Bijna iedere dag muziek: Robert Johnson

https://youtu.be/Yd60nI4sa9A

De legende begint in het zuiden waar young Robert Johnson (1911-1938, USA) rondtrekt en zijn blues ten gehore brengt. Op een dag blijkt zijn faam zo ver te zijn verbreid, dat een man van een platenmaatschappij hem opzoekt in Robinsville, een plantage diep in de MIssissippi-delta, met het voorstel een paar opnamesessies te doen in San Antonio. Als Johnson in de winter van 1936* de hotelkamer binnenstapt zit die nog vol met een groep Mexicaanse muzikanten, die daar juist hun opnames voltooid hebben. Don Law, de man van de platenmaatschappij, vraagt of hij niet alvast wat voor ze kan spelen. Johnson is een jaar of achttien, en bij de aanblik van de dikke, zelfverzekerde Mexicanen knijpt een aanval van plankenkoorts hem de strot dicht. Hij keert zijn gezicht naar de muur en zwijgt. Law praat de blaren op zijn tong en krijgt Johnson eindelijk zo ver dat hij een nummer doet. Maar hij weigert zich om te draaien naar de Mexicanen, en zingt met het gezicht naar de muur.

Later op de dag, na de opnames, zoekt Law een pension voor Johnson en drukt hem op het hart dat hij wat moet slapen om de volgende ochtend weer fris te zijn in de studio. Johnson knikt. Maar net als Law in zijn sirloinsteak wil snijden tijdens een familiediner in het gerenommeerde Gunter Hotel wordt hij aan de telefoon geroepen. Het is een brigadier van politie, die hem vertelt dat hij dit nummer gevonden heeft op arrestant Johnson, opgepakt op beschuldiging van landloperij. Law schiet een jas aan en haast zich naar de gevangenis. Johnson is er slecht aan toe, niet alleen moet er een borgtocht betaald worden voor zijn vrijlating, hij is door de agenten in elkaar geslagen en van zijn gitaar is zo goed als niets meer over.

Law ontfermt zich over de country-boy op drift in de stad en brengt hem naar zijn pension. Hij geeft hem 45 cent, in die tijd genoeg voor een stevig ontbijt, en beweert hem zich de rest van de avond koest te houden en vooral binnen te blijven. Law zit goed en wel weer aan tafel te vertellen van de inspanningen om zijn onhandelbare pupil uit handen van de politie te krijgen als hij opnieuw aan de telefoon geroepen wordt. Dit keer is het Johnson zelf. Law is op het ergste voorbereid en vraagt gelaten wat er is. ‘Ik ben eenzaam,’ is het antwoord. Law is verbijsterd. ‘Hoezo, hoe bedoel je eenzaam?’, waarop Johnson zegt: ‘Ik ben eenzaam en er zit hier een dame. Ze wil vijftig cent, en ik kom dus een stuiver te kort.’

* feitelijk rammelt dit verhaal van de heren Bril & Van Weelden maar het is te mooi om niet te citeren. Legende-vorming pur sang over een artiest die invloedrijk is geweest voor de blues en zijn volgers

uit: arbeidsvitaminen, Martin Bril & Dirk van Weelden, Bezige Bij Amsterdam, 1987

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s