjörrt: okeren schaduw

pjörrt, igor, betelgeusepjörrt, igor, betelgeuse3pjörrt, igor, betelgeuse5

De jonge Portugese fotograaf Igor Pjörrt (geboren op het eiland Madeira, Azoren) zoekt zijn onderwerpen niet ver van huis. Het zijn intieme portretten van vrienden en familie. ‘De mensen van wie ik houd’, aldus de fotograaf. Zijn foto’s tonen de jeugd, het zoeken naar identiteit, veiligheid, volwassen worden, verveling en eenzaamheid. Pjörrt heeft daarbij een voorkeur voor warme kleuren, zoals de okere gloed die bijgaande foto’s tonen. De Portugees geeft met zijn foto’s beeld aan twijfel, angst en rebellie waarmee deze jeugd zegt te kampen. ‘We zijn idealistisch, geïnformeerd en ongeduldig’, laat de jonge fotograaf weten. Ondertussen studeert hij film in Londen omdat zijn foto’s al de filmische blik lieten zien.

pjörrt, igor, betelgeuse2pjörrt, igor, betelgeuse4pjörrt, igor, betelgeuse6

Isaak Babel en de pikante vrouw

Een situatieschets: stel je voor je bent redacteur bij een (literair) tijdschrift en aan de deur verschijnen kandidaten voor een functie. In dit geval zijn het er 9. In onderstaand fragment gaat het om de tweede kandidaat die een gooi doet naar… ja, wat eigenlijk?

Nummer twee is een juffrouw, mager, verlegen en heel mooi. Ze komt al voor de derde keer. Haar poëzie is niet voor de druk bestemd. Ze wil weten – en dat is alles wat ze wil – of het voor haar de moeite waard is met schrijven door te gaan. De redacteur spreekt haar vriendelijk toe. Af en toe ziet hij haar op de Newski Prospekt, in gezelschap van een lange meneer die dan soms heel omstandig een half dozijn appelen voor haar koopt. Die omslachtigheid geeft te denken. De gedichten leggen er getuigenis van af. Zij behelzen de ongekunstelde geschiedenis van haar leven.

Wil je mijn lichaam, -schrijft het meisje – neem het dan, mijn vriend, mijn vijand, maar – waar vindt mijn ziel haar droom?

De redacteur denkt na. Dat lichaam krijgt die meneer straks wel. Alles wijst erop. Kijk maar eens naar die verwarde, hulpeloze blik in die mooie ogen van je. Je ziel zal haar droom minder gauw vinden, maar als vrouw zul je pikant zijn.

In haar gedichten beschrijft het meisje, het ‘waanzinnig-schrikwekkende’, of het ‘waanzinnig-verrukkelijke’ leven, plus een aantal kleine onaangenaamheden en verder nog klanken, klanken, klanken om mij heen, die mij dronken maken, klanken zonder eind…

Je kunt er zeker van zijn dat, als de solide heer zijn werk tot een goed einde heeft gebracht, het meisje zal ophouden met het verzen schrijven en een vroedvrouw zal raadplegen.

Uit: Mijn blocnote; uit: Miniaturen, verspreide verhalen en dagboekbladen, Moussault Amsterdam, 1970; vertaling Charles B. Timmer

Babel, Isaak, groene.nlbron foto: groene.nl

Isaak Babel (1894-1940, Odessa, Oekraïne)

Marguerite Duras laat de pijn van de oorlog voelen

Schrijfster Marguerite Duras (1914-1996, Vietnam) was tijdens de Tweede Wereldoorlog actief in de verzetsorganisatie die geleid werd door François Mitterand, de latere president van Frankrijk. Over die oorlogstijd gaan haar verhalen in De pijn.

Zelf schreef ze daarover: ‘De pijn is een van de belangrijkste dingen uit mijn leven. Het woord ‘geschrift’ past eigenlijk niet. Ik stond tegenover regelmatig volgeschreven bladzijden in een klein, buitengewoon regelmatig en rustig handschrift.

Ik stond tegenover een reusachtige wanorde van gedachten en gevoelens waar ik niet aan heb durven komen en bij de aanblik waarvan de literatuur me met schaamte vervulde.’

Wij zitten aan de kant van de wereld waar de doden zich ophopen in een onontwarbaar massagraf. Dat gebeurt in Europa. Daar is het waar men joden verbrandt, miljoenen. Daar is het waar men ze beweent. Het verbaasde Amerika ziet de reusachtige crematoria van Europa roken. Ik voel me gedwongen te denken aan die oude vrouw met grijze haren die klagend op bericht wacht over die in de dood zo eenzame zoon, zestien jaar, op de Quai des Arts. De mijne, misschien heeft iemand hem gezien zoals ik hem daar heb gezien, in een greppel, terwijl zijn handen voor de laatste keer wenkten en zijn ogen al niet meer zagen. Iemand die nooit zal weten wie die man voor mij was, en van wie ik nooit zal weten wie hij is. Wij behoren tot Europa, daar gebeurt het, in Europa, waar we samen opgesloten zitten tegenover de rest van de wereld. Rondom ons dezelfde oceanen, dezelfde invasies, dezelfde oorlogen. Wij behoren tot het ras van degenen die in de crematoria verbrand worden, van de vergasten in Maidanek, wij behoren tot het ras van de nazi’s. De gelijkmakende functie van de crematoria van Buchenwald, van de honger, van de massagraven van Bergen-Belsen, in de kuilen ligt een deel van ons, die zo volkomen identieke skeletten maken deel uit van één Europese familie. Het is niet op een van de Soenda-eilanden of in een gebied van de Stille Oceaan dat deze gebeurtenissen plaatshadden, het is op ons grondgebied, dat van Europa.

(..)

Als deze nazi-misdaad niet op wereldschaal wordt uitgemeten, als zij niet op collectieve schaal wordt verstaan, heeft men de concentratiekampgevangene van Belsen, die eenzaam stierf met een collectieve ziel en een klassebewustzijn, hetzelfde als waarmee hij op een bepaalde nacht, op een bepaalde plaats in Europa, zonder leider, zonder uniform, zonder getuigen, een schroefbout van de rails loswrikte, verraden. Als men de nazi-gruwelen tot een Duitse en niet tot een collectieve aangelegenheid maakt, brengt men de man van Belsen terug tot de proporties van een streekbewoner. Het enige antwoord dat men op deze misdaad kan geven is er een misdaad van ons allen van te maken. Erin te delen. Net als bij de idee van gelijkheid, van broederschap. Om het te kunnen verdragen, om de gedachte eraan te kunnen dulden, delen in de misdaad.

Uit: De pijn, Van Gennep Amsterdam, 1985

marguerite-duras__seagullbooks.orgbron foto: seagullbooks.org

Marguerite Duras (1914-1996, Gia Dinh, Vietnam)

Ian McEwan en het onherleidbare menselijke element

Ik las Amsterdam van de Britse schrijver Ian McEwan (1948, Aldershot). Een schrijver die veel en vaak indruk maakt door zijn onnavolgbare personages en de extreme gebeurtenissen in zijn boeken. De cementen tuin (1978) maakte op mij een diepe indruk.

In Amsterdam volgen we de drie hoofdpersonen: Clive, componist die bezig is met een symfonie die het werk van Beethoven naar de kroon gaat steken. Vernon, hoofdredacteur van een krant die op het punt staat met een belastende primeur te komen, die de oplagecijfers naar grote hoogte moet stuwen. En Garmony, een politicus met typisch Britse eigenschappen. Clive en Vernon zijn vrienden die een hekel hebben aan Garmony. Zij treffen elkaar in het begin van het verhaal op de begrafenis van vriendin Molly Lane. Molly heeft in het verleden met alle drie een verhouding gehad.

Het is een verhaal over falen, schuld en boete, euthanasie, vriend- en vijandschap. In de goede handen van McEwan leest dat heerlijk weg. Hoewel met een Booker Prize bekroond (1998) is het zeker niet het beste boek van McEwan. Maar verveeld heb ik me niet. Daarvoor is McEwan een te groot vakman.

Een fragment:

Om hem de pas af te snijden hield Clive zijn hand op voor nog een foto. Op deze, een opname van hoofd en schouders, was de jurk van Garmony meer zijig vrouwelijk. De pofmouwtjes en halslijn waaren eenvoudig afgezet met kant. Misschien had hij wel lingerie aan. Het effect was minder geslaagd, want het leidde tot volledige ontmaskering van de verholen mannelijkheid en toonde de aandoenlijke, onmogelijke hoop van zijn verwarde identiteit. Molly’s kunstige belichting kon niet de kaakbeenderen van een reusachtig hoofd laten verdwijnen, of de zwelling van een adamsappel. Hoe hij eruitzag en hoe hij eruit dacht te zien, lagen waarschijnlijk ver uiteen. Ze hadden lachwekkend moeten zijn, die foto’s, ze wáren ook lachwekkend, maar Clive was ook onder de indruk. We weten zo weinig van elkaar. We liggen grotendeels ondergedompeld, als drijfijs, en alleen ons zichtbare sociale ik steekt koel en wit naar boven. Hier was een zeldzame blik onder de golven, op iemands persoonlijke leven en gewoel, op zijn waardigheid die ten onder ging door de overweldigende noodzaak van de zuivere verbeelding, de zuivere gedachte, door het onherleidbare menselijke element – de geest.

Uit: Amsterdam, Harmonie Amsterdam, 1998

ian-mcewan-tellerreport.debron foto: tellerreport.com

Ian McEwan (1948, Aldershot, UK)

Het virus en de angst: De Pestdagen

Ik las De Pestdagen van de Oostenrijkse schrijver Barbara Büchner (1950, Wenen). De historische roman speelt in Wenen in 1898. Artsen nemen de pestbacil mee uit India voor onderzoek. Die informatie lekt uit en ook de bacil breekt uit. De jonge ambitieuze arts Hermann Müller verpleegt met zorg zijn patiënten en denkt dat hij de bacil het hoofd kan bieden. De bacil verspreidt zich en de paniek breekt uit.

In een tijd waarin wetenschap en media een steeds belangrijkere rol spelen, laat de roman zien wat angst met mensen doet.

Over die angst een citaat:

De bediende haalde zijn schouders op, wat verlegen door de vriendelijke, vertrouwde manier waarop de arts – een zeer bereisde en beroemde arts, zoals hij had gehoord, die zelfs boeken schreef – hem bejegende. ‘Weet u, meneer docent,’ antwoordde hij, ‘sterven kan een mens overal aan, niet alleen aan de pest. Wat heb ik al veel met zieken en doden te maken gehad die door difterie, roodvonk, mazelen of een andere besmettelijke ziekte zijn overleden! Bij die ziekten kan ook iedere onnadenkende aanraking de dood tot gevolg hebben. Een mens moet voorzichtig zijn, God om hulp bidden en het lot aanvaarden zoals het komt.’

Toen dr. Müller hem lachend toeknikte, vatte hij moed om zijn opvattingen nader te verklaren. ‘De kranten daarbuiten, de autoriteiten, de politici, die schreeuwen nu allemaal als dwazen, omdat je aan de pest kunt sterven! Ja, maar moet je soms niet sterven, als je aan die besmetting ontsnapt? Over honderd jaar zullen we allemaal dood zijn, maakt niet uit waar we aan gestorven zijn. Het is de mens gezet nu eenmaal te sterven, wanneer en waaraan maakt niet uit. Je moet je niet in de armen van de dood werpen, maar je moet je ook niet door angst laten gekmaken.

Uit: De Pestdagen, De banier Utrecht, 2007; vertaling Liesbeth Goedbloed

Büchner Barbara, digitalpublishers.de

bron foto: digitalpublishers.de

Barbara Büchner (1950, Wenen, Oostenrijk)

Levenskunst: ‘zorg voor jezelf’

Vlak voor zijn dood in 1984 sprak de Franse filosoof Michel Foucault zijn teleurstelling uit over de onverschilligheid en het gebrek aan levenskunst van de moderne westerse mens. Hij had de jaren daarvoor uitvoerig onderzoek gedaan naar de levensstijl van de oude Grieken en Romeinen en was diep onder de indruk geraakt van hun vitaliteit en ‘zorg voor zichzelf’. Inmiddels is de levenskunst in de mode.

De dialoog Alcibiades van Plato (428-348 v chr) is de eerste tekst over levenskunst uit de geschiedenis van de filosofie. Alcibiades is een Atheense jongeman, nog geen twintig, getalenteerd en van rijke komaf. Hij droomt van een grote politieke loopbaan. In deze dialoog laat Plato Socrates aan het woord over hoe je persoonlijkheid vormt. Daaruit het volgende:

Socr: Het is dus uitgesloten dat men gelukkig zou zijn, als men niet wijs en goed is.

Alc: Inderdaad uitgesloten.

Socr: Het zijn dus de slechten onder de mensen, die ongelukkig zijn.

Alc: Zeer zeker.

Socr: Niet door rijk te worden ontkomt men dus aan het ongeluk, maar door wijs te worden.

Alc: Dat is evident.

Socr: Wat de staten dus nodig hebben, als ze gelukkig willen zijn, zijn niet wallen of oorlogsschepen of scheepswerven, noch een talrijke bevolking of een grote uitgestrektheid, als het meest waardevolle aspect, de deugd, ontbreekt.

Alc: Dan hebben ze aan de rest niets.

Socr: Wil je dus een juiste en goede politiek voeren, dan zul je je medeburgers de deugd moeten bijbrengen.

Alc: Dat kan niet anders.

Socr: En kan men iemand bijbrengen wat men zelf niet heeft?

Alc: Hoe zou dat mogelijk zijn?

Socr: Zowel voor jezelf als voor elk ander die wil heersen en waken, niet alleen privé over zichzelf en zijn eigen belangen, maar ook over de stad en haar belangen, is het dus plicht eerste die deugd te verwerven.

Alc: Dat is waar.

Socr: Wat je dus dient te verwerven, is niet het recht en de macht – voor jezelf en voor de stad – om te handelen naar willekeur; maar wel rechtvaardigheid en wijsheid.

(..)

Socr: Geef immers iemand de macht om te doen wat hij wil, als hij het nodige verstand mist, wat zal dan – en dat geldt zowel voor het individu als voor de staat – vermoedelijk het resultaat zijn? Laat bijvoorbeeld een zieke vrij doen wat hij verkiest, laat hem, die geen verstand heeft van de geneeskunde, als een dictator zijn eigen wil doorvoeren, zonder dat iemand hem op de vingers kan tikken: wat zal dan het resultaat zijn? Zal, naar alle waarschijnlijkheid, zijn lichaam niet ten gronde gaan?

Alc: Dat is waar.

Uit: Over levenskunst, grote filosofen over het goede leven – Joep Dohmen, Ambo Amsterdam, 2002

socrates_portrait, wpbron illustratie: socratische methode.wordpress.com

Socrates (469-399 v chr, Alopeke, Griekenland)

Bijna iedere dag muziek: Phillipe Hirschhorn

Phillipe Hirschhorn (1946-1996, Letland), zoon van een Duits-joodse vader en een Letse moeder, was een geniale violist die lak had aan iedereen. In het bijzijn van die andere beroemde Letse violist Gidon Kremer verliet hij een concours in Moskou omdat hij niet in de juiste stemming was.

(..)

Het lag in ieders verwachting dat van de twee violisten Phillipe Hirschhorn de wereldvermaarde zou worden, niet Gidon Kremer.

Felik (zoals bekenden Phillipe noemden) vluchtte naar het Westen en zakte langzaam weg in een steeds groter wordend cynisme. Hij beëindigde zijn loopbaan als violist bij het Utrechts Symfonie Orkest en leraar aan het Utrechts conservatorium (Janine Jansen was een leerling van hem).

Hirschhorn overleed in 1996 in Brussel aan een hersentumor.

In de documentaire De winnaars van Paul Cohen en David van Tijn (zie hieronder) over de lotgevallen van de winnaars van het Koningin Elisabeth Concours komt Hirschhorn naar voren als de geniaalste van de grote musici die het concours in Brussel wonnen en hun grote belofte desondanks niet waarmaakten. Dat kwam, zegt iemand in de documentaire, omdat hij al op jeugdige leeftijd kortstondig in een gebied verkeerde waar gewone stervelingen nooit verblijven: dat van de absolute perfectie. Dat was een zo schokkende ervaring dat Hirschhorn er nooit volledig van herstelde. Hij was even God geweest, onaantastbaar, hij was zijn medemensen, en elk aards critirium, ontstegen. Dat is onverdraaglijk en stort een jongeman in een grote eenzaamheid. Hij was als Icarus die de zon nadert, of als Bobby Fischer, toen die in 1972 op een weergaloze wijze de wereldtitel schaken veroverde. Hirschhorn won niet alleen in Brussel, hij verbijsterde het publiek en de jury van het concours. Nadien hoefde het niet meer voor hem. Hij had het hoogste bereikt, hoger kon hij niet meer reiken. Boven God zit niets meer, behoudens gekte.

Uit: Baltische zielen – Jan Brokken, Atlas Contact Amsterdam, 2010