Landschap en herinnering: het land van de woudgids

bielowieza

Oerbos Bielowieza in Polen/Litouwen; bron foto: wikipedia.org

‘Landschappen zijn cultuur voor ze natuur zijn: constructies van de verbeelding, geprojecteerd op bos, water en rots.’ Dat is wat Simon Schama in zijn boek Landschap en herinnering vooral betoogt. Het is een boek dat bol staat van wetenswaardigheden. In elke alinea feiten en weetjes. Maar vooral boeiend en aansprekend. In het eerste deel gaat het over bos. Het oerbos Bielowieza in Polen/Litouwen om preciezer te zijn. We krijgen een korte blik op een roerige geschiedenis en leren waarom dat bos zo belangrijk is voor (veel) bewoners. Het belang van de bizon, het eland en de wolf. Dat het bos geëerd werd met een lang gedicht geschreven door Adam Mickiewicz. En dat uitgerekend top-nazi Hermann Göring er veel aan gelegen was het bos te behouden (vanwege de mogelijkheid om te jagen). Kortom, Schama trekt je met gemak het verhaal en de talloze neven-verhalen in. Het is een adembenemende trip langs allerlei wetenschappelijke en culturele disciplines. Je krijgt er rode ogen van… Hoe diep het bos in de ziel van sommige mensen is verankerd leert het volgende:

bielowieza, bizonDe bizon in Bielowieza; bron foto: wildpoland.com

De dag daarvoor had de woudgids, Wlodek, wiens verrassend blauwe ogen glimlachten in een gezicht met de kleur van boombast, ons zijn landschapsherinneringen verteld: aan het bosgebied ten oosten van Minsk waar hij was opgegroeid; aan het grensgebied van Hongarije waar hij was opgepakt door de Sovjet-troepen toen hij vluchtte voor het débacle van 1939; aan de Arctische goelag waar hij vrienden zag sterven van honger en kou, een gevangene met 40 graden koorts die zes uur met zijn voeten in een emmer met ijswater moest zitten als straf voor ‘lijntrekken’; het dorre landschap van Noord-Iran waar hij doorheen sjokte met de rest van het ‘Anders’-leger van Polen, vrijgelaten toen Hitler Stalin aanviel, onderweg naar het door de Britten bezette Irak; het tropische landschap van de Afrikaanse kust waar hij malaria kreeg op weg naar Durban en de troepenschepen; de golvende weiden van Essex waar hij als piloot werd getraind voor de Poolse luchtmacht van ballingen; de uitgebrande resten van Duitse steden waar hij chocoladerepen naar kleine kinderen gooide; de wanhopige vrouwen die hij en zijn makkers ‘Dutch’ noemden wanneer ze een nacht illegale verbroedering wilden.

En al die tijd had hij vastgehouden aan zijn herinneringen aan de Litouwse wouden alsof ze de parachutekoorden van zijn identiteit waren. Hij had zich de zware geur van de bizon herinnerd en de naar zoete amandelen smakende wodka van bizongras. ‘Ik geef niets om de staat,’ zei hij toen ik hem vroeg naar de Grote Overstap van communisme naar democratie. ‘Dit is mijn staat,’ glimlachte hij met een luchtig gebaar naar de bomen, ‘de natuur, snapt u: de natuurstaat.’

Uit: Landschap en herinnering – Simon Schama, Olympus Amsterdam, 2007; vertaling Karina van Santen, Martine Vosmaer

Poëzie im Frage: ‘hoort tot het rijk van het zijn’

de coninck, herman, m.gva.beHerman de Coninck; bron foto: m.gva.be

Wat bezielt een dichter? Kun je er eten van kopen? Gaat het leven niet aan je voorbij? Wat is de relatie tussen poëzie en het leven? Vragen die dichters bezighouden. Dichters die deze vragen oproepen. Eén van hen: Herman de Coninck (1944-1997, Mechelen, België). Hij schreef er ooit eens een essay over: Over de troost van pessimisme.

Dit is een maatschappij van hebben. Poëzie hoort tot het rijk van het zijn. Poëzie laat de lezer fundamentele houdingen begrijpen. Poëzie leert je hoe je moet leven. Poëzie leert dingen die je nergens elders in deze maatschappij te leren krijgt: hoe je in plaats van het overal te maken, in plaats van de winnaars-opleiding die je overal krijgt, moet verliezen. Het is een antwoord in de lijn van de veelgehoorde leuze: het nut van kunst ligt juist in de nutteloosheid ervan in deze op nut en bruikbaarheid ingestelde consumptiemaatschappij.

Uit: Over de troost van pessimisme, essays, Mateau Antwerpen, 1983

Hugo Brems, een andere Belg, vindt dat daarmee de discussie is doodgeslagen. Hij oordeelt:

De betekenis van poëzie voor het leven, het klinkt nogal verdacht, het ruikt naar filosofen die een gedicht citeren, naar lekenpastoraal, naar Phil Bosmans en Nel Benschop. Maar we gaan toch niet in ernst blijven beweren dat het daar niet zou op neerkomen? Als poëzie iets heeft wat je kan aanduiden met termen als nut, betekenis, functie, dan moet die toch wel voor het leven zijn. Er is toch niets anders, tenzij de dood.

Uit: De dichter is een koe, Arbeiderspers Amsterdam, 1991

Landschap en herinnering: het kathedraal-bos

Caspar_David_Friedrich_-_The_Cross_in_the_Mountains, wikipedia commons

Het kruis in de bergen van Caspar David Friedrichs (circa 1811)

De evolutie van Noordeuropese boomaanbidding via de chistelijke iconografie van de levensboom en het houten kruis tot aan beelden als Caspar David Friedrichs (1798-1840, Dresden, Duitsland) uitgesproken associatie tussen de altijdgroene spar en de architectuur van de wederopstanding (zie illustratie) kan esoterisch lijken. Maar in werkelijkheid leidt zij rechtstreeks naar het wezen van onze diepste verlangens: de hunkering om in de natuur troost te vinden voor onze sterfelijkheid. Daarom vinden we groepjes bomen, met hun jaarlijkse belofte van de ontwakende lente, een passend decor voor ons stoffelijk overschot. Het mysterie achter deze gemeenplaats blijkt veel te zeggen over de intiemste relatie tussen natuurlijke vorm en menselijk ontwerp.

Uit: Landschap en herinnering – Simon Schama, Olympus Amsterdam, 2007; vertaling Karina van Santen en Martine Vosmaer

Kapka Kassabova: vluchtelingen

Vluchtelingen

Kijk, de armoede van regen / dat we hem opvangen in vingerhoedjes van geduld / en uitgieten in de modder

Ondertussen / tellen we alle werelden / waarheen we nooit zullen gaan

We moeten herinneren – herinnering is hoop / maar rustig, want woorden kunnen gaten in ons snijden / zo groot dat we daar / te veel lichamen vinden liggen

Vergeten, we moeten vergeten / de herinneringen – ze gaan open en bloesemen / als stiletto’s in de darmen

Kijk: dit is de wereld die we hebben / te arm om je te verbergen, / te donker om te begaan, te alleen om te vergeten

Uit: Voor je ogen, Amnesty Amsterdam, 2011; vertaling Daan Bronkhorst

kassabova, kapka, youtube.combron still: youtube.com

Kapka Kassabova (1973, Sofia, Bulgarije)

Jankélevitch over het onzegbare en onnoembare van muziek

vladimir-jankelevitch, radio-canada.cabron foto: radio-canada.ca

De Franse filosoof Vladimir Jankélevitch (1903-1985, Bourges, Frankrijk) schreef een boekje over het onzegbare van muziek: La musique et l’ineffable (1961). De conclusie:

Muziek is een ‘bijna niets’, waarvan geen definitie valt te geven, dat alleen kan worden beleefd door de luisteraar. De luisteraar herschept elke keer opnieuw wat de componist heeft gemaakt. Wie weet zal ooit de ideale luisteraar samenvallen met de inspiratie waaruit het stuk is ontstaan. Het mysterie is daarmee nog niet opgehelderd, maar dat kan ook niet. Muziek is een onkenbaar verschijnsel, net zo onmogelijk te begrijpen als het mysterie van een artistieke schepping – een mysterie dat alleen ‘ervoor en erna’ kan worden begrepen. Ervoor is er psychologie, het karakter van de schepper, antropologie. Erna is er de beschrijving van hetgene dat is ontstaan. Hoe kun je het goddelijke moment tussen die twee vangen, wat zo doorslaggevend voor onze kennis zou zijn, maar dat zo obstinaat verborgen blijft voor ons? Het ergelijke, verwarrende geheim van de muziek ontwijkt ons en lijkt ons te beschimpen.

Om het ideale muzikale moment, waarbij de inspiratie van de luisteraar en de componist volledig samenvallen, wat dichter te benaderen, is zelf muziek spelen en luisteren naar muziek oneindig veel effectiever dan welk intellectueel inzicht dan ook, dat je zou kunnen opdoen uit een boek. Luisteren naar muziek schept een toestand van genade in een oogwenk, waar lange bladzijden vol poëtische metaforen niet aan voldoen.

Uit: Elk boek wil muziek zijn – Peter de Bruijn en Pieter Steinz, Prometheus Amsterdam, 2006

Parijs meer dan 100 jaar geleden

paris1914gparis1914oParisinAnotherEraParisinAnotherEra3ParisinAnotherEra8ParisinAnotherEra12ParisinAnotherEra13ParisinAnotherEra16ParisinAnotherEra17Hoe Parijs, de Franse hoofdstad, er meer dan 100 jaar geleden eruit zag, tonen deze kleurenfoto’s. Ze komen uit de nalatenschap van de steenrijke bankier Albert Kahn. Deze gaf in 1909 vier fotografen de opdracht om Parijs op de kiek te zetten. Dat deden ze met een net ontwikkelde manier om kleurenfoto’s te maken: autochrome lumière. Vanaf 1914 documenteerden Leon Gimpel, Stephane Passet, Georges Chevalier en Auguste Leon het dagelijks leven in de Lichtstad. Zie hier de resultaten. Het was 100 jaar geleden aanmerkelijk rustiger in Parijs.

paris1914a1paris1914bparis1914d

Bijna iedere dag muziek: Sigur Ros

Met bekende elementen iets nieuws scheppen dat doet/deed de IJslandse band Sigur Ros. In hun eigen taal of iets wat daar op lijkt (het door zanger Jonsi zelf ontwikkelde Hopelandic). In ieder geval onverstaanbaar voor een ieder die de taal niet machtig is. Is dat een probleem bij deze band? Nee, zeg ik. Er is van alles te beleven in hun muziek: het is sferisch, mysterieus, melodieus, akoestisch, elektrisch en heel ampart (zou mijn kameraad zeggen). En niet onbelangrijk: de band neemt zijn tijd voor de nummers. Het is geen drie akkoorden, snel klaar (daarvoor hebben we The Ramones, ten slotte). Niet gekend, niet gevreesd: hier is de kans op kennismaking.

Proust en de verliefdheid die muziek heet

Luisteren naar muziek verloopt, in de beschrijving van Proust, in fases. Eerst is er de indruk van het geheel, van alle elementen van de muziek op hetzelfde moment. Maar dan gebeurt er zoveel dat het onmogelijk is om helderheid over de muziek te krijgen. Stap voor stap ontdekt Swann (van Du côté de chez Swann) regelmatigheden in de sonate. Hij begint ‘een ontwerp, een architectuur, een gedachte’ te horen, ‘een melodische zin die boven de geluidsgolven uitkomt’. De melodie houdt voor hem een belofte in van ‘eindeloze verrukking’ die alleen dit specifieke, unieke muziekstuk hem kan bezorgen. Proust introduceert zo twee nieuwe elementen:het voortdurend heen en weer bewegen in de tijd, tussen herinnering aan de muziek die al voorbij is en verwachting van wat nog komen gaat. En het besef van het unieke van deze speciale compositie, los van iedere abstractie. Wat Proust over muziek schrijft, heeft veel weg van verliefdheid op het eerste gezicht.

Voor even wordt Swann door de mzuiek opgetild uit zijn mondaine, hedonistische bestaan, voor een kort moment is hij weer ontvankelijk voor de ‘hooggestemde ideeën’ die hij in het dagelijks leven uitsluitend met ironie benadert. Dankzij de ‘petite phrase’ uit de sonate van een componist van wie hij nog steeds de naam niet kent, ontdekt hij plotseling weer de ‘aanwezigheid van een van die onzichtbare werkelijkheden, waaraan hij opgehouden had geloof te hechten en waar hij toch weer, alsof de muziek de geestelijke dorheid waaraan hij leed met nieuwe levenssappen had doordrenkt, het verlangen en bijna ook de kracht voelde zijn leven voor in te zetten’.

Uit: Hoe Proust je kan leren luisteren; uit: Elk boek wil muziek zijn – Peter de Bruijn, Pieter Steinz, Prometheus Asmterdam, 2006 

Marcel Proust (1871-1922, Auteuil-Neuilly-Passy, Frankrijk)

César Franck (1822-1890, Luik, België)

Kapuscinski en de wetten van de uitsluiting

Vasiljevna StarovojtovaVasiljevna Starovojtova; bron foto: ulitza.com

Ryszard Kapuscinski (1932-2007, Pinsk, Wit-Rusland) bezocht als journalist meermalen Rusland. Niet alleen Rusland, zoals we dat anno nu kennen, maar ook de voormalige Sovjet Unie. Zijn journalistieke nieuwsgierigheid bracht hem soms in gevaarlijke situaties. Zoals in de zomer van 1990 toen hij Nagorny Karabach bezocht. Deze enclave werd betwist door Armenië, Azerbeidjzan en Rusland. In die dagen was de sfeer in de hoofdstad Stepanakert gespannen. Juist deze stad bezocht Kapuscinski als begeleider van Vasiljevna Starovojtova, professor aan de Universiteit van Petersburg en afgevaardigde van Armenië voor de Opperste Sovjet (het parlement van de Sovjet Unie). Vasiljevna Starovojtova zou in 1998 worden vermoord in haar Moskouse flat. Ze zette zich in voor liberalisering, hervorming en tolerantie en dingde mee naar het presidentschap als lid van de partij Democratisch Rusland.

Het leek erop dat Starovojtova en Kapuscinski in de val werden gelokt. Door doortatsend optreden van mensen rondom de vertegenwoordiger en hulp van lokale mensen, konden beiden ontsnappen aan een ongewis avontuur. Ondertussen kreeg de journalist wel een duidelijk beeld van de spanningen in Nagorny Karabach dankzij gesprekken met inwoners van Stepanakert en de indrukken die hij er op deed. Dat leidde tot de volgende gevolgtrekking die op elke andere situatie op onze aardkloot van toepassing is:

Drie plagen, drie epidemieën bedreigen de wereld. De eerste plaag is het nationalisme. De tweede is de plaag van het racisme. De derde is de plaag van het religieuze fundamentalisme. Die drie plagen hebben één kenmerk, één gemeenschappelijke noemer: een aggresieve, almachtige, totale irrationaliteit. Je kunt nooit doordringen tot iemand wiens geest door een van deze ziekten is getroffen. In zo’n hoofd brandt een heilig vuur dat alleen maar op brandoffers wacht. Elke poging tot een rustig gesprek zal zijn doel missen, want hij wil geen gesprek, hem gaat het om steunbetuiging. Hij wil dat je ja en amen zegt, hem gelijk geeft, je bij hem aansluit. In zijn ogen beteken je anders niets, besta je niet, omdat je alleen meetelt als werktuig, als instrument, als wapen. Hier zijn geen mensen, hier is alleen de Zaak.

Een door zo’n plaag getroffen geest is een gesloten geest, met één dimensie, één thema, die zich uitsluitend rond één punt beweegt: de vijand. De gedachte aan de vijand voedt ons, dank zij hem bestaan we. Daarom is de vijand altijd aanwezig, altijd met ons.

(..)

Ze  hebben geen last van het idee dat de wereld ingewikkeld is, of dat het lot van de mens onzeker en broos is. Ze kennen niet de onzekerheid die het stellen van vragen als ‘wat is waarheid? wat is goed? wat is rechtvaardig?’ meestal vergezelt. De gespletenheid die mensen kwelt die gewend zijn zich af te vragen: ‘Heb ik werkelijk gelijk?’ – is hun vreemd.

Hun wereld is klein: een paar dalen en bergen. Hun wereld is eenvoudig: aan de ene kant staan wij, de goeden, aan de andere zij, onze vijanden. Hun wereld wordt geregeerd door de ondubbelzinnige wet van de uitsluiting: óf zij, óf wij.

Uit: In de val; uit: Imperium, ondergang van een wereldrijk, Arbeiderspers Amsterdam, 1993; vertaling Gerard Rasch

Ryszard Kapuscinski (1932-2007, Pinsk, Wit-Rusland)